ArchitectuurDivers bouwen

Voelt iedereen zich nog wel thuis in het Nederlandse huis?

Le Medi in Rotterdam met bewoners Laïla Safae Boutaïbi en Karen Rollingswier.Beeld Werry Crone

Om het woningtekort het hoofd te bieden moeten er de komende tien jaar 845.000 woningen bij komen. Daarin zou je ook de veranderende samenstelling van de bevolking moeten meenemen, vindt architect Lyongo Juliana. Hij onderzoekt of er behoefte is aan meer diversiteit.

Architect Lyongo Juliana (49) spreidt zijn armen alsof hij iemand wil omhelzen. Daarvoor heeft hij 1.80 meter nodig, schat hij. “Ik ben gewend om mijn gasten thuis zo te begroeten, al kan dat helaas nu even niet door corona. In de hal van een doorsnee eengezinswoning, die volgens het Bouwbesluit minimaal 1.30 breed moet zijn, lukt me dat ook niet. Net ­zoals de hal vaak ook te krap is om op fatsoenlijke wijze je schoenen uit te doen, wat voor veel mensen heel gewoon is.”

Is er in Nederland behoefte aan woningen met een andere indeling, nu de samenstelling van de bevolking in hoog tempo verandert? Over die vraag buigt Juliana zich als ‘architect in residence’ bij Architectuurcentrum Amsterdam (Arcam). Ongeveer een kwart van de mensen in Nederland heeft een migratieachtergrond. In Rotterdam, Den Haag en Amsterdam is dat al meer dan de helft en onder jongeren is het percentage nog hoger. Wat betekent dat voor de architectuur en stedenbouw? Die vraag is des te actueler nu er grote aantallen huizen moeten worden gebouwd om de woningnood op te lossen. Uit een gisteren uitgebracht rapport van Binnenlandse Zaken zouden er de komende tien jaar 845.000 woningen moeten worden bijgebouwd om het ­tekort op te lossen.

Juliana werd geboren in Nederland – zijn vader was een Curaçaoënaar, zijn moeder is Nederlands – maar bracht zijn schooljaren door op Curaçao. Na zijn studie bouwkunde in Eindhoven werkte hij als architect afwisselend op Sint-Maarten en Curaçao en in Nederland. Sinds 2,5 jaar woont hij met zijn gezin in Amsterdam, waar hij werkzaam is bij OZ Architect als directeur voor de Caribische regio. Wat hem opviel na zijn terugkeer, is dat er in de ­Nederlandse architectuurwereld weinig discussie is over diversiteit.

In plaats van een etnisch specifiek ontwerp prefereren ze strakke en functionele architectuur

Is zo’n debat wel nodig? Uit recent onderzoek naar de woonwensen van mensen uit andere culturen blijkt dat ze geen behoefte hebben aan architectuur met Marokkaanse of Turkse accenten. In plaats van een etnisch specifiek ontwerp prefereren ze een strakke en functionele architectuur. Een gesloten keuken in plaats van de typisch Nederlandse open keuken staat hoog op de wensenlijst. Ze houden niet van inkijk in de woonkamer en willen een groot aantal kamers, waaronder een logeer­kamer, en een nieuwbouwwoning, ­omdat die relatief onderhoudsvrij zijn.

Dit woonprofiel is herkenbaar voor de Utrechtse makelaar en taxateur Alpay Demirci. Hij zit al 20 jaar in het vak en was de eerste beëdigd makelaar in Nederland van Turkse komaf. Voor zijn klanten, overwegend met Turkse of Marokkaanse wortels, speelt de buitenkant van het huis amper een rol, beaamt hij. Wel hebben ze liever een plat dak dan een puntdak, omdat er dan een extra verdieping kan worden gebouwd als de kinderen groter worden.

Demirci: “Kinderen uit andere culturen blijven meestal langer thuis en gaan niet rond hun achttiende de deur uit”. Zelf bleef hij tijdens zijn studie ook thuis wonen. “Mijn vader had twee huizen naast elkaar, waarvan hij er een verhuurde. De bovenverdieping van het huurhuis heeft hij later verbouwd tot ruime kamers voor zijn vier studerende kinderen.” Lachend: “Om ons zo lang mogelijk thuis te houden en dat is gelukt.”

Belangrijker dan de buitenkant is de indeling. De favoriete woning van zijn klanten heeft een dichte keuken, een vierkante woonkamer, een ruime hal en minimaal vier slaapkamers. Demirci: “Hun gezinnen zijn vaak groter dan het doorsnee gezin met twee kinderen en ze ontvangen vaker gasten die blijven slapen”. Een ander verschil is dat ze gemiddeld 15 tot 20 jaar in hetzelfde huis blijven wonen, terwijl autochtone Nederlanders om de 7 tot 9 jaar verhuizen.

Liever luisteren? Beluister hier het door Blendle ingesproken artikel. 

Ik richt me op de vraag of onze woon­huizen zijn toegesneden op andere woonrituelen

Architect Juliana benadrukt dat zijn onderzoek niet als insteek heeft dat er in Nederland allerlei afwijkende bouwstijlen worden geïntroduceerd. “Ik richt me vooral op de vraag of onze woon­huizen zijn toegesneden op andere woonrituelen. Mensen moeten ook niet denken dat ik vind dat je zwart moet zijn om voor zwarte mensen huizen te ontwerpen. Als architect moet je in de eerste plaats weten voor wie je bouwt. Dat heeft niets met je eigen ­afkomst te maken.”

Als voorbeeld noemt hij de Nederlandse architect Gerrit Rietveld, die in de jaren vijftig op Curaçao het Verriet Instituut ontwierp, een opvanghuis voor gehandicapte kinderen. “Dat is nog steeds een voorbeeld van eigentijdse Caribische architectuur. Rietveld is daar maar een week geweest, maar hij had wel de gave om die cultuur te proeven en de klimatologische omstandigheden tot zich te nemen.”

Le Medi in RotterdamBeeld Werry Crone

Die ‘sensibiliteit’ van Rietveld voor hoe mensen willen wonen, mist hij een beetje in de huidige Nederlandse architectuurwereld. “Er is weinig discussie hoe je moet ontwerpen nu er in de Randstad steeds meer mensen wonen van andere komaf. Ik wil met mijn onderzoek dat debat stimuleren en bruggen bouwen.”

Zo’n 20 jaar geleden was ook de vraag aan de orde of het groeiende aantal Marokkaanse en Turkse Nederlanders hun afkomst moesten terugzien in de architectuur. Waar nu wordt gesproken over diversiteit en inclusiviteit heette dat destijds multicultureel bouwen. Er zijn toen meerdere projecten gerealiseerd die waren geïnspireerd op bouwstijlen en woonrituelen uit andere culturen. Een van de bekendste is Le Medi (2008) in de Rotterdamse wijk Bospolder-Tussendijken, een idee van de Marokkaanse Rotterdammer Hassani Idrissi. Het is een woonblok met 93 koopwoningen in Marokkaanse stijl, met felle kleuren en mediterrane ornamenten, gebaseerd op het idee van een ommuurde stad met grote toegangspoorten

Ik wilde geen doorsnee nieuwbouwhuis in een blanke enclave

Karen Rollingswier (42) behoort tot de eerste bewoners van Le Medi. “Ik had in Nigeria gewoond en wilde geen doorsnee nieuwbouwhuis in een blanke enclave, waar iedereen achter zijn eigen voordeur zit. Ik heb de indeling wel wat veranderd. Het toilet zat bijvoorbeeld achterin de berging en niet in de hal, die toch groot genoeg was.” De tuin van haar witte erkerwoning eindigt in een brede pergola, waar de buren elkaar kunnen ontmoeten. “We hebben onderling veel contact. Van de ene buurvrouw leerde ik roti maken, van een ­andere een Iraans gerecht met gezouten vis.”

Ze roemt de saamhorigheid in Le Medi, waar mensen uit allerlei culturen wonen, precies zoals Hassani Idrissi voor ogen stond. Rottingswiel: “Het voelt als een dorp met een groot binnenplein, waar we met z’n allen de plantjes water geven, samen barbecueën en de kinderen met elkaar spelen”.

Saamhorigheid is ook het woord dat Laïla Safae Boutaïbi (33) gebruikt om het wonen in Le Medi te typeren. Met haar man kocht de lerares economie en zingeving op een middelbare school vier jaar geleden een poortwoning, grenzend aan het centrale binnenplein. De architect heeft het complex zo ontworpen dat mensen elkaar gemakkelijk ontmoeten en met elkaar mengen, vertelt ze. “De saamhorigheid draagt bij aan mijn gelukstoestand en zorgt ervoor dat ik ook gemakkelijker door de coronatijd heen kom. In deze omstandigheden is het dubbel zo fijn om hier te wonen. Er is altijd wel iemand om mee te praten, op anderhalve meter.”

Boutaïbi en haar man – allebei geboren in Nederland, hun ouders komen uit Marokko – hebben niet specifiek gezocht naar een woning in Marokkaanse stijl. “Onze woonwensen verschillen niet zo veel van die van mensen die hier al generaties wonen, maar aan sommige dingen hechten we wel, zoals een afgesloten keuken en voldoende privacy, dus geen huis waar je dwars doorheen kunt kijken. Belangrijk voor ons en onze families, die ook achter onze keuze moesten staan, is dat het huis ruim is met vier slaapkamers en een royale hal en dat kinderen veilig buiten kunnen spelen. De grote binnenplaats is voor Rotterdamse begrippen een enorme luxe. Nu we een dochter van 2,5 jaar hebben, zou ik ook geen andere keuze meer willen maken.”

Eveneens in 2008 verrees in deze Rotterdamse wijk een Turkse variant op Le Medi. Architect Nadia Jellouli-Guachati, van Marokkaanse komaf en in de onderzoeksfase ook betrokken bij Le Medi, maakte het ontwerp voor Biz Botuluyuz – Turks voor ‘wij uit Bospolder-Tussendijken’. Aanvankelijk was een Turkse architect aangetrokken voor dit woongebouw met 24 koophuizen, maar die haakte af. Aan de buitenkant oogt het sober vergeleken bij het kleurrijke Le Medi.

Een mediterrane bouwstijl mag niet ‘het sausje’ worden, vindt Jellouli-Guachati. “We zijn hier in Nederland. En het gaat mij in de eerste plaats om de woonkwaliteit.” Ze ging met de kopers om tafel om de plattegrond van hun woning te ‘ver-Turksen’: vierkante kamers, een gesloten keuken en de wc niet naast de keuken of woonkamer. Jellouli-Guachati: “Privacy wordt vaak anders beleefd in de Turkse en ­Marokkaanse cultuur. Je ontvangt je gasten niet in een ruimte waar ook wordt gekookt.” Het resulteerde in 13 verschillende plattegronden voor de 24 woningen. De oorspronkelijke kopers, 23 Turkse gezinnen en één Kaapverdiaanse familie, wonen er nog steeds met veel plezier, weet de architect.

Bij de opening van een Marokkaanse fontein stonden Marokkaanse mannen te huilen

Jellouli-Guachati vertelt dat ze aanvankelijk sceptisch reageerde toen de gemeente Rotterdam haar vroeg om mee te denken over ‘architectuur met een andere smaak’. “De redenering was toen: de komst van migranten zie je ­terug in winkels, in eten en muziek maar niet in stenen. Moet je je afkomst nou echt in stenen terugzien?, vroeg ik. “Ik woon hier in Nederland en wil niet in een hokje worden gestopt. Later ben ik wat anders gaan denken, toen ik hoorde dat er bij de opening van een Marokkaanse fontein op het Noordplein in Rotterdam Marokkaanse mannen hadden staan huilen. Ik had me afgevraagd of zo’n traditionele fontein wel in de publieke ruimte moest worden geplaatst en niet te kitscherig zou worden. Door die huilende mannen ben ik als architect beter de waarde en betekenis gaan inzien van herkenning van cultuur in publieke ruimtes.”

Le Medi in RotterdamBeeld Werry Crone

Over herkenning gesproken: een van de eerste dingen die Juliana opviel bij zijn terugkeer in Nederland was het ­nagenoeg ontbreken van gekleurde mensen in de architectuurwereld. “Bij het Nationaal Monumentencongres in 2017 was ik zelfs de enige. Dat verbaasde me. Als we nationaal erfgoed als de Amsterdamse grachtengordel willen behouden, zullen we toch ook de 55 procent van de Amsterdammers met een niet-Nederlandse of niet-westerse achtergrond moeten bereiken. Dat is de groep die we in de toekomst hard nodig hebben om de grachtengordel in stand te houden.”

Het gaat volgens hem ook om meer dan het realiseren van ‘leuke allochtonenprojecten’. “Met mijn onderzoek hoop ik de hele sector ervan te doordringen dat we moeten nadenken over hoe we kunnen zorgen dat iedereen zich thuis voelt in onze gebouwde ­omgeving.”

Misschien, oppert hij, moeten architecten te rade gaan bij supermarkten. “Die hebben moeiteloos hun assortiment aangepast en uitheemse producten in de schappen gelegd. De bakker in mijn buurt die alleen Nederlandse patisserie en brood bleef verkopen, heeft het niet gered. De bakker die een vitrine met Marokkaanse zoetigheid heeft neergezet naast de vitrine met Hollands gebak doet goede zaken. Ook commercieel kan het dus aantrekkelijk zijn om veranderingen door te voeren in de architectuur en stedenbouw.”

De gezelligheid en contacten hoeven niet altijd voor mij, maar dan ga ik binnen zitten

De vrolijke kleuren van Le Medi ­mogen Laïla Boutaïbi dan herinneren aan haar moederland, ze zijn niet be­palend voor haar woongenot. Belang­rijker vindt ze het dat mensen van allerlei culturen gemakkelijk kunnen mengen. Een keerzijde is er ook. “De gezelligheid en contacten hoeven niet altijd voor mij, maar dan ga ik binnen zitten.”

Karin Rollingswier herkent het. “Je kunt hier niet helemaal anoniem leven. Net als in een dorp horen groeten en sociaal-zijn erbij. Als je dat niet wilt, moet je hier niet gaan wonen.”

Jellouli-Guachati: “Uiteindelijk gaat het toch om kleine verschillen. Iedereen past in de Nederlandse woning. Waar ik me meer zorgen over maak, is het ontbreken van regie en visie op de woningmarkt. Er moet weer een ministerie van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting komen. De macht van kapitalistische partijen, met rendementsdenken voor de korte termijn, is te groot en gaat ten koste van de kwaliteit. Wat je bouwt moet voor de langere termijn zijn en dat kan ook zonder grote toeren uit te halen. Ik zie nu zo veel troep voorbij komen, veel te kleine appartementen, slaapkamers zo klein dat er geen kast in past, hoe kunnen we dat bouwen? Er is regie nodig, want bouwen is niet alleen een financiële, maar ook een culturele opgave.”

Voor makelaar Demirci is het heel simpel: “Als ik aannemer was, wist ik wel wat ik ging bouwen: huizen van oer-Hollandse donkerbruine baksteen met twee woonlagen, een plat dak en eventueel een gesloten keuken. Dat soort woonblokken vind je bijvoorbeeld veel in de Utrechtse wijk Kanalen­eiland. Met een prijs van rond de drie ton zijn ze nog relatief betaalbaar. Er is heel veel vraag naar onder mijn cliënten.”

Lees ook:

Moet de wederopbouwarchitectuur tegen de vlakte? 

Met schaarse middelen en in een rap tempo werd het verwoeste land na de oorlog opgebouwd. Het resultaat wordt nu vaak saai en sfeerloos gevonden. Architect Wessel De Jonge vindt dat de wederopbouwarchitectuur meer waardering verdient. ‘Het is de vastgoedvoorraad van de toekomst.’

Nieuwbouw die teruggaat naar de natuur

Ruim honderd gebouwen dingen mee naar de titel Beste gebouw van het jaar. Verwijzingen naar de natuur en organische vormen spelen een belangrijke rol.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden