Review

Vier wroeters in de krochten

Nietzsche en verschillende filosofen na hem, hebben de grondslagen van onze beschaving krachtig onder vuur genomen. De mens bleek door heel andere dingen gedreven dan hang naar waarheid en rede. Is dat een reden om de waarheid en rede als fundament onder ons denken op te geven? Nee, vindt Ger Groot, die een proefschrift schreef over 'ongemakkelijke filosofen'.

Een bad in de journalistiek kan voor een wetenschapper verkwikkend en waardevol zijn. Hij leert afstand nemen van zijn vakjargon, doordat hij een breder publiek dan dat van zijn collega's moet aanspreken. Wat voor elke wetenschapper geldt, is des te meer waar voor de filosoof.

Filosofen hebben vaak de pretentie over de nauwe vakgrenzen heen te kunnen kijken en zo als een publieke intellectueel te functioneren. Maar in de praktijk lukt dat alleen als hij breekt met de vaktaal die ook in de wijsbegeerte steeds meer de overhand krijgt. Schrijven voor de krant kan hierbij helpen.

Een van de filosofen die erin slagen op overtuigende wijze zelfs duistere teksten toegankelijk te maken is Ger Groot. Deze aan de Erasmus Universiteit verbonden filosoof werkte als journalist ooit bij Letter en Geest (Trouw). Tegenwoordig schrijft hij regelmatig voor De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad.

Hoe goed iemands wetenschappelijke reputatie ook mag zijn, op de huidige universiteit is voor een docent een proefschrift een vereiste. Afgelopen april promoveerde Groot dan ook aan de Erasmus Universiteit op het proefschrift 'Vier ongemakkelijke denkers'. De eerste van het viertal is Friedrich Nietzsche. De andere drie zijn Cioran, Bataille en Derrida, die binnen de Franse filosofische en literaire setting op het werk van Nietzsche hebben voortgebouwd.

De promotie was een ware filosofische gebeurtenis. De discussie tussen promovendus en de commissie was van een uitzonderlijk hoog niveau. Ongehinderd door beleefdheidsfrasen en plichtplegingen die een promovendus vaak op zijn gemak moeten stellen, werd hier op het scherp van de snede gedebatteerd.

Ook het proefschrift zelf mag als een filosofische gebeurtenis van de hoogste orde worden gekwalificeerd. Het eerste deel over Nietzsche en diens relatie met Frankrijk is helder en informatief. Deel twee bevat een van de eerste grotere beschouwingen over het werk van Cioran, dat in ons land nog nauwelijks becommentarieerd is. Voor Bataille is dat minder het geval, maar Groot weet deze gesjeesde priesterstudent, die God voor de seksualiteit inruilde, overtuigend maar kritisch te situeren.

Derrida, de meest duistere van het viertal, werd in het verleden al met vertalingen en commentaren in ons land geïntroduceerd, niet in het minst dankzij Groot. In dit boek gaat hij vooral stevig met hem in discussie, hoewel het eerste hoofdstuk over schrift en stem Derrida's positie helder inleidt.

Waarom zijn ze alle vier 'ongemakkelijk' zoals de ondertitel van het boek wil? Elk van hen wijst op zaken die eigenlijk niet wijsgerig overdacht kunnen worden, kwesties waar het traditionele filosofische denken op stuk loopt. Waarheid, redelijkheid, helderheid zijn vanouds kenmerken van de wijsgerige traditie. Beginnend met Nietzsche kijken denkers echter met steeds meer argwaan naar dit soort karakteristieken. Volgens Nietzsche zijn ze gebouwd op grondslagen die we graag verdringen en vergeten.

Geweld, een eindeloze strijd van krachten, de duistere kanten van de seksualiteit gaan verborgen achter de humanistische Europese cultuur die mede op de klassieke filosofie is gebaseerd. We willen niet graag aan dit soort grondslagen worden herinnerd, voelen ons er ongemakkelijk bij. In het voetspoor van Nietzsche verkennen de genoemde filosofen echter juist deze verborgen krochten van onze cultuur en van onszelf.

Dat voelt niet alleen ongemakkelijk aan, het leest ook ongemakkelijk. Want de taal om aan deze nachtzijde van het leven uitdrukking te geven, ligt niet klaar. Ze moet in een moeizaam gevecht met ervaringen die nauwelijks uitgedrukt kunnen worden, op (semi-)literaire wijze tastenderwijs worden veroverd. Desondanks loopt het denken dat tot helderheid wil komen, voortdurend stuk op de weerbarstigheid van het buitengeslotene dat het niet kan integreren.

Ger Groot is duidelijk gefascineerd door het ongemak dat deze vier denkers onze beschaving aandoen. Uiteindelijk neemt hij er, vooral in zijn laatste beschouwing, toch grotendeels afstand van. Dankzij hun inzichten zijn we ons ongetwijfeld bewust geworden van het precaire en wankele evenwicht 'van redelijkheid, rechtvaardigheid, prudentie en matiging, dat de Europese cultuur tracht te zijn'. Maar Groot weigert om samen met de door hem behandelde denkers een frontale aanval op dit wankele bouwwerk in te zetten. Dit lijkt me een honorabele en goed verdedigbare positie, hoezeer zij ook tijdens de promotie onder vuur lag. Zowel voor een persoon als een cultuur geldt dat wie zijn duistere kanten onderkent er misschien ook het beste mee kan omgaan, om er uiteindelijk misschien zoveel mogelijk afstand van te nemen.

Groots fascinatie heeft een rijk boek opgeleverd. Ik haast mij om hieraan toe te voegen dat deze kwalificatie vooral voor mede-filosofen geldt. Groot schrijft in deze tekst vooral voor hen, hij wil met hen in discussie. Zo hoort dat ook in een proefschrift. Voor een breder publiek blijft zijn tekst vooral in taal en stijl helaas 'ongemakkelijk'. Voor hen is het daarom te hopen dat na deze verplichte academische exercitie er bij Groot weer ruimte ontstaat om een bredere groep van meer filosofisch geïnteresseerde lezers aan te spreken, zoals hij dat op ongeëvenaarde wijze kan doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden