Review

Vlees in de kuip

Een Engelse historicus, Japanse hofdames, Duitse ontdekkingsreizigers, het (liefdes)leven van Franse vrouwen, onhandige vrijpostigheden van middelbare scholieren, het nachtvrijen in Staphorst en het onverwerkt verdriet van de Indianen in Noord-Amerika: het zijn evenzovele ingrediënten van een beschouwing naar aanleiding van het boek 'Een intieme geschiedenis van de mensheid' van Theodore Zeldin.

Samuel de Lange

Het kwam als een verrassing toen mijn vader een kleine veertig jaar geleden midden in het katholieke gezin zei dat dat nachtvrijen van die Staphorsters nog zo gek niet was: zo wist je wat voor vlees je in de kuip had. Het was ten tijde van de geruchtmakende volksgerichten in dat plaatsje.

De opmerking werd genegeerd, en we gingen over tot de moralistische orde van de dag. Maar ik onthield deze zeldzame ontboezeming van mijn vader, en toen even later de jaren zestig uitbraken, zag ik mijn kans schoon. Onder de werktitel 'De autonome beweging' begon ik aan een film over de toenadering tussen man en vrouw. Al mijn vrienden en vriendinnen traden er in op. Maar het voornemen om verantwoorde pornografie te maken sneuvelde op jaloezie, en op de miskenning van mijn bedoelingen. De tientallen meters film met schuchtere handtastelijkheden tussen mijn schoolkameraden hebben nooit een publiek gevonden. Had ik geweten dat aan de andere kant van de oceaan de artsen Masters en Johnson met een eender wetenschappelijk voyeurisme in de weer waren, dan had ik de schroom van mijn acteurs wel overwonnen.

In het boek van Theodore Zeldin is de passage over 'kweesten' -non-genitale vrijage- onbedoeld de geestigste. De Engelse historicus heeft er dan al heel wat pagina's opzitten, op zoek naar oud materiaal om een nieuwe relatie voor man en vrouw van te fabriceren, en dan komt hij met het nachtvrijen aanzetten. In een tijd die ook al aan instant-bevrediging verslingerd was toen het Engelse origineel zes jaar geleden verscheen. De 'sekspol' (seksuele politiek) als oplossing voor het wereldleed heeft de jaren zestig dus overleefd.

De 'intieme geschiedenis' waarvan in de titel sprake is, is niet alleen die van de mensheid, maar bovenal van de menselijkheid (humanity staat er in het Engels). Díe moet uitgelicht en opgekrikt worden, en dat betekent sleutelen aan de huiselijke verhoudingen.

Moed kun je de schrijver niet ontzeggen, die veertig Françaises aan de tand voelde, en hun gevoelens over man en werk in verband weet te brengen met slavernij, ondernemerschap, reizen en koken en tientallen andere menselijke trekjes. Het boek is doortrokken van de idee dat de grote geschiedenis van belang is in zoverre hij het lot van de kleine mensen raakt, en die mensen maken dan weer de grote politiek. Het geluk in de kleine huishouding correspondeert dus met dat in de volkshuishouding. En het geheim van het geluk wordt door vrouwen bewaard.

Dat die vrouwen ook nog Frans zijn ligt niet aan de omstandigheid dat Frankrijk Zeldins woonplaats en onderzoeksterrein is, nee, de Fransen hebben in de geschiedenis als geen ander hun persoonlijk bestaan tot onderwerp van studie en kunst gemaakt, meent hij.

Het betekent wel dat Zeldin zich door een rijstebrijberg van ongeluk moet vreten, want de hoop ligt diep verborgen. De eerste vrouw die hij aan de tand voelt is meteen al een zure huishoudster, die de mislukkingen in haar leven aan de buitenlanders toeschrijft. Elk van de vijfentwintig hoofdstukken begint met het levensverhaal van een of twee vrouwen, een enkeling zoals die eerste uit de arbeidersklasse, maar de meesten toch dames uit de burgerstand, en geplaagd door dienovereenkomstige problemen.

Zeldin demonstreert vervolgens aan de hand van voorbeelden uit het verleden dat die gekwetstheid en onzekerheid, die angsten en eenzaamheid ooit door anderen in andere tijden en andere landen werden gedeeld, en soms vermeldt hij de remedies die Japanse hofdames of Duitse ontdekkingsreizigers voor dergelijke ongemakken verzonnen: 'Je hebt voorvaderen over de hele wereld'. Een sleutelwoord in deze historische therapie is het begrip 'conversatie'. (Zeldin heeft zich later geheel toegelegd op 'Conversatie - hoe gesprekken je leven kunnen veranderen' (1998)). De vooronderstelling bij dat alles is dat een goed gesprek barrières tussen seksen, klassen en culturen slecht, en dat de mensen veel van elkaar kunnen leren. Vanzelfsprekend is in die diagnose nieuwsgierigheid een groot voordeel. De spannende levens van galeriehoudsters en restaurateurs dienen ter illustratie. Men vraagt zich wel af hoe de xenofobe huishoudster van die deugd overtuigd moet worden.

Zeldins boek is meer dan een vademecum voor moeilijke tijden, meer dan een aanbeveling aan mensen om hun dagelijks leven zelf ter hand te nemen. De aard van huwelijken en vriendschappen, het begrip dat mannen en vrouwen elkaar gunnen of niet, intimiteiten dus hebben beschavingen gekleurd. Er is een belangrijke school in de psychoanalyse, het best vertegenwoordigd door Erik Erikson met zijn 'Het kind en de samenleving' (1963), die de intieme relaties en ervaringen van doorslaggevend belang acht voor het karakter van beschavingen.

Die veronderstelde relatie heeft veel volksopvoeders een handvat gegeven. Als Zeldin zich over de Noord-Amerikaanse Indianen laat ontvallen dat 'oorlogen de prijs van hun onverwerkt verdriet waren', dan is dat een stenogram van zo'n verband. 'Tolerantie is er niet in geslaagd algemeen tot de verbeelding te spreken, omdat het geen hartstocht is', is er ook zo een. Van die boude conclusies moet de lezer het hebben want, overeenkomstig de stroom waarop de conversatie voortkabbelt, is er weinig kop en staart aan Zeldins redeneringen te onderscheiden. Maar soms is de afleiding van micro- uit macroverband lachwekkend, zoals wanneer hij concludeert: 'Hitler en Stalin bleven wanhopig verlangen naar respect'.

Vaak slaat Zeldin een poëtische toon aan die men ook wel kent uit de werken van de Amerikaanse sociologe Lilian Rubin, met wie Zeldin ook de journalistieke werkwijze, en zelfs zijn onderwerp, gemeen heeft. (Vergelijk 'Intieme vreemden', 1983.) Ook Rubin had kunnen zeggen dat 'telkens wanneer een baby wordt geboren, er een nieuwe vuurtoren verschijnt die nieuwsgierigheid uitstraalt, en de wereld weer interessant lijkt te zijn'.

In de wereld van vóór de Val van de Muur, toen de politiek de kennis van goed en kwaad dicteerde, had dat soort persoonlijke mystiek een bevrijdende werking op de geharnaste burgers. Maar in een tijd van algemene liberalisatie, nu zelfbeheersing een schaars goed is, de persoonlijke normen maatgevend noemen, wekt op zijn minst misverstanden.

Zeldin verkondigt geen ontremming, maar in zijn opvatting van mens en samenleving is weinig plaats voor regelgeving en toezicht. Hij laat zich niet uit over de noodzaak het wantrouwen in mensen te organiseren, bijvoorbeeld in wetten, leger en politie. In geen van zijn gespreksgenoten ontwaart de schrijver ook maar enig kwaad. Meestal ontwikkelen nieuwsgierigheid en 'autonome beweging' zich tot niets ergers dan vrolijk gevrij en onschuldige ruzie. Voor een collectie miniaturen van de menselijke conditie, met goede raad voor herstel en onderhoud, ben je bij Zeldin aan het goede adres. Maar de ontketening van het driftleven die het einde van de Koude Oorlog met zich meebracht, heeft noden en kwaden in de wereld gebracht die zich niet met een betere verstandhouding tussen man en vrouw laten bezweren. Opgepoetste waarden als nieuwsgierigheid en conversatie vermogen weinig tegen de losgeslagen krachten die zich ook in het hart van de beschaving verzamelen. De it-maatschappij draagt immers in zijn netwerken de kiemen van uitbuiting en wreedheid met zich mee. Sadisme is het andere gezicht van intimiteit.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden