Review

Voor zijn boek bijbelse verhalen moest Nico ter Linden afzien van eigen spitsvondigheden

'Het verhaal gaat...' deel 1 is een uitgave van Balans, Amsterdam en kost ¿ 39,50.

PIETER VAN DER VEN

Voor Nico ter Linden is het geen schande als iemand die zomaar de Bijbel openslaat er niets van begrijpt. In een museum heeft een leek een catalogus, een gids nodig; voor het bijbelse verhaal geldt hetzelfde, temeer nu die taal- en beeldenwereld zovelen vreemd is. In jaren van prediking, catechese, contacten, artikelen, boekjes, televisie-programma's is bij Ter Linden het idee gerijpt: een gids zijn die door de verhalen van de Bijbel wandelt en vertelt. Hij wil niet bekeren (“al is een mooie bekering nooit weg”), hij wil alleen maar laten zien hoe rijk en prachtig ze zijn, die oude verhalen die door merg en been van onze cultuur zijn gegaan, maar die nu verweg lijken opgesloten in een potdicht boek van de kerk.

Wie Ter Linden deze jaren hebben gevolgd weten het wel: voor deze dominee is de Bijbel niet een door God gedicteerd handboek van de kerk, maar een oerboek van mensen, van mensen die zich gegrepen voelen door God en die vertellen over mensen die gegrepen zijn door God, niet in de taal van geschiedenis of journalistiek, maar in de enige taal die daarvoor geschikt is, die van de poëzie, van de mythen.

Was het alleen nog een kwestie van ordenen van verzameld eigen werk?

“De weerslag van mijn preken en catechese vindt zijn weg, vooral de antwoorden op de eerste vragen: wat is dit voor een boek enzovoorts. Maar er is ook veel nieuws. Over de eerste hoofdstukken van de Bijbel, Adam en Eva, Kain en Abel, Noach, had ik nooit systematisch durven preken, wel eens te hooi en te gras. Het probleem van het begin van Genesis is dat het eruit ziet als verhalen, maar het is een constructie, boordevol theologie.”

Het is de spanning en de inspanning van dit jaar geweest, de onzekerheid om het goed te krijgen, de “zenuwen voor elk volgende stukje dat moest worden ingepolderd”. Nee, de muren zijn hem niet aangevlogen bij deze monnikenarbeid; wel heeft Ter Linden de mensen gemist. Maar er was ook de opluchting dat hij na achttien jaar de kar van zijn gemeente niet meer hoefde trekken, dat hij zich eindelijk eens kon concentreren op één stukje, in plaats van altijd dat verbrokkelde simultaanschaken.

Het viel niet mee. Ter Linden had enkele jaren geleden ook voor de tv de aartsvaders behandeld en dacht daar nu gauw mee klaar te zijn. Maar er bleek grondige herziening nodig: weg met de flauwe grappen van de dominee die te uitdrukkelijk door het verhaal heenloopt, weg ook met het te prekerige.

Vereenvoudigen, verdiepen, vertellen met zo min mogelijk uitleg: dat was het doel. Het advies van zijn televisie-biechtmoeder Cox Habbema indertijd was nog even pijnlijk als juist: kill your darlings, Nico, had ze hem toen vaak gezegd. Ook nu hebben kritische meelezers hem weer gemaand te schrappen, zinnetjes die uit de toon vielen, grollen van Ter Linden die er tussen komt.

Maar verhalen zijn ook een speelse aangelegenheid, de leer vertellen heeft iets van een spel. Op zijn beurt speelt Ter Linden voortdurend met de verhalen om iets uit te leggen: het bespaart hem de belerende uitleg, de verklarende voetnoot. Zo laat hij de zoon van Abraham en diens slavin Hagar door God op visite vragen wat zijn naam Ismael betekent. De jongen heeft het wel eens gehoord, maar hij is het vergeten. Dan herinnert Abraham zijn zoon eraan: 'God hoort!' “Hij kan het maar niet onthouden, verontschuldigt Abraham zich. “Maar dat is toch ook moeilijk om te onthouden, Abraham,” zegt God. Zo probeert Ter Linden verhalenderwijs over te brengen hoe moeizaam Abraham zelf tot het geloof komt dat 'God hoort'.

Sommigen zullen het resultaat te lichtvoetig vinden. Ter Lindens taal is geen Statenbijbels, maar hij wil ook de populaire omgangstaal als van de Groot Nieuws Bijbel (GNB) mijden. Niet: hij liep over het water; liever: hij schreed over de wateren, bijvoorbeeld. In zulke woorden klinkt volgens Ter Linden beter door dat het gaat over een geheim. Tegelijk gaat hij verder dan de GNB, als hij bijvoorbeeld Jakob laat wensen dat die herders in Haran “opzooiden”, die “geen sjoege” gaven. Spelen met het verhaal, met de taal, het hoogdravende en het alledaagse ervan.

Ter Linden, het blijkt uit zijn sobere voetnoten, heeft het niet allemaal zelf bedacht. Hij heeft veel te danken aan mensen als Breukelman, Deurloo, de oude Miskotte, Buber, Kroon. Zij hebben hem wegwijs gemaakt in het theologisch stramien, het bijbelse weefsel. Hij noemt nog een andere naam: de Duitse psychotherapeut en geschorste priester Eugen Drewermann. Wat Breukelman c.s. hem heeft geleerd aan theologie en exegese, dat heeft Drewermann gedaan met de psychologische invalshoek: Wat heeft de bijbelse auteurs in hun ziel bewogen?

“Goeie theologie en goeie psychologie bijten elkaar nooit. Wel verstaan ze elkaar soms moeizaam; ik eet van beide walletjes.”

Is het niet doorgeslagen naar de psychologie?

“Bijbelse vertellers zitten met huid en haar in hun verhaal. Met woorden van eeuwen en met archetypische beelden verhalen ze over hun godservaringen - beelden van land en water, bomen en bronnen, vuur, hemel en aarde, wolken, bruid en buidegom, vaders met twee zonen.

Via Drewermann heb ik het verhaal van de ezelin van Bileam (Numeri 22) leren verstaan, denk ik. Met voorbeelden uit talrijke sprookjes laat Drewermann zien dat de ezel beeld is van ons lichaam. Het lichaam dat signalen geeft als ik op de verkeerde weg ben; ik beul het af en drijf het voort, maar op zeker moment gaat het beestje erbij liggen. Bereider en 'broeder ezel' zijn een twee-eenheid.'' Als je iets begrijpt van de ingrediënten van zo'n verhaal gebeurt er zoveel meer dan dat ongelooflijke van een pratende ezel, vindt Ter Linden.

Hij geeft nog een voorbeeld uit de rijkdom van Drewermanns werk. Het oerthema van de vader-met-twee-zonen kende hij natuurlijk wel, maar nooit had hij Lukas 10 over de twee zusters Maria en Martha gelezen als een variatie daarop: geen huis-tuin-en-keuken-verslag maar een verhaal over twee zusters, één lettertje verschil in hun naam, twee zielen in het ene hart van Moeder Israël.

Bent u aan passages voorbijgegaan omdat u er niets mee kon?

“Aanvankelijk wel, Tubal Kain, die twee Lamechs uit Genesis, gruwelverhalen. Op een gegeven moment was het ook weer mijn eer te na om het daarbij te laten. Laatst heb ik nog een lezing gehouden over de Bijbel in een serie over klassieke literatuur en geweld. Ik heb niet de pretentie alles van de Bijbel te weten; er is niet slechts één interpretatie mogelijk. Is het A, B of C? Soms laat ik het einde open. Vertellen is een beweging gelijkvloers. Uitleggen is iets van boven naar beneden, het heeft iets schoolmeesterachtigs. Dat is niet erg, maar het gaat om een verhalenboek, het schoolmeesteren moet zo verhalend mogelijk gebeuren, als snelle 'terzijdes' op het toneel.”

Wat moeten mensen met het boek?

“Ik zou willen dat de Bijbel weer wordt gelezen aan tafel. Mijn boek is ervoor gemaakt, want het is verdeeld in korte hoofdstukjes; langere verhalen heb ik in tweeën geknipt. Voor jongeren van 14 jaar is het al goed te volgen, hoop ik. Het is niet per se bedoeld voor gelovigen, maar voor iedereen die er kennis van wil nemen.”

Een extra vreugde heeft Ter Linden overigens in petto voor wie wèl vertrouwd is met de Bijbel. De verhalen wemelen van de kleine verwijzingen, ook weer met allerhande speelse variaties en vrijheden. Zo geeft God aan Adam “zijn beminde in zijn slaap”, geen citaat maar wel een knipoog naar Psalm 127. De liefhebber van bijbelse intertextualiteit vindt zo het bijbelse verhaal ingeweven in één geheel van Oude en Nieuwe Testament, van het eerste tot het laatste Bijbelboek. “Wees gegroet, Tamar; gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot.” De blinde heiden zal over zulke toespelingen heenlezen. Ter Linden zegt er, verwijzend, van: “Wie het vatten kan, die vatte het.”

Is de Bijbel voor u per saldo een mooi verhalenboek of is er een 'plus'?

“Natuurlijk komt dat boek 'van beneden', dat kan nu eenmaal niet anders. Tegelijk wijst het boven zichzelf uit. 'Zal het waarachtig toch nog openbaring wezen!', zoals Van Randwijk zei. God die bij Abraham komt buurten en een hapje mee-eet onder de eikenboom; Mozes die met God praat als een vriend met zijn vriend. Ik vind het goddelijk om de Eeuwige, de Onzienlijke zo menselijk te durven uitbeelden. Veel theologen zetten de camera boven en doen vandaaruit uitspraken over God. 'God heeft zich in Israël geopenbaard,' zeggen ze dan. Dat geloof ik wel, maar ik zal het niet meer zo zeggen. Ik zet de camera liever beneden. Ik zeg dan: 'Ik geloof dat Israël God op het spoor is. Wil je weten wie God is, lees dan Israëls verhalen. Dan ben je warm'.”

Het brandende braambos

De engel des Heren verscheen hem als een vuurvlam midden uit een braambos. Mozes keek toe, en zie, het braambos stond in brand, maar werd niet verteerd.

Een visioen. De schapen van zijn kudde zien niets anders dan de zon die vuurrood ondergaat achter de struiken. Maar Mozes ligt plotseling op zijn knieën, want hij ziet meer.

Het braambos van zijn leven staat in brand, en het wordt niet verteerd. Het vuur dat hem aanvankelijk verteerde en tot moord en doodslag bracht, heeft zijn verwoestende werking verloren. De braamstruik heeft gedaante noch heerlijkheid, de woestijn is ermee bezaaid en je kunt hem nergens voor gebruiken, tenzij de nederigheid van dit eenvoudig schepsel wordt uitverkoren om drager van de lichtglans van God zelf te zijn. Wil de Eeuwige zich van een nietig mens als Mozes bedienen om in hem zichzelf als warmte en vuur te laten kennen?

Het braambos is ook het volk Israël, bij grote bevrijders is dat altijd één, hun persoonlijk lot en het lot van hun volk.

Het is Israël dat het vuur van God mag dragen, dwars door de woestijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden