Review

Verzen maken op bestelling

Poëzie en popmuziek gaan steeds meer op elkaar lijken. De Duitse dichter Lasse Samstrom tijdens een 'poetryslam' op het Rotterdamse Poetry International festival van 2004.

Komende donderdag is het, voor de zesde keer, Gedichtendag: in het hele land wordt hardop aan poëzie gedaan. Dat tekent de Nederlandse dichtkunst van vandaag, vindt Rob Schouten. Onze dichters, ooit verlegen dromers, zijn veranderd in hippe podiumtijgers - en handige ondernemers. Hoe is dat zo gekomen? En is het erg?

Vroeger kwam je het jaar door met een heiligenkalender of een stichtelijke tekst voor iedere dag, maar ook in onze geseculariseerde wereld heerst nog de orde van een calendarium. Zo is het soms ineens Wereld-Aids dag, of vieren we de Internationale Dag van de Vrouw, en zelfs bestaat er zoiets als Secretaressendag. Een van de dagen die we in Nederland en Vlaanderen hebben te onderhouden is Gedichtendag, aanstaande donderdag, 27 januari.

Het is een betrekkelijk jong fenomeen, gemodelleeerd naar een al wat ouder instituut in Engeland, The National Poetry Day.

Dit jaar hebben we de zesde editie maar in de korte periode van zijn bestaan is Gedichtendag al uitgegroeid tot een heuse happening, een landelijk poëziefeest met op alle mogelijke plaatsen, in bibliotheken, scholen en theaters, manifestaties rond de dichtkunst. Het is een dag waarop heel poëzieminnend en -schrijvend Nederland de straat opgaat, voorleest, bloemlezingen publiceert, en poëzieprijzen vergeeft. Menig dichter streeft er dan ook naar zijn bundel juist rond Gedichtendag te doen verschijnen.

Een dag met een thema ook. Vorig jaar bijvoorbeeld was dat het eerbiedwaardige maar ietwat vergeten 'heldendicht', dit jaar is het de verkiezing van de Dichter des Vaderlands, want die positie is na de abdicatie van Gerrit Komrij en het afscheid van interim-Dichter des Vaderlands Simon Vinkenoog vacant geraakt.

Gedichtendag is een dag waarop zelfs menig leek even bij de dichtkunst stilstaat, waarop raadsvergaderingen met een versje worden geopend en allicht de voorzitter van de Tweede Kamer in zijn verzameling bloemlezingen grijpt. Maar het is ook een goede gelegenheid om eens te kijken hoe de dichtkunst erbij staat en wat er over al die dichters, die bij elkaar de Nederlandstalige poëzie uitmaken, te zeggen valt.

De instelling van zo'n instituut als Gedichtendag zelf is al karakteristiek voor de huidige poëzie. Dat had je vroeger niet, zo'n nationale dag van poëtische belangstelling. Poëzie was iets intiems, dat zich nogal bezijden de maatschappelijke werkelijkheid afspeelde, een 'tijdverdrijf voor

enk'le fijne luiden' zoals Du Perron het spottend noemde. Een paar enkelingen schreven en publiceerden het, er verschenen recensies over in de kranten, kenners prakkiseerden erover in essays, maar dat was het dan ook wel. Tegenwoordig stuurt de minister-president bij wijze van kerstgroet een eigenmondig ingesproken gedicht (van nota bene een ouwe knar als Anton van Duinkerken) naar de troepen in Irak, en krijgt de kroonprins ter gelegenheid van zijn huwelijk een bundeltje met exclusieve trouwgedichten aangeboden door de gemeente Amsterdam. In Rotterdam rijden vuilniswagens met dichtregels op de zijkant rond.

Wat is er veranderd? Wat heeft tot deze wonderbare herrijzenis van de poëzie als publieke kunst geleid? En wat betekent het voor de dichtkunst zelf en voor haar beoefenaars?

In 1954 liep het nog fout af met een publieke vertoning van de dichtkunst, toen Lucebert verkleed als Keizer der Vijftigers zijn poëzieprijs van de stad Amsterdam in ontvangst wilde nemen en daarbij met aanhang en al hardhandig het Stedelijk Museum uit werd gezet. Maar een kwarteeuw later raakte de openbare poëziemanifestatie al aardig ingeburgerd. Poetry International (de initiatiefneemster van Gedichtendag overigens) stak begin jaren zeventig in Rotterdam de kop op en werd een van de belangrijkste poëziefestivals in de wereld, in Utrecht kregen we de jaarlijkse Nacht van de Poëzie, in het Vlaamse Watou werden zelfs hele Poëziezomers georganiseerd, in Den Haag ontstond het verschijnsel Dichter aan Huis. De dichtkunst ging de boer op en dichters leerden wat een podium was.

Dat de poëzie onder invloed van al die openbaarheid ook spontaan meeveranderde, kun je niet beweren; het bleef aanvankelijk een ietwat plechtstatige, ingetogen bedoening voor liefhebbers. Maar ook daaraan kwam halverwege de jaren tachtig een einde met het optreden van de Maximalen, luidruchtige jonge dichters en andersoortige kunstenaars, die de dichtkunst zelf en haar manifestaties op de kop zetten. Je kunt over de Maximalen veel lelijks zeggen, bijvoorbeeld dat de kwaliteit van hun gedichten niet conform hun geschreeuw was, maar het staat mijns inziens vast dat hun verschijning het poëtisch klimaat in Nederland grondig veranderd heeft, de jeu en de luidruchtigheid waarmee ze hun optredens kruidden zijn sindsdien niet meer weg te denken uit de Nederlandse poëzie.

Van kunst voor op het nachtkastje is de dichtkunst in de laatste twintig jaar uitgegroeid tot een volwaardige podiumkunst en de verlegen dromers in slobbertruien die vroeger het beeld van de dichter bepaalden, zijn inmiddels opgevolgd door hippe jongelingen, die als microfoontijgers hun publiek bespelen. Natuurlijk, het beeld van de hedendaagse dichter kent ook z'n uitzonderingen en dissidenten. Er zijn heus nog heel wat traditionele dichters met moeizame boodschappen, maar ze bepalen niet langer het vooraanzicht van de dichtkunst.

Niet alleen zijn er, aangetrokken door het succes van de grote poëziefestivals uit de jaren zeventig, door het hele land talloze kleinere festivals en manifestaties ontstaan waar dichters optreden, maar die optredens zelf zijn ook grondig veranderd. Zo kennen we inmiddels de populaire poetryslams, swingende poëziewedstrijden waarbij iedereen die durft het podium op mag en een paar minuten de kans krijgt om zijn kunsten te vertonen, al dan niet begeleid door bijpassende muziek. Ook het eerbiedwaardige Poetry International organiseert intussen zulke slams. Vroeger zette je je eerste poëziepasjes in een net tijdschrift, tegenwoordig lijkt de slam een betere opstapplaats.

Ook de markt voor gearriveerde dichters zit heel anders in elkaar dan vroeger. Naast al die nieuwe festivalletjes ontstonden nieuwe gelegenheden voor dichters om van zich te laten horen en vooral ook om geld op te strijken. Een multinational organiseert een busreis voor medewerkers en huurt een dichter in om het gezelschap bezig te houden. Een museum luistert de opening van een tentoonstelling op met gedichten bij schilderijen. Een wandelvereniging koopt gedichten van je om de wandelroutes mee op te luisteren. Een kroonprins trouwt en de gemeente Amsterdam vraagt een twintigtal dichters om een gedicht te schrijven. Of dichters? Ook Def P. mag meedoen, want de grens tussen poëzie en popmuziek is allang niet duidelijk meer; en dan krijg je dit soort woorden over het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima 'Laten jullie dit geintje nou door het volk betalen? / heeft de monarchie het recht dit schaamteloos te bepalen?' Poëzie is tegelijk openbaarder en laagdrempeliger geworden, de geur van heiligheid is er helemaal af.

Niet langer zitten jonge dichters te wachten op een stipendium van het Fonds voor de Letteren (dat in de loop der jaren geleerd heeft bij debutanten de kat eerst maar eens uit de boom te kijken) maar er is een heel andere markt aangeboord, van jubilea, tewaterlatingen, openingen, gedenkwaardige momenten etcetera, waar de dichter zijn inkomsten tapt.

Natuurlijk vond die verandering van het poëtisch klimaat niet zonder slag of stoot plaats. Toen in 1990 een aantal dichters de sterfdag van Vincent van Gogh tegen ruime vergoeding mocht opluisteren met een vers greep H.C.ten Berge de uitnodiging aan om zijn gal te spuwen over het moderne mecenaat:

Het is de vraag of u nog maalt

om poëzie, palet, een beurs vol pegulanten

Het sneeuwt biljetten op uw graf

Uw naam is een transactie, zelfs

de verzenmaker wordt betaald.

Maar tien jaar later eten dichters uit de oude school rustig mee uit de nieuwe ruif voor poëzie. Wie bijvoorbeeld in de onvolprezen bundel 'Totaal witte kamer' van Gerrit Kouwenaar het colofon opzoekt ziet dat er allerlei werk-op-bestelling in staat, een gedicht geschreven voor 'de glaswand bij Museum Beelden aan Zee in Scheveningen', een vers voor het woongebouw Batavia, een gedicht voor de kunstroute door het landschap van Oosterleek en Wijdenes. De dichter van tegenwoordig is niet in de laatste plaats ook een gelegenheidsdichter; wat dat betreft lijkt hij goed toegerust om Dichter des Vaderlands te worden. Of 'stadsdichter', want ook menige stad benoemt tegenwoordig een soort hofdichter die zich met de titel 'stadsdichter' (van Groningen, van Zwolle, van Antwerpen) mag tooien. Poëzie is volstrekt salonfühig geworden.

Aan de poëzie zelf hoeft het gelegenheidskarakter overigens geen afbreuk te doen. Kouwenaars opdrachtgedicht voor gebouw Batavia is gewoon mooi en treffend:

Ik lig als een schip op de rede

van een stad die eeuwen bestaat

ik ben vastgelegd aan een heden

maar draag een verleden naam

ik huis hier tussen mijn muren

zoals mensen binnen hun huid

ruimte kijkt uit door mijn ramen

ik ben voor de mensen gebouwd

Maar het is toch vooral onder jongere dichters dat het schnabbelcircuit van vroeger langzamerhand op een heuse marktplaats begint te lijken. Niet het Fonds voor de letteren of de SSS (de stichting Schrijver School Samenleving, die schrijversoptredens bemiddelt voor scholen en culturele instellingen) zijn nog de voornaamste werkgevers voor deze dichters, ze halen hun geld op door gedichten te schrijven en op te treden voor zakelijke instellingen met culturele neigingen. Ook de hogesnelheidslijn, het PGGM pensioenfonds en de jarige Albert Cuypmarkt halen graag dichters op hun feestje.

Populaire optreders als Ruben van Gogh, alias de Man van Taal, Ilja Leonard Pfeijffer met zijn exuberante en flamboyante voordracht of de dichteres Tjitske Jansen (die niet toevallig een toneelverleden heeft) zijn echte publieksbespelers en podiumdichters. Er zijn er nog tallozen meer: Hagar Peeters, Ramsey Nasr, Ingmar Heytze, Serge van Duynhoven, Daniël Dee. En heus hoor, ze staan ook allemaal in de dikke Komrij.

Sommigen van hen maken gebruik van elementen uit die andere populaire culturen, rap, hiphop, clipjes en films, anderen zoeken eerder de hoek van het cabaret op. Er zit een showelement in hun werk dat het goed doet, niet alleen bij het publiek maar ook bij organisaties die hun luisteraars willen vermaken. En ze weten precies hoe ze hun werkgever moeten behagen, namelijk met een opgewekte mix van poëzie, een vleugje diepgang en wat toepasbaarheid.

Bouwfonds Fortis bijvoorbeeld vroeg Ingmar Heytze een gedicht voor hun folder te schrijven. En dan krijg je dit:

Over wonen

Wonen is een wonderlijk werkwoord.

Wanneer woont men? Als men slaapt,

een sleutel omdraait, eet of baadt?

Wonen, dat is niet zozeer iets doen,

maar op een plek zijn waar men liefheeft,

goedemorgen zegt, zijn hoed neerlegt.

Wonen doet men altijd ergens,

stad of land, op stand of in de bocht

van een rivier.

Of hier.

Oftewel, poëzie waar niemand zich een buil aan valt.

En de dichters zelf? Die zijn allang uit hun zolderkamertjes afgedaald en de markt opgegaan om te worden waar ze vroeger hogelijk op neerkeken: kleine, soms zelfs middelgrote ondernemers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden