Vijftig jaar de 'Fabeltjeskrant': Hoede gebroeders Bever het programma tot een succes maakten

Beeld 2018, De Fabeltjeskrant®© De Levita Productions & Rubinstein Pictures Licensed by Rubinstein, Amsterdam

‘De Fabeltjeskrant’ bestaat vijftig jaar. Dat wordt gevierd met een tentoonstelling en jubileumboek. Waarom werd dit programma van Hollandse bodem zo’n succes?

Dag lieve kijkbuiskinderen’, ‘oogjes dicht en snaveltjes toe’. De gevleugelde woorden van meneer de Uil klonken op de kop af vijftig jaar geleden voor het eerst op de Nederlandse televisie. Op 29 september 1968 verscheen de allereerste uitzending van ‘De Fabeltjeskrant’. Kinderen raakten snel in de ban van de dieren met hun grappige stemmetjes. De vilten poppen kwamen heel levensecht en aanraakbaar over, alsof je ze zo uit het toestel kon trekken.

Mediajournalist Patrick Bremmers, zelf net vijftig geworden, noemt 'De ­Fabeltjeskrant' zijn ‘jeugdliefde’. Als peuter tekende hij al overal meneer de Uil op, en dit weekend presenteerde hij in Hilversum zijn boek ‘Hallo, Meneer de Uil’, over de geschiedenis en het succes van het programma. Tegelijk opent in de Rotterdamse evenementenhal Las Palmas 2 een tentoonstelling waarop de fabeldieren in het echt zijn te bewonderen.

De eregalerij bevat types als de bemoeizuchtige juffrouw Ooievaar met haar grote rode klep, de brildragende poetsvrouw Truus de Mier met haar ‘tuut-tuut-tuut-tuut’, en de ongeduldige ADHD’er Zoef de Haas.

Het programma dankte zijn populariteit vooral aan het schrijftalent van Leen Valkenier (1924-1996), meent Bremmers. “Anders dan gebruikelijk ging de schrijver niet voor de kinderen op zijn knieën zitten. Hij behandelde ze voor het eerst als kleine volwassenen.” Valkenier gebruikte bijvoorbeeld geen laagdrempelige taal, maar hij goot de avonturen in archaïsche, gezwollen zinnen. Dat gaf een geestig effect, wat nog werd versterkt door de vele woordgrappen en dubbele bodems.

Duistere onderstroom

Zo’n gelaagdheid zie je ook bij de personages, gaat Bremmers verder. “Ome Gerrit de postduif leed aan depressies en Bor de Wolf vluchtte steeds het Enge Bos in als hij last had van stemmingswisselingen.” Als kind snapte Bremmers natuurlijk weinig van die duistere onderstroom, maar wat gaf dat? Hij genoot van het geruzie en ­gekonkel in het bos, en hij kon pas echt gaan slapen als meneer de Uil hem zijn knipoog had gegeven. De dagelijkse herhaling, met elke avond om tien voor zeven een ­aflevering van vijf minuten, droeg flink bij aan het succes.

Valkenier creëerde­­ nog extra inhoudelijke diepte doordat hij vaak speels ­verwees naar actualiteiten uit de echte wereld. Hij knipoogde naar de samenleving. Zo oreerde ome Gerrit er ­begripvol op los over ‘emanseplatie’, in een periode waarin vrouwen hun rechten opeisten. De omstreden volkstelling uit 1971, die zorgen opriep over de privacy, kreeg een fabeltjespendant in de ‘grote dierentelling’. En het songfestival van Edinburgh uit 1972 werd gespiegeld in een zangwedstrijd voor dieren. De lieve kijkertjes mochten stemmen, waarop er in Hilversum prompt een berg van 140.000 briefkaarten binnenkwam.

Beeld 2018, De Fabeltjeskrant®© De Levita Productions & Rubinstein Pictures Licensed by Rubinstein, Amsterdam

De maatschappelijke parallellen en de subtiele ironie maakten het programma ook leuk voor volwassenen. Dat verklaart ongetwijfeld waarom 'De Fabeltjeskrant', met een paar tussenpozen, tot in 1992 op de buis bleef – 1612 afleveringen lang. Het programma brak ook door in ruim veertig andere landen, waaronder Zweden, Marokko, Nicaragua en Japan. Zo werd het ­commercieel een onverwacht succes, getuige ook de historische merchandising op de tentoonstelling: mokken, puzzels, handdoeken, sleutelhangers, spaarpotten, tuinstoelen…

Fabels

Het programma is van oorsprong geënt op het werk van Jean de la Fontaine (1621-1695). De beroemde Franse schrijver berijmde klassieke fabels als ‘De raaf en de vos’ en ‘De krekel en de mier’ voor het zoontje van de Franse koning Lodewijk XIV. De Nederlandse televisieproducent Thijs Chanowski wilde deze fabels in de jaren zestig ­bewerken tot een kindertelevisiestrip. Hij benaderde tekstschrijver Valkenier, en die bedacht toen de dagelijkse formule van 'de Fabeltjeskrant'. Als vaders elke avond achter hun krant kropen, dan mochten kinderen dat ook.

Het begin verliep moeizaam. In hun eerste afleveringen bleven Chanowski en Valkenier dicht op de oorspronkelijke fabels, met dialoogjes tussen hooguit twee of drie dieren. Aan het slot volgde steevast een stevige moraal, waarbij meneer de Uil de andere dieren soms hooghartig uitlachte. “Dat moralistische toontje ging irriteren”, zegt Bremmers. “De makers merkten het zelf ook. Daarom gooiden ze de formule om: het werd milder en er kwam meer variatie in, met extra ­personages en verhaal.”

Burgemeester Ahmed Aboutaleb met meneer de uil van de Fabeltjeskrant tijdens de opening van de tentoonstelling Een reis door 50 jaar Fabeltjeskrant. Beeld ANP

Een gouden greep was de introductie van de gebroeders Bever, twee gortdroge bouwvakkers met een Rotterdams accent. Zodra zij begin 1969 ten tonele verschenen, ‘schoten de kijkcijfers omhoog’, aldus tentoonstellingsmaker Theo Braams. “Het geheim van de Bevers was hun directheid, hun nuchtere, anti-autoritaire mentaliteit van ‘zit niet zo te zeiken’ en ‘niet lullen maar poetsen’.”

De Bevers drukten van meet af aan een stempel op hun omgeving. Met hun stoommachines haalden ze het hele bos overhoop. Ze stampen een postkantoor uit de grond, zetten het Praathuis-café neer en bouwden een paar jaar later ‘Piets Smikkelpaleis’, naar het voorbeeld van McDonald’s, dat in 1971 zijn eerste Nederlandse­­ vestiging had geopend. Er barstte vervolgens een strijd los tussen het oude Praathuis en het nieuwe Smikkelpaleis, wat op poppenniveau weergaf hoe fel Nederlandse snackbarhouders gekant waren tegen de Amerikaanse indringer.

Immigranten

In de jaren tachtig kreeg het Dierenbos ook te maken met immigranten uit het Buitenbos en het Derde Dierenbos, onder wie Zaza Zebra, haar verre neef Chico Lama en Mister Maraboe. Dit tot ongenoegen van Woefdram, een mol-achtig dier met een Centrum-Democratische inborst. Zo stuwde Valkenier de parodie, van oudsher de kracht van fabels, tot grote hoogte op.

De schrijver kwam van oorsprong uit de Rotterdamse wijk Vreewijk. Daar maakte hij tijdens de Tweede Wereldoorlog theatervoorstellingen met vrienden en vriendinnen die later model stonden voor diverse dieren, blijkt op de tentoonstelling. Zelf zou de schrijver zich het meest verwant hebben gevoeld met Bor de Wolf. Bij Truus de Mier had hij zijn eigen moeder in gedachten.

Elsje Scherjon (de stem Juffrouw Ooievaar) tijdens de opening van de tentoonstelling Een reis door 50 jaar Fabeltjeskrant. Beeld ANP

Kinderpostzegels

Vanwege het jubileum staan ook de kinderpostzegels – deze week te koop – dit jaar in het teken van 'De Fabeltjeskrant'. Rond Kerst verschijnt bovendien een bioscoopfilm van 'de Fabeltjeskrant', en in 2019 komt er een gloednieuwe 52-delige reeks op tv, geproduceerd door Rubinstein Media en volledig geanimeerd in 3D. Bremmers heeft al wat fragmenten gezien en vertrouwt erop dat het opnieuw zal aanslaan. “Meneer de Uil ziet er alvast heel geslaagd uit. Je mist natuurlijk het talent van Leen Valkenier, maar de universele personages zijn sterk ­genoeg. Die blijven tot de verbeelding spreken.”

De expositie ‘Fabeltjesland, een reis door 50 jaar Fabeltjeskrant’ loopt t/m 2 december.  Meer informatie: fabeltjesland.nl

Patrick Bremmers, ‘Hallo, Meneer de Uil’, Uitgeverij Rubinstein, 131 blz., € 22,99. 

Lees ook:

Ook de nieuwe Fabeltjeskrant moet het ouderwetse gevoel uitstralen

Het was een van de succesvolste tv-programma's ooit. Nu komt de Fabeltjeskrant terug, voor de derde keer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden