Review

Voor de gemoedsrust van de natie

Dr. L. de Jong en zijn vakgenoten hebben zich geschikt in ’de mythe van het niet-weten’. De Jong heeft aantoonbaar gegevens uit zijn werk weggelaten die lieten zien dat veel Nederlanders al vroeg geweten moeten hebben welk lot de gedeporteerde Nederlandse joden wachtte. Dat stelt de ’amateurhistoricus’ Vuijsje in ’Tegen beter weten in’. Hij werd van vele kanten aangevallen. Terecht?

Het boek van Ies Vuijsje ’Tegen beter weten in’ is overwegend negatief ontvangen door beroepshistorici. De reacties varieerden van ’hij beweert niets nieuws’ tot ’hij heeft er niets van begrepen’. Wie zich, zoals Vuijsje, als amateur op overbekend en overgevoelig terrein begeeft en het waagt ferme conclusies te trekken, kan zulke kritiek verwachten. Maar is die in dit geval wel terecht?

De vragen die Vuijsje in zijn boek aan de orde stelt, komen voort uit verbijstering, namelijk de verbijstering van de generatie geboren na de Tweede Wereldoorlog die niet begrijpt hoe de massamoord op joden jarenlang ongehinderd kon doorgaan. Vuijsje formuleert zijn vragen pijnlijk direct en kernachtig: ’Wanneer wisten de Nederlanders, in bezet gebied en daarbuiten, van de Endlösung?’ ’Welke informatie kregen zij over de uitroeiing van de joden in de oorlog?’ ’Hoe reageerden joden en niet-joden op die informatie?’ ’Klopt de voorstelling van zaken die rijkshistoricus Loe de Jong en andere historici ervan hebben gegeven, of is de geschiedenis vervalst?’

De Amerikaan Walter Laqueur, ook een autodidact, publiceerde in 1980 zijn boek ’The Terrible Secret’, waarin hij óók deze vragen onderzocht, voor alle landen die met de jodenvervolging te maken hadden – Duitsland inbegrepen. Verbaasd over de grote hoeveelheid meldingen van de holocaust die Laqueur in de boven- en ondergrondse pers, het diplomatieke verkeer en regeringsmemo’s aantrof, kwam hij tot de slotsom dat de nazi’s weliswaar hun misdaden camoufleerden, maar dat de Endlösung vrijwel van meet af aan een publiek geheim was geweest.

Het afslachten van de joodse bevolking van Galicië, de Baltische staten, Wit-Rusland en Oekraïne door Einsatzgruppen in de zomer en het najaar van 1941 gebeurde open en bloot. Twee maanden nadat de nazi’s de 100.000 joden van Kiev aan de rand van een ravijn vlak buiten de stad hadden doodgeschoten (Babi Jar, september 1941), stond dit te lezen in Britse kranten.

De berichten over vernietigingskampen in Polen, waarvan het eerste in december 1941 ging functioneren, drongen trager door. Maar in het najaar van 1942 schreven talrijke bladen in neutrale landen als Zweden en Zwitserland over massamoord, vernietiging en uitroeiing – in die termen – van joden in Poolse kampen. Alleen de gebruikte methoden waren niet precies bekend.

Laqueur kwam tot een tweede conclusie. Informatie was weliswaar op een vroeg tijdstip voorhanden, maar de massa van de burgers hechtte er geen geloof aan. Velen beschouwden die berichten als ’gruwelpropaganda’. En daar wilde men niet nog eens intrappen. In de Eerste Wereldoorlog hadden de Britten en Fransen verhalen rondgestrooid over Duitsers die lijken van soldaten tot varkensvoer vermaalden. Die waren onzin gebleken.

De informatie over vernietigingskampen was niet eenduidig en kon niet officieel worden bevestigd. Daarnaast waren er tal van psychologische factoren, zo meende Laqueur, die mensen blind en doof maakten. Om te beginnen was de waarheid niet te bevatten. De verdelgingsfabrieken waren een uitvinding die de mensheid nog niet eerder had meegemaakt en die de meeste mensen niet voor mogelijk hadden gehouden. Bovendien kon je er beter ook maar niet over nadenken, want je kon er toch niets tegen doen, zo typeert Laqueur het overheersende gevoel.

Wat de slachtoffers betreft: heel veel joden klampten zich in hun wanhoop vast aan elke illusie, aan iedere strohalm. In die houding verschilden Nederland en de Nederlandse joden, zo blijkt uit Laqueurs beschrijving, niet wezenlijk van andere bezette landen.

Vuijsje noemt dit weglopen voor de waarheid ’de mythe van het niet-weten’. Hij vindt tientallen aanwijzingen – in de ondergrondse pers, in berichten van Radio Oranje en Radio Brandaris, in oorlogsdagboeken en in de archieven van de Joodse Raad – dat bekend was dat de gedeporteerde joden een zekere ondergang tegemoet gingen.

Het gaat hierbij niet om gefluisterde geruchten die slechts enkele ingewijden ter ore kwamen, maar om berichten die een groot publiek moeten hebben bereikt. In dit opzicht stemmen Vuijsjes conclusies overeen met die van Laqueur, en zou je kunnen zeggen dat hij ’niets nieuws’ heeft ontdekt.

Anders dan Laqueur denkt Vuijsje dat de berichten in het algemeen geloofd zijn door de ontvangers ervan. Hij probeert dat onder andere aan te tonen door enkele oorlogsdagboeken te citeren waarin niet getwijfeld werd aan de moordzucht van de nazi’s. ,,De Engelse radio spreekt van vergassing”, zo citeert hij Anne Frank. ’’Misschien is dat wel de vlugste sterfmethode.” De aantekening van Anne Frank valt aan te vullen met soortgelijke citaten die mondjesmaat te vinden zijn in andere oorlogsdagboeken. Deze bewijzen nog niet dat Vuijsje gelijk heeft met zijn bewering dat in een vroeg stadium – toen verzet, sabotage en hulp bij onderduiken nog duizenden mensenlevens hadden kunnen redden – de Duitse bedoelingen door een groot deel van de Nederlandse bevolking doorzien werden. Dat is al te simplistisch. Maar hij maakt wel aannemelijk dat het verdringingsmechanisme onvoorstelbaar krachtig heeft gewerkt.

De ’niet-geweten-mythe’, redeneert Vuijsje, ontlastte het geweten van de natie. Wie niet geweten had, kon niet worden verweten niets te hebben gedaan. Na de oorlog is de ’mythe’ bevestigd en versterkt door de belangrijkste historici die de jodenvervolging in Nederland hebben geboekstaafd, zegt Vuijsje, en hij noemt hen met name: Herzberg, Presser, De Jong. Zij hebben een veel positiever beeld gegeven van de houding van de Nederlanders, met name van de Nederlandse regering en van de Joodse Raad, dan gerechtvaardigd was.

Of dat geldt voor Presser, valt sterk te betwijfelen. Maar met betrekking tot rijkshistoricus De Jong doet Vuijsje opmerkelijke ontdekkingen. Hij maakt volledig waar dat De Jong vooral de geschiedenis van het ’niet-weten’ heeft willen neerschrijven. Vuijsje presenteert een lijst van 24 berichten op de radio en in de ondergrondse en bovengrondse pers in 1942, waarin over de Endlösung wordt gesproken. Niet in omfloerste bewoordingen, maar in scherpe, alarmerende taal. Daarvan vermeldde De Jong in zijn ’Koninkrijk der Nederlanden’ er slechts twaalf, en van deze twaalf heeft De Jong er zes weergegeven met weglating van de essentie van de boodschap.

Uit een pamflet dat de socialistische leider Vorrink en de hoofdredacteur van het ondergrondse blad Vrij Nederland Van Randwijk schreven in juli 1942, enkele dagen voordat de eerste deportatietreinen gingen rijden, citeert de Jong alleen een oproep aan Nederlandse ambtenaren om medewerking aan de deportaties te weigeren. Hij liet weg dat het pamflet sprak van Duitse maatregelen die gericht waren op ’vernietiging en uitroeiing’ van de joden, en dat wie zou zwijgen en toezien, medeplichtig werd aan ’dezen massamoord’. Ook uit andere voorbeelden blijkt dat citaten waaruit geconcludeerd kon worden dat men in 1942 al op de hoogte was van de genocide, door De Jong zijn verdoezeld.

De keren dat De Jong wel berichten erover aanhaalt, gaat het om dreigementen van Hitler en trawanten, of verwijzingen naar de moordcampagne van de Duitsers in Polen en Rusland. Slechts eenmaal citeert De Jong een bericht uit 1942 – op Radio Brandaris – waarin deportaties uit Nederland in verband gebracht worden met ’uitroeiing’ en ’moord op weerlozen’. De noodkreten in de ondergrondse pers en zelfs berichten met een verwijzing naar de jodenvernietiging die hij persoonlijk als medewerker van Radio Oranje in Londen uitzond, nam hij niet op in zijn ’Koninkrijk’.

De Jong vertekende in zijn geschiedschrijving ook de betekenis van de zeldzame verklaringen over de jodenvervolging die door de Nederlandse regering zijn afgegeven. Koningin Wilhelmina sprak in oktober 1942 van ’de onmenselijke behandeling, ja, het stelselmatig uitroeien van deze landgenoten’, en De Jong vroeg zich af of zij dat wel zo letterlijk had bedoeld. In december van hetzelfde jaar veroordeelden de geallieerden in een gezamenlijke boodschap de massamoord op de Europese joden. In zijn ’Koninkrijk’ stelde De Jong het ten onrechte voor alsof de tekst alleen ging over de moord op Poolse joden.

Het waarom van het ’niet weten’ en ’niet begrijpen’ van de massamoord op het moment dat deze werd gepleegd, hield De Jong bezig. In 1967 wijdde hij er zijn oratie, getiteld ’Een sterfgeval te Auschwitz’, aan. Ook hier geen melding van de vele stukken in de illegale pers en de berichten die boodschappers aan de Joodse Raad overbrachten. De Jong benadrukte dat de waarheid niet te bevatten was en daarom niet aanvaard werd. Hij sprak van een ’nagenoeg volstrekte geheimhouding’ en concludeerde dat deze geslaagd was.

Volgens De Jong ’wist’ hijzelf pas in mei-juni 1943 wat de Endlösung inhield. Hoe dat te verklaren is, gezien zijn toegang tot de beste bronnen die voorhanden waren, lijkt meer voer voor psychologen dan voor historici.

Als autodidact en buitenstaander heeft Vuijsje onthuld wat beroepshistorici om welke reden ook niet willen zien. Ook de begeleidingscommissie die bij het schrijven van ’Het Koninkrijk’ commentaar leverde, heeft indertijd niet de vraag gesteld waarmee Vuijsje zijn onderzoek is begonnen. ’Heeft Nederland inderdaad zo weinig geweten als De Jong het voorstelt?’ Mij heeft Vuijsje overtuigd dat de rijkshistoricus de geschiedenis heeft vervalst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden