Review

Vioolconcert is wellustiger dan opera

Anthony Fiumara

Koninklijk Concertgebouworkest olv Stefan Asbury en Brett Dean, met Frank Peter Zimmermann (viool) op 9/3 in Concertgebouw, Amsterdam. Uitzending Radio 4: zo 6/5 om 14.15 uur. De Munt olv Jonas Alber met ’Frühlings Erwachen’ van Benoît Mernier in een regie van Vincent Boussard op 11/3 in Brussel. Herhaling: 13, 15, 18, 20, 22, 24/3.

Wellustig. Als er één woord is waarmee je het vioolconcert ’The Lost Art of Letter Writing’ van Australiër Brett Dean zou moeten benoemen, dan is het dat wel. De componist dirigeerde vrijdagavond zelf het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) en violist Frank Peter Zimmermann, aan wie hij zijn nieuwe werk opdroeg.

Oorspronkelijk zou dirigent Martyn Brabbins zijn debuut maken bij het KCO, maar die moest zich ter elfder ure terugtrekken. Ongelofelijk dat Stefan Asbury bereid was het hele programma met louter hedendaagse muziek over te nemen. Behalve het stuk van Dean dus, dat de componist zelf mocht leiden.

’The Lost Art of Letter Writing’ is het tweede werk van Dean dat het KCO in première bracht, na ’Parteitag’ in het Holland Festival van 2005. Als leidraad bij zijn vioolconcert nam hij niet alleen gepassioneerde brieven uit het laat-negentiende-eeuwse Wenen, maar liet hij ook stijlcitaten uit de romantische muziek doorschemeren.

Dat leverde een even eclectische als gulzige muziek op, waarin Dean van het ene orkestrale effect naar het andere leek te rennen; en van Brahms via Wagner naar Mahler. In de verbrokkelde vorm viel je van de ene klankvondst in de andere. Waarbij je dan soms wenste dat Dean eens stil bleef staan en de diepte in ging.

Onder hedendaagse-muziekspecialist Stefan Asbury klonken met name Charles Ives’ klassieker ’Three Places in New England’ en het bijou ’..but all shall be well’ van Thomas Adès adembenemend mooi. Asbury was strak waar het moest, durfde het orkest nu eens kleurig te laten dromen en dan weer lekker te laten tetteren.

Voor Deans rusteloze en schaamteloos lekker georkestreerde pastiche kreeg je met terugwerkende kracht meer en meer waardering na de opera ’Frühlings Erwachen’ van de Belgische componist Benoît Mernier, waarmee het festival Ars Musica dezer dagen opent in de Munt in Brussel. Ook Mernier nam de emotiezwangere romantiek als uitgangspunt in zijn opera naar Wedekind, die hij opdroeg aan zijn leraar Philippe Boesmans.

Het verhaal over de ontluikende seksualiteit bij een stel pubers heeft bij Wedekind de koortsigheid (en humor) die je bij zo’n onderwerp verwacht.

Maar in plaats van rusteloos, geil of humoristisch maakte Mernier een wat brave voorstelling. De benauwende koortsdroomdecors van Vincent Lemaire waren prachtig, de regie van Vincent Boussard passend toneelachtig, de jonge zangeres Ilse Eerens zong haar rol van de puberende Wendla met verve.

Maar Eerens kreeg van Mernier verdomde weinig materiaal om zich in uit te leven, net zoals het orkest keer op keer maar wat voor zich heen meanderde in een vreemde, veel te dunne instrumentatie zonder echte climaxen. Hinderlijk was ook dat de vaart er steeds werd uitgehaald door de vele decorwisselingen zonder tussenmuziek. Die tableau-achtige opzet deed denken aan ’Wozzeck’ van Alban Berg, op wiens atonale idioom Mernier zich duidelijk baseerde. Maar je kreeg het gevoel dat hij tweeënhalf uur lang vooral tijd aan het rekken was.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden