Review

Vier jaar in het hoofd van Cervantes

In 1997 vertaalde Barber van de Pol de Don Quichot. Daarmee was ze niet aan haar proefstuk toe: voordien maakte ze veelgeprezen vertalingen van Spaanse en vooral Latijns-Amerikaanse auteurs als Quevedo, Borges, Cortázar, García Márquez en Neruda. In 1975 kreeg ze dan ook de Martinus Nijhoffprijs, de hoogste onderscheiding voor een vertaler in het Nederlandse taalgebied. Voorts schreef ze de bundel verhalen en beschouwingen 'Alles in de wind' en de roman 'Er was wat met Meneer Maker & Mevrouw Maker', en is ze actief als literair criticus.

ILSE LOGIE ; TEKENING GUSTAVE DORÿ

De Don Quichot vertalen is natuurlijk een hele onderneming. Zelf heeft ze het in haar pas verschenen essaybundel 'Cervantes & Co' over haar waanzinnigste zelfmoordproject. Want hoe laat je een klassiek geworden roman uit de zeventiende eeuw hedendaags en fris klinken zonder afbreuk te doen aan de oudheid ervan? Hoe hou je de illusie in stand dat een boek tegelijk van toen en van nu is?

Het is een van de paradoxen van het vertalen dat je de erfenis van zo'n klassieker tegelijk moet erkennen en negeren. Wie zich door het gewicht van de 'eerste moderne roman' laat verpletteren komt nergens toe, terwijl een te grote dosis onbevangenheid dan weer blunders oplevert. Het spreekt immers vanzelf dat de creativiteit waar Van de Pol aldoor op hamert, nooit in de plaats komt van het vakmanschap van een vertaler die veel meer moet beheersen dan bron- en doeltaal.

De bundel bevat een tiental stukken die eerder in tijdschriften zijn verschenen, waardoor soms hinderlijke overlappingen optreden. In een aantal ervan laat Van de Pol de lezer over haar schouder meekijken naar het boeiende proces dat aan het eindresultaat vooraf is gegaan. Ze belicht enkele concrete vertaalmoeilijkheden zoals de naam van de dolende ridder, Sancho Panza's voorliefde voor spreekwoorden, en de eerste zin waar ze na veel wikken en wegen een nieuwe interpretatie aan heeft gegeven. Ze legt ook uit hoe ze te werk gaat, maar vooral onderstreept ze het belang van de interpretatie van een werk: eerst dient namelijk te worden uitgemaakt welk soort boek Cervantes' Quichot is, voor er überhaupt kan worden vertaald.

In tegenstelling tot haar voorgangers Werumeus Buning en Van Dam beschouwt Van de Pol de Quichot niet hoofdzakelijk als een ridderroman die wilde afrekenen met alle vorige ridderromans, maar wel als een spannend boek dat geestiger en scherper is dan tot nu toe in het Nederlands tot uiting kwam. Als Cervantes geen mooischrijver was, moeten exotica en archaïseringen, die bij vorige vertalingen te veel uit de verf kwamen, worden geweerd. Aangezien Van de Pol de Quichot eerder bij de fantastische literatuur indeelt dan bij de realistische, springt ze anders met het begrip tijd en met de zinsbouw om dan haar voorgangers; ze hanteert meer elliptische constructies en inversies, meer nevenschikking, een nerveuzer ritme. Het spreekt vanzelf dat de vertaler zich bij dit alles niet enkel door de tekst laat leiden, maar ook door factoren als het eigen temperament en de (in dit geval snelle en lineaire) geest van de eigen tijd.

Aldoor stond Van de Pol de vraag voor ogen hoe Cervantes zou hebben geschreven als hij anno 2000 had geleefd. Vier jaar lang woonde ze in zijn hoofd, vandaar trouwens de titel van de bundel: zij was zijn 'co'. Ze vertelt hoe ze naar La Mancha reist, de streek die nog steeds in de (toeristische) ban is van de ingebeelde ridder en zijn schildknaap.

En dit brengt ons bij een andere paradox van de vertaler, die veel gemeen heeft met de door Diderot geformuleerde 'paradoxe du comédien' of met het dilemma van een uitvoerend musicus: hij moet in de huid van anderen kruipen -liefst auteurs waar hij affiniteit mee heeft- en tegelijk zichzelf blijven. Van de Pol heeft met dat balanceren op het slappe koord leren leven. Ze weet dat het maken van niet geheel bevredigende keuzes daarbij hoort. Het is een van haar verdiensten dat ze zonder complexen over vertalen schrijft, zonder te vervallen in de nog steeds gebruikelijke jeremiades over 'verraad' of 'onmogelijkheid'. Voor een gemeenschap is het belangrijk dat vreemd cultuurgoed adequaat wordt overgebracht, en daarbij moeten nu eenmaal knopen worden doorgehakt.

Van de Pols voorbeeld van de Quichot illustreert hoe problematisch de eerste premisse van het vertalen, die neerkomt op het in alle opzichten recht doen aan de oorspronkelijke tekst, al is. Het biedt haar de kans om de romantische misvatting uit de weg te ruimen als zou er zoiets als een absoluut goede vertaling bestaan, laat staan een 'letterlijke', wat niet wil zeggen dat vertalingen inwisselbaar zijn. In dit opzicht verschilt een vertaling trouwens niet wezenlijk van een oorspronkelijke tekst, die evenmin ooit definitief vastligt.

Zoals Jorge Luis Borges in zijn beroemde verhaal 'Pierre Menard, schrijver van de Quichot' heeft aangetoond, leest iedere generatie de Quichot op een andere manier. Zo komen in ons referentiekader allang geen 'zeeschuimers' of 'struikrovers' meer voor, verschilt ons gevoel voor humor van dat uit de zeventiende eeuw en hebben de woorden andere connotaties. Dat alles neemt niet weg dat we van het boek genieten. Daarom moeten er in een volwassen cultuur diverse vertalingen van belangrijke werken voorhanden zijn, zoals er meerdere uitvoeringen van een partituur bestaan. Met 'Cervantes & Co' heeft Van de Pol een concrete en stimulerende bijdrage geleverd aan het vertaaldebat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden