Review

Voor het goede leven moet je niet al dood zijn

Imre Kertész en György Konrád, de twee belangrijkste Hongaarse schrijvers van dit moment, hebben veel met elkaar gemeen - maar toch zijn het totaal verschillende schrij-verspersoonlijkheden. Hun beider leven werd bepaald door de jodenvervolging en de concentratiekampen. Kertész werd als kind opgepakt in Boedapest en naar Duitsland gedeporteerd, waar hij met veel geluk Buchenwald overleefde; de lezers van 'Onbepaald door het lot' zullen het nooit vergeten.

Konrád kon op het laatste moment ontsnappen aan de Duitsers door vanuit Oost-Hongarije naar Boedapest te vluchten, waar hij tijdens de slotfase van de oorlog onderdook en aan de razzia's wist te ontkomen; de lezers van 'Tuinfeest' en van het zojuist vertaalde 'Geluk' zullen het evenmin vergeten.

Toch zijn de verschillen tussen beiden levensgroot. Kertész is veel grimmiger en gekwetster dan Konrád, wat zich tot in zijn soms rabiate stijl weerspiegelt. Kertész oorlogservaringen hebben een diepe wond geslagen; het woord 'trauma' vormt zijn sleutelbegrip. Ook lijkt hij veel onverzoenlijker tegenover zijn Hongaarse landgenoten, die lijdzaam hebben toegekeken hoe een half miljoen joden naar de gaskamers werden afgevoerd - als ze de nazi's al niet de helpende hand boden. Enkele weken geleden, vlak nadat hem de Nobelprijs was toegekend, gaf Kertész een interview aan het Duitse weekblad Die Zeit, waarin hij voor de zoveelste keer de staf brak over het antisemitisme in het huidige Hongarije, dat overigens ook veel politici niet onberoerd zou laten.

Konrád daarentegen is veel verzoenlijker tegenover zijn landgenoten. Ook hij weet uiteraard hoe de vork in de steel zit (getuige bijvoorbeeld sommige essays uit zijn vorig jaar vertaalde bundel 'De onzichtbare stem'), maar zijn toon is gedifferentieerder en tegemoetkomender, soms bijna superieur in zijn ironie. Konrád is speels en humoristisch, hij presenteert zich graag als de Lebemann. Liefde en erotiek ontbreken allerminst bij hem, zeker niet in zijn latere

romans zoals 'Melinda en Dragoman' of 'De stedebouwer', die overigens niet tot zijn beste werk behoren. Momenten van geluk en tevredenheid zijn bij Konrád geen zeldzaamheid. 'Voor het goede leven moet je niet alleen welgesteld zijn maar ook opgeruimd, en natuurlijk moet je niet al dood zijn maar nog leven', luidt het in 'Geluk', een welhaast aforistische zin die ook al door de spottende dictie ondenkbaar zou zijn bij Imre Kertész.

Bijna had ik geschreven dat 'Geluk' een passende titel is voor dit boek. Maar het is uiteraard een dubbelzinnige titel, een geluk malgré tout, en bovendien luidt de oorspronkelijke Hongaarse titel geheel anders, namelijk 'Vertrek en Thuiskomst'. Konrád vertelt in dit autobiografische werk, zijn beste boek sinds vele jaren, over zijn kindertijd in de Oost-Hongaarse provincie en over de jaren 1944 en 1945, toen hij als elfjarige in Boedapest onderdook en uiteindelijk weer terugkeerde naar zijn geboortestadje Berettyóufalu.

De familie Konrád behoorde tot de maatschappelijke bovenlaag van het stadje. Vader Konrád dreef een goedbeklante zaak in ijzerwaren en beschikte als eerste in het plaatsje over een woning van twee verdiepingen. Koetsier, kokkin en kindermeisje maakten deel uit van het huispersoneel. Poëtisch en met nergens verhulde nostalgie schrijft Konr d over zijn jeugd in de jaren dertig: zijn eerste schooldag, seideravonden, zijn passie voor modelvliegtuigjes, alsook herinneringen aan snorrenpommades, buffelmelk en notenbomen.

'Geluk' kun je op diverse manieren lezen. Ten eerste als een contrast tussen een beschermde, welhaast idyllische jeugd en de onheilspellende gebeurtenissen die spoedig volgden. Maar ook als een exemplarisch verhaal over het jodendom in een willekeurig stadje in Midden-Europa; van de ongeveer duizend joden in Berettyóufalu zouden er slechts enkelen de vernietigingskampen overleven. Konrád zelf ontsnapte op het nippertje met zijn drie jaar oudere zus naar Boedapest. Daar verbleef hij op een onderduikadres bij familieleden en later in een zogenaamd 'beschermd huis' van de Zwitserse ambassade. Veilig was het uiteraard nergens, want de gevreesde pijlkruisers, de handlangers van Hitler, maakten meedogenloos jacht op de joden, die 'een soort kleiduiven' waren op wie iedereen mocht schieten. In een veewagen keerde Konrád ten slotte na de oorlog weer terug naar zijn geboortestadje, waar hij enkele maanden moest wachten op de thuiskomst van zijn ouders, die het er heelhuids hadden afgebracht in een Oostenrijks kamp.

'Geluk' imponeerde mij vooral door de charmante, lichtvoetige manier waarop over een zwaar en beladen thema wordt verteld. Het is de toon die dit werk zo bevrijdend en superieur maakt. Heel wat details blijven je bij. Bijvoorbeeld over de hongersnood en de barre koude in het laatste oorlogsjaar, toen Konrád bij gebrek aan handschoenen zijn handen beschermde met een haarnetje. Of over zijn excentrieke oom Gyula, een neuroloog, die nog tijdens de oorlog in Boedapest een woning in de Bauhausstijl had ingericht ”alsof we in normale tijden leefden en de wereld volmaakt in orde was”.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden