Review

Voetballen onder de Führer

Ook voetbalelftallen werden in het Derde Rijk rap ’gezuiverd’ van Joden – en van kritische clubfunctionarissen. De meelopers, zoals SS’er Gramlich, werden daar ná de oorlog zelden op aangekeken.

Toen de Prüsident van de voetbalclub 1.FC Kaiserslautern bij een optocht van de plaatselijke NSDAP in 1936 de Hitlergroet ’vergat’ te brengen en bovendien ’mit dem Juden Max Jakob (..) persönlichen Verkehr’ had, leidde dat tot een gerechtelijke berisping en tot zijn afscheid als clubvoorzitter.

Twee jaar daarvoor was de eindredacteur van het officiële cluborgaan van Eintracht Frankfurt gedwongen zijn functie neer te leggen: hij was té kritisch over de verregaande politisering van de sport geweest en té waarderend had hij over de afgetreden Joodse penningmeester van de club geschreven.

Was het gedrag van deze bestuursleden illustratief voor de houding van de twee voetbalclubs tijdens het Derde Rijk? Onafhankelijk van elkaar concluderen godsdienstfilosoof (!) Herzog en sociaal-pedagoog Thoma dat dat te veel eer zou betekenen. Verzetshaarden waren de clubs van Betzenberg (1.FCK) en Riederwald allerminst. Daarvoor kregen clubfunctionarissen ook weinig kans en voor hen die zich nog enigszins onafhankelijk opstelden, werden al snel (nazi-)vervangers gezocht.

Het jeugdwerk in de clubs viel al snel exclusief toe aan de Reichsjugendleiter, terwijl Joodse spelers langzamerhand uit beeld verdwenen. Het feit dat in het clubblad van Eintracht de namen van nieuwe leden werden gepubliceerd om te voorkomen ’dat zich mensen bij ons aanmelden die om welke reden dan ook niet tot onze vereniging mogen en moeten worden toegelaten’, spreekt boekdelen.

Tot clubs waarmee het nieuwe bewind goede sier kon maken – zoals bijvoorbeeld bij Schalke 04 het geval was –, groeiden beide verenigingen niet uit. Eintracht stond nota bene als ’jodenclub’ (in Hessisch dialect die Juddebube) te boek, maar dat kwam vooral vanwege het liberale toelatingsbeleid en doordat veel selectiespelers in de jaren twintig werkzaam waren bij J. & C. A. Schneider, een schoenfabriek onder Joodse directie. En het jonge talent Fritz Walter – de aanvoerder van de West-Duitse Weltmeistermannschaft in 1954 – werd met zijn teamgenoten van 1.FCK weliswaar voor propagandistische doelen gebruikt (hij speelde in het naburige Metz en Thionville demonstratiewedstrijden ’om Franse clubs te germaniseren’), hij bleef een apolitieke jongen. Overigens wel één die in het officiële briefverkeer de voorgeschreven slotformule ’Heil Hitler’ weigerde te gebruiken.

In beide boeken figureren slechts weinig helden, maar – nog afgezien uiteraard van rabiate nazi’s – meer nog de onvermijdelijke meelopers die van maatregelen tegen hun Joodse medeburgers profiteerden en na 1945 schaamteloos in prominente functies konden terugkeren. In Frankfurt was dat bijvoorbeeld oud-international Rudolf Gramlich. Als beginnend zakenman had hij een actieve rol bij de liquidatie van een Joodse firma en als SS-officier werd hij verdacht van oorlogsmisdaden – wat niet kon worden bewezen. Toch stemden in 1955 maar weinigen tegen zijn voorzitterskandidatuur bij Eintracht: maar liefst veertien jaar zou hij aan het hoofd van de club staan.

Zijn er grote verschillen tussen de boeken onderling? Van de beide auteurs schrijft Thoma het meest toegankelijk – in zijn Eintracht-monografie beschrijft hij ook veel persoonlijke lotgevallen van een aantal personae dramatis –, terwijl het onderzoek van Herzog meer wetenschappelijke pretenties heeft: het verschil in het aantal voetnoten (1542 tegen 430 bij Thoma) wijst al in die richting. De kans om het verhaal in de sociale en politieke context van tijd en regio te plaatsen, laten beiden echter liggen. Werd, in het overwegend liberale Frankfurt (met óók nog een relatief groot aantal Joodse inwoners), Eintracht reeds om die reden niet een echte naziclub? En dat Eff-Ce-Kaa zich méér aanpaste, zonder overigens als ’uithangbord’ voor de nazi’s te fungeren – vond dat zijn oorzaak in de meer gezagsgetrouwe, protestantse Pfalz? Of was het een gevolg van zijn ligging aan de rand van het Reich?

Eén kwestie heldert ook Thoma ten slotte niet op: wat deden de Haarlemse voetballers Augustinus en De Jonge in 1942/43 bij Eintracht Frankfurt?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden