Voorleeslunch Maarten Spanjer

Voorleeslunch 2019: kater Godfried is vermist

Beeld Ilse Van Kraaij

Een kapotte tv, geen geld en dan dat briefje: ‘Kat vermist’. Leo ruikt zijn kans om tóch die belangrijke wedstrijd te zien. Maarten Spanjer schreef dit verhaal voor de Nationale Voorleeslunch, die vandaag voor de zevende keer plaatsvindt.

Zelf voorgelezen worden door Maarten Spanjer? Gebruik dan bovenstaande player. Is die niet zichtbaar, klik dan hier.

Godfried Vermist - door Maarten Spanjer

Wat zullen we nou krijgen? Vera, heb jij aan dat ding zitten kloten?” Leo schoot van de bank af en sloeg driftig op zijn televisietoestel. Pas bij de derde klap kwam het beeld terug. Hij stak zijn armen in de lucht, alsof hij de Europacup had gewonnen, maar omdat Vera vanuit haar rolstoel niet reageerde, ging hij maar weer zitten en nam een slok van zijn bier.

“Kun je dat bier nou niet even laten staan en je op mij concen­treren?” vroeg Vera. ‘Je zou mijn nek nog masseren.’

Leo zuchtte diep. “Mijn God, daar heb je die vervelende vent weer met zijn goudvissenkom en die plukken haar uit zijn oren. Hoe heet ie, o ja, Willem O. Duys. Mensen met een toegevoegde letter achter hun naam kun je niet vertrouwen, Vera. Geloof me. Die willen zich beter voordoen dan ze zijn. En ze pretenderen overal verstand van te hebben.”

Uit het televisietoestel kwam nu een lichtflits, gevolgd door een sissend geluid.

“Dat is je straf”, riep Vera, “omdat je net zo akelig over die aardige man sprak. Hij is gek met dieren, wist je dat?”

“Ja, lul jij maar lekker, maar overmorgen speelt Ajax tegen Benfica en dan zit ik zonder beeld.”

De volgende ochtend werd Leo met een schok wakker toen Einstein, de kater, op bed sprong. De berg naast hem kwam nu ook langzaam in beweging. Boven de dekens verscheen het gezicht van Vera, dat liefdevol door Einstein werd schoongelikt. Moeizaam hees ze zich in haar rolstoel naast het bed. Het ijzeren plaatje op de rugleuning vermeldde: ‘Beenhakker rolstoelen Rotterdam’. Hoe kon je seks hebben met uitzicht op zo’n invalidenkar en dan ook nog uit Rotterdam.

Morgen Ajax-Benfica en mijn televisie is kapot, schoot het weer door hem heen.

Buiten dwarrelden vlokken sneeuw uit de grauwe hemel. Als het veld in het Olympisch Stadion morgen glad en wit was, zou dat in het voordeel van Ajax zijn, schatte hij in. De Portugezen waren bang voor sneeuw. Sterspeler Eusebio had zelfs nog nooit in zijn leven sneeuw gezien. Er stond een foto in de krant waarop Eusebio zijn gebronsde hand geschrokken uit de sneeuw terugtrok.

Leo pakte een blikje bier uit de koelkast. ‘Prachtpils voor pracht­kerels’ stond als titel boven de elftalformatie van Ajax.

“Leo, door dat gezuip van jou zitten we nog niet eens halverwege de maand en ons geld is nu al bijna op.”

“Veer, ik drink nog niet eens de helft van vroeger en de whisky heb ik afgezworen, dus wat zeur je nou?”

“We hebben twee maanden huurachterstand.”

“Ja, de tijd vliegt en naarmate je ouder wordt, wordt dat alleen maar erger. Dus je moet nu genieten.” Gulzig zette hij zijn mond aan het bierblikje.

Ineens begon Vera met beide handen op haar knieën te slaan. “Einstein, humpedumpie, floppedoppie, kruimelduimeltje, kom eens bij het vrouwtje”, fleemde ze.

Maarten Spanjer Beeld ANP

Mijn God, hoe kan iemand zulke onnozele prietpraat uitslaan tegen een stom beest, vroeg Leo zich in stilte af. Horen die mensen zichzelf niet praten?

Even later duwde Leo de rolstoel van Vera moeizaam door de grijze sneeuwsmurrie het park door. Elke dag dezelfde route en hetzelfde uitzicht op haar, met elke hobbel in de weg, meewippende hoofd. Maar nu was haar kapsel bedolven onder een dun laagje sneeuw. Vera viel bijna uit haar rolstoel toen Leo abrupt stilhield bij een hek waaraan een plakkaat was bevestigd met een foto van een kat erop.

Hij las hardop voor: ‘Kat vermist. Hij luistert naar de naam Godfried. Godfried is een gecastreerde kater van zes jaar oud. Hij heeft een witte bef met een zwarte vlek. Hij loopt gemakkelijk bij mensen binnen, dus wij vermoeden dat hij in een tuin of schuur is gekropen en daar niet meer uit kan. We missen hem enorm. Godfried heeft dringend medicijnen nodig, dus bel alsjeblieft! Beloning voor de vinder: honderdvijftig gulden.’

Onderaan stond een Poolse achternaam en een telefoonnummer.

“Verrek”, zei Leo, “die beloning is precies de prijs van een tweedehands tv-toestel. Veertje, vind je niet dat hij sprekend op Einstein lijkt?”

“Nee, Leo, dat vind ik helemaal niet. Einstein heeft geen zwarte vlek op zijn borst, die heeft een smetteloze voorkant. En hij is ook niet gecastreerd.”

Leo trok het affiche van het hek en frommelde het in zijn zak. “Dan láten we hem toch castreren en die zwarte vlek, dat doe ik zelf wel. Een likkie verf doet wonderen.”

“Nee, Leo, het gaat niet gebeuren. Begrijp je dan niet dat ik aan dat beest gehecht ben? Dat hij me de liefde geeft die ik bij jou tekortkom?”

“Natuurlijk begrijp ik dat, schatje, maar Ajax-Benfica dan? We staan met één been in de halve finale van de Europacup.”

Leo parkeerde de rolstoel naast een parkbankje en ging zitten. Gespeeld zorgzaam klopte hij de sneeuw van haar hoofd.

“Ik wil er niet over praten. Je kunt Einstein niet als een pak suiker in de aanbieding gooien. Wat ben je toch een klootzak en ik kan niet eens uit mezelf van je af, want als ik bij je wegga moet je me duwen.”

Vera verviel in een huilbui met gierende uithalen.

Terwijl Leo een arm om haar heen sloeg loerde hij schichtig het park af. “Veer, je weet toch dat ik het beste met je voorheb. Ik doe het ook voor jóúw bestwil. Zo’n televisie is voor jou een venster op de wereld. Kun jij je een leven voorstellen zonder die prachtige dierenserie, Daktari, met Dr. Tracy of Wie wil er mijn marmotje zien? van Han Rensenbrink? En in juli is de eerste maanlanding op tv met Apollo Henkie!”

Vera wreef in haar ogen. “Doe maar wat je niet laten kan, maar hou mij er verder buiten”, snikte ze.

Het was nog niet meegevallen om zonder hulp van Vera een zwarte vlek bij Einstein aan te brengen, al had hij het affiche als voorbeeld. Telkens als hij met zijn kwast de witte bef aanraakte, rolde Einstein op zijn zij en haalde venijnig naar hem uit. Nu moest hij alleen nog gecastreerd worden. Daar had Leo nog wel een adresje voor: een vriendin uit Leek, die diergeneeskunde had gestudeerd, maar alleen in de kroeg cum laude was geslaagd. Hij mocht Einstein een dag later al komen ophalen.

“Het is een onderhuidse hechting”, zei ze, terwijl ze het blazende beest ’s ochtends aan hem teruggaf, “dus je ziet er nauwelijks wat van.”

Leo haastte zich met Einstein in zijn armen door de gladde straten, want hij moest het vindersloon nog innen en een televisie kopen. Thuisgekomen liep hij meteen door naar de wandtelefoon in de hal om de eigenaar van de vermiste kater te bellen.

“Mevrouw Jankowski, ik mag u een blijde boodschap brengen op deze kille winterdag. Ik heb uw kater Godfried teruggevonden”, sprak hij plechtig.

Hij moest de boodschap een paar keer herhalen voor ze het verstond. Bij de derde keer barstte er een gejuich los op de achtergrond. Jankowski was heel moeilijk te verstaan in haar Pools-Nederlandse brabbeltaaltje.

“Wat zegt u? Nee hoor, ik heb hem uit een boom gehaald. Met gevaar voor eigen leven, ja. Nou held, held… Helden bestaan niet, zeg ik altijd. Meteen langsbrengen, zegt u? Met het oog op zijn medicijnen, dat snap ik. Mag ik dan uw adres noteren. Enne… zeker niet dat het daar om gaat, maar denkt u ook nog even aan de centjes, ik bedoel het vindersloon. Ik wil daar geen ruzie om krijgen. Tot slot, mevrouw Jankowski, u hoeft zich nergens zorgen over te maken: Einst… Godfried is kerngezond.”

Toen Leo de kamer weer inkwam zat Vera pips bij de kachel met de aangeslagen Einstein op schoot. Het moment was aangebroken om afscheid te nemen. Haar vingers gleden nog één keer liefdevol door zijn vachtje. Ze was liever Leo dan Einstein kwijt.

“Ajax-Benfica, schat”, verontschuldigde hij zich, toen hij haar de kat uit handen nam. Hij spoedde zich met Einstein in een kartonnen doos naar het opgegeven adres, ergens driehoog in de Pijp. Er klonken opgewonden kinderstemmen in het trappenhuis. Toen hij de doos op de grond zette om mevrouw Jankowski een hand te geven, werd Einstein uit zijn veilige onderkomen getrokken en door de kinderen innig geknuffeld.

Ik hoop dat dat kleine gespuis een beetje om die zwart geverfde plek op zijn bef heen aait, want anders ben ik de lul, dacht Leo.

“Jongens”, riep Jankowski, “geef Godfried maar aan mij en haal medicijnen uit küchen.”

Ze probeerde Einstein tegen zijn zin wat pillen in zijn bek te stoppen.

“Jij bazin gemiest, hè Godfried? Wilt oe koffie?”

Liever niet, dacht Leo, dat kost alleen maar tijd.

“Wij zijn jou veel dankbaar dat jij Godfried uit boim hebt gered. Hij klimt anders nooit in boimen. Unvorstellbar.”

Leo wreef nerveus over zijn neus.

“Hij zat helemaal in de top”, vertelde hij, “en niemand die een poot uitstak. Mensen zijn tegenwoordig zo harteloos naar dieren toe. Hoelang bent u hem al kwijt?”

“Een hele week menier”, kermde Jankowski, “was heel zware tijd.”

“Dat kan kloppen, want wij hebben hem al een paar dagen in huis. Mijn vrouw was al helemaal aan hem gehecht geraakt. Die wilde hem niet eens meer kwijt.”

“Hij is ook hele lieve beest.”

“Ook al hebben we zelf geen huisdieren, we begrijpen heel goed wat u heeft moeten doorstaan.” Leo keek ongeduldig op zijn horloge en stond op. “En nu moet ik echt gaan. Had u nog aan uhhh…”

“Zeker, zeker, menier.”

Jankowski overhandigde hem het geld in de gang.

“Er komt eigenlijk nog twee dagen kattenvoer bij, maar dat schenk ik u”, sprak hij grootmoedig.

De kinderen deden hem uitgeleide en scandeerden zijn naam. “Leo, Leo, Leo.” Opeens zwaaide de gangdeur open en werd hij bijna onder de voet gelopen door een breedgeschouderde jongeman met een Feyenoord-logo op zijn arm getatoeëerd en een ring door zijn wenkbrauw.

“Janek, dit ies Leo”, zei Jankowski. “Deze lieve man heeft kat gevonden.”

Leo’s hand bleef ongeschud in de lucht hangen. Janek hurkte bij de kat neer en begon hem op zijn gemak te bestuderen.

“Zie je hoe blij hij is je weer te zien”, zei Leo enthousiast.

Langzaam richtte Janek zich op en keek Leo strak aan.

“Deze kat is helemaal niet blij om mij te zien. Hij kent mij niet eens. Dit is Godfried niet. Godfried is een hele slimme kater, heel wat anders dan dit seniele, ouwe beest. En Godfried heeft een gezonde, glanzende vacht, deze is dof. En hij stinkt ook nog.”

Hij tilde de kat van de grond en hield de zwart gevlekte bef bij zijn gezicht. Met de mouw van zijn jas, die hij met zijn speeksel had natgemaakt, begon hij in de vlek te wrijven. Ademloos stonden de kinderen erbij te kijken. De vlek werd almaar groter. Met een rap gebaar griste Janek de biljetten uit Leo’s hand en duwde de kat in zijn armen.

“En nou opgesodemieterd, vuile oplichter, met je nep-Godfried.” Hij duwde Leo de gang op. “En laat ik je hier niet meer in de buurt zien, want ik trek je kop eraf.”

Leo struikelde de trap af.

“Jij geen held, maar gemene lafhaard”, riep Jankowski hem na.

Met grote, boze stappen begaf Leo zich met Einstein onder zijn arm op weg naar huis. Er was geen hond op straat. Sneeuwvlokken prikten in zijn gezicht. Thuisgekomen sloeg hij met een klap de deur achter zich dicht.

Vera was niet van haar plek voor de kachel weggeweest.

Met een boogje gooide hij Einstein door de lucht, die zich krijsend in haar bovenbenen vastklauwde.

“Hier heb je die klotekat van je terug. Allemaal zijn schuld, verdomme. Ajax-Benfica! En ik kan er niet eens naar kijken”, foeterde hij. “Zal je zien dat we door dat gelazer nog verliezen ook.”

Vera streelde haar kat en liet een triomfantelijk glimlachje los.

Lees ook:

‘In dat hofje heb ik nog gewoond’

Twee mensen halen herinneringen op aan de straat waar ze vroeger woonden. Yvonne Keuls schreef dit verhaal voor de Nationale Voorleeslunch 2018.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden