Review

Verslaafd aan rampen, maar onduidelijk waarom

Wie te pas en te onpas het woord 'trots' gebruikt, is of heel kinderlijk of te lang in therapie geweest. De ik-figuur in 'De kleine Britt' is het allebei. Ze is een vaag soort kunstenares die haar psychiater vertelt dat ze trots is op haar man: ,,Omdat hij een bres heeft geslagen. Hij zat opgesloten in een kamertje waar geen lucht kon komen. Er lag alleen een grote kei. Op het moment dat hij dreigde te stikken heeft hij de kei door het venster gegooid. Buiten liep iemand, die door de kei werd geraakt. Hij was dood.'

Kan het nog gekker. Hoe kun je nu trots zijn op een echtgenoot die uit rancune een onschuldige man vermoordt? Of moet je dit zien als voorbeeld van eerlijkheid jegens jezelf? In de autobiografische roman 'De kleine Britt' beschrijft Els Hupkes de lotgevallen van haar gezin na de inval door de politie op 6 april 1988. Haar man is Ferdi E. (in het boek 'Dickie'), die op 9 september 1987 Gerrit-Jan Hein ('mijnheer Coens') ontvoerde en vermoordde in het bos bij Arnhem. Dat Hupkes ('Zusje') zichzelf en haar gezin als slachtoffers beschouwt is begrijpelijk. Uit piëteit had ze er beter aan gedaan het boek voor zichzelf te houden.

De roman leest als een slechte soap, waarin nauwelijks normale mensen voorkomen, die bij problemen zelden een verstandige oplossing kiezen. Het meeste is niet bedacht maar echt gebeurd: de verkrachting van de 15-jarige dochter Louise door een illegale man, de amputatie van het onderbeen van de oudste dochter Lotje na de kwalijkste genezingsrituelen door een psychotische Indiaan, om nog maar te zwijgen van het buitensporige drugsgebruik, de maniakale opwindingstoestand en het agressieve gedrag van de 25-jarige zoon Finn, die twee keer zijn moeder naar het leven staat.

Tijdens een LSD-trip gooit hij zijn konijn en zichzelf uit het raam. Als Finn eindelijk is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis heet het: ,,Sinds drie dagen is Finn medicijnvrij. Wat een opluchting. Zijn motoriek begint weer levendig te worden, maar zijn handen beven nog.' Welja, de eigenlijke behandeling moet nog beginnen, maar de moeder is al blij dat de ergste symptomen van de ziekte weg zijn. Soms denk je dat het werkelijk niet goed mág komen. Men kan in de opzet van het boek met fragmenten processen-verbaal, brieven en dagboekaantekeningen de weerspiegeling zien van de chaos die heerst in het hoofd van de verteller, met op cruciale momenten gaten in het geheugen. Maar het zou ook heel goed kunnen passen bij haar onvermogen greep te krijgen op de ramp van 9 september 1987, zoals voorkomt bij een post-traumatische stress stoornis. Genadeloos regeert in dit boek de Wet van Behoud van Ellende (WBE): vrijwel alle personen zijn verslaafd aan rampen, zonder dat erg duidelijk wordt waarom. Als Zusje na de dood van haar teckel Britt een afspraak maakt bij de psychiater, kan zij niet zeggen welke klachten zij heeft. Ze zegt snel dat ze een 'moreel dilemma' heeft, maar haar productie ligt al jaren stil. Inmiddels is er zo'n tien jaar verstreken na de inval.

Vreemd genoeg verklaart Zusje dat ze het motief van de moord niet snapt. Terwijl glashelder is dat Dickie niet heeft kunnen verkroppen dat hij voor de tweede keer uit een baan is geschopt. Via het gerecht probeert hij zijn gelijk te halen, wat in april 1986 in hoger beroep mislukt. Zusje heeft geen zin voor de tweede keer al zijn narigheid aan te horen, waarop ze hem naar de psychiater stuurt. Hoewel hij depressieve symptomen heeft, houdt Dickie het al na een keer voor gezien. Je moet altijd je eigen problemen oplossen, heeft hij vroeger geleerd. De gevolgen: alcoholmisbruik, mishandeling, moord en een afgesneden pink.

Jammer genoeg blijft de psychologisch meest intrigerende periode, tussen de moord en de inval (waarin Dickie 13 afpersbrieven stuurt en de diamanten en het geld incasseert), duister. Op de valreep zoekt Zusje in haar dagboek naar aanwijzingen, maar ze vindt niets over wat er toen onder haar ogen plaatsvond. ,,Ik heb geen wetenschap uit de dingen die ik mogelijk heb gezien.' Tja.

Het gemis aan diepgang en invoelend vermogen jegens de familie Hein (zoals de passage over de surprise met de hoppende afgesneden pink die Louise met Sinterklaas aan haar vader stuurt) staat in pijnlijk contrast met de overdreven aandacht en zorg voor de overleden teckel waarmee het boek besluit: ,,We wikkelden het dode hondje in het roodgeblokte dekentje en legden haar voorzichtig in het graf.' Je zou bijna vergeten dat de aanleiding van dit boek het luguberste Nederlandse misdrijf uit 1987 is geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden