Review

VERRADER, SPION, GENIE, KETTER, DON QUICHOT OF BEVRIJDER VAN ZUID-AMERIKA

Theatermaker Rense Royaards verbleef enkele maanden in Venezuela om een door hem geschreven toneelstuk te ensceneren over Francisco de Miranda (1750-1816), een van de hoofdrolspelers in het duistere drama van de bevrijding van Zuid-Amerika. Dat het continent nog steeds in beweging is, bleek tijdens Royaards' verblijf: er trok een politieke storm over Venezuela. Inmiddels is president Carlos Andres Perez aangeklaagd wegens corruptie en, in afwachting van zijn veroordeling, op non-actief gezet. Rense Royaards, 'De Generale', historisch materiaal over Francisco de Miranda, gelardeerd met fragmenten uit 'Show de la Muerte Desnuda'. Uitg. De Balie/Novib, 112 blz. - F 25,-.

RENSE ROYAARDS

. Het vliegtuig daalt. In de diepte ligt Merida. Het lijkt onbereikbaar in de smalle vallei. We zwenken tussen twee besneeuwde toppen door. Ik zie de schaduw van het toestel langs de hellingen glijden, over een bergterras, afgebroken door een steile rotswand die naar een ravijn voert. Een rivier glinstert. Plotseling de bewoonde wereld. De machine strekt de poten naar de aarde. Er klinkt applaus. We zijn er. Tussen de wachtenden zoek ik Romulo. Hij zet zijn zonnebril af.

Ik herken hem. De voorstelling kan beginnen. Een man staat op de deur te bonken van het Teatro Rafael Briceno. “Is er niemand?”, vraagt hij als Romulo opendoet. “Ik hoorde de klokken luiden en dacht, er is misschien iets in het theater te doen.” “Nee, hier niet”, zegt Romulo, “misschien in de kerk.” Op het Bethlehemplein heerst drukte. De klokken beieren. De fanfare repeteert. Een auto met een luidspreker op het dak rijdt het plein rond en produceert afwisselend krakend stemgeluid en schetterende muziek. Het geluid kaatst tegen de gevels. De man die op de deur heeft gebonkt, staat er verslagen bij. “Hoe laat begint de mis?” vraagt hij een voorbijganger. “Om acht uur.” Hij kijkt op zijn horloge en dan met gretige, zwarte ogen naar mij. “Hij is journalist”, heeft Romulo me toegefluisterd. Met zijn leren petje, grijze puntbaard en buikje lijkt hij op Pantalone, de gierige Venetiaan uit de Commedia dell' Arte.

Tussen neus en lippen door probeert hij me een interview te ontfutselen om niet met lege handen thuis te komen. 'Manana' ('morgen') is het toverwoord. Hij gaat in de drukte van het plein verloren. We staan nog even in de entree van de vroegere bioscoop, die nu tot theater wordt verbouwd en lopen dan naar boven. Daar is nog een ruimte vrij om te repeteren, klein en verlicht door twee kale peertjes aan het plafond. We sluiten de ramen. Het geluid van buiten blijft hinderlijk. De stemmen van de acteurs resoneren, zelfs hun voetstappen op de stenen vloer worden door een echo gevolgd. Aan de overkant van het plein zet de fanfare weer in. “Stop. Ik kan hier niet repeteren.” De acteurs zwijgen. “We moeten een andere ruimte hebben.” De acteurs beginnen door elkaar te praten.

“Muy complicado, muy dificil. We zijn gewend aan lawaai.” “Ik niet.

Een andere repetitieruimte of alles houdt op.” . Twee jaar geleden ontmoette ik Romulo Rivas in Caracas. Ik deed daar onderzoek naar achtergronden en levenswandel van Francisco de Miranda, voorloper van Simon Bolivar. We besloten in de toekomst een voorstelling te maken over deze fascinerende figuur. Nu is het zover. Het valt niet mee een andere repetitieruimte te vinden. “Het land is in crisis”, zegt Romulo.

“Mensen weten niet waar ze aan toe zijn. Er is geen bereidheid elkaar te helpen.” Venezuela had enkele jaren geleden de naam een democratie te zijn, een lichtpunt te midden van Zuidamerikaanse dictaturen. In '89 trad president Carlos Andres Perez aan. Hij beroemde zich op zijn ervaring in andere delen van de wereld en zijn goede contacten met de groten van deze aarde. Hij vierde zijn electorale overwinning met galadiners en bals, waarvoor 'tout le monde' was geinviteerd. Men sprak van de 'coronacion' van Perez. Twee weken later plunderde het volk de hoofdstad. Het protest was gericht tegen de buitensporig stijgende kosten voor levensonderhoud.

Een incident in een buitenwijk van Caracas was de vonk in het kruitvat.

Een vrouw nam de bus en betaalde. “Dat is niet genoeg”, zei de chauffeur. “Hoezo?” “De prijs is verdubbeld.” “Dat heb ik niet.” “Stap dan maar uit.” “Ik moet naar mijn werk.” De vrouw moest er uit.

Ze was razend, schopte tegen de deur, die zich achter haar sloot, sloeg met haar vuisten tegen de ramen. Andere passagiers namen het voor haar op. Discussie ging over in schelden. De bus werd vernield en in brand gestoken. De onrust breidde zich razendsnel uit. Caracas werd het toneel van geweld en plunderingen. De brand sloeg over naar andere steden.

“Nee, niet de officiele Bolivar van de standbeelden”, verzoek ik de acteur, die hem flink opzet, “maar een broekie dat sterft van angst als hij het pistool op zijn vader richt. Niet van die mooie volzinnen.

Stotter maar.'' De acteur kijkt me ongelovig aan. Het stuk - een televisieshow, waarin Francisco de Miranda de gast is en voor de laatste maal de kans krijgt om zich tegenover het Venezolaanse publiek en de geschiedenis te rechtvaardigen - opent met een heftige scene tussen Miranda en Bolivar. Het is een dramatisch moment. De totale nederlaag tegen de Spanjaarden en herstel van het koloniale regime dreigt.

De jonge kolonel staat tegenover de Generalisimo Miranda, de leerling-revolutionair tegenover de man die zijn levenlang voor de Vrijheid heeft gevochten. Bolivar beschuldigt Miranda van verraad en arresteert hem. Miranda wordt aan de Spanjaarden uitgeleverd. Bolivar krijgt als beloning een paspoort en ontkomt naar Curacao. Miranda sterft in de cel. Historici weten zich geen raad met dit incident. Zou Bolivar, de man naar wie in elke stad of dorp het centrale plein genoemd is, de man die je te pas en te onpas, steigerend op zijn bronzen paard, tegenkomt, die je treft op bankbiljetten, bidprentjes, in regeringsgebouwen, de man naar wie het geld, dorpen, straten, steden, staten genoemd zijn, achter wiens ideeen de politieke partijen, de democratie, de fraude, de corruptie zich verschuilen, de man die het Venezolaanse volk bindt, de geschiedenis daarvan vertegenwoordigt, het geloof en de toekomst - zou diezelfde Bolivar zijn glorieuze carriere begonnen zijn door over de rug van zijn vriend en leermeester te ontkomen?

Of was Miranda een ordinaire verrader, zoals de officiele geschiedenis ons wil doen geloven? We werken voor de eerste maal in een nieuwe repetitieruimte, een expositiezaal, die we van de universiteit hebben gekregen. We voelen ons opgelucht. We zijn nog maar nauwelijks aan het werk of de deur wordt aarzelend, voorzichtig en daardoor des te hinderlijker geopend. Een dame met een cello verschijnt. “Sterf”, denk ik, “negeren.” Ik doe alsof ik haar niet zie, verdiept ben in het werk van de acteurs. Het helpt. Ze verdwijnt. De deur wordt opnieuw geopend. Een man verschijnt. Hij lijkt verbijsterd over onze aanwezigheid, aarzelt, wil zijn entree toch een doel geven en verdwijnt in het toilet. Op de gang groeien de stemmen in aantal en volume. Deur open. “Pardon.” Deur dicht. We werken verder. Deur open. Mannen verdringen zich in de deuropening, kijken over elkaars schouder naar het schouwspel: de repetitie. “Heren, we zijn aan het werk.” Ze kijken met nog grotere verbazing naar mij, naar degeen die ervoor zit en ogenschijnlijk helemaal niet werkt. Romulo moet eraan te pas komen.

Verwarring.

De ruimte blijkt aan meerdere personen tegelijk verhuurd en er is een vergadering van professoren geplanned. We trekken aan het kortste eind, we moeten er uit. “Typerend voor dit land,”, verzucht Romulo, “drie bazen, die drie verschillende beslissingen nemen.”

Ik moet het centrum van Merida vermijden. Vrachtwagens branden. De politie komt in actie met traangas. Rook verwaait boven de daken. De studenten zijn in opstand.

De journalist die me heeft uitgenodigd, staat me op te wachten onder aan de trappen van een imposant gebouw. Hij neemt me mee naar een treurig kantoortje. Hij monstert met slimme ogen de buitenlander en vraagt wat hem in hemelsnaam op het spoor heeft gebracht van de vergeten Venezolaan. Ik herinner hem eraan dat de naam van Miranda gegraveerd staat in de Arc de Triomphe in Parijs, omdat hij in dienst van de 'sans culottes' Holland voor de revolutie trachtte te winnen. In 'The Loss of Eldorado' van V.S. Naipaul, vertel ik hem, las ik voor het eerst over deze rusteloze zwerver, waarschijnlijk de grootste kosmopoliet van zijn tijd en van Venezuela tot op heden. “Maar waarom hier een voorstelling over hem?” “Omdat ik nieuwsgierig ben, hoe de ideeen van Miranda, overgenomen door Bolivar, van een groot en vrij Amerika, een federatie van Zuidamerikaanse staten, verenigd in het Gran Colombia, zich verhouden tot de Venezolaanse actualiteit van dit moment.” Het klinkt pathetisch.

's Ochtends om acht uur komt de zon over de hoogste toppen van de Andes en zet haar schijnwerpers op de gevel van mijn flat. De dag dringt mijn appartement binnen. Jorge, architect, die het toneelbeeld ontwerpt, waarschuwt me, dat het gebouw met smeergeld is neergezet en wat de hoogte betreft niet aan de normen voldoet: “De bodem is altijd in beweging. Maar troost je, bij een aardbeving verdwijnt het hele terras, waarop je woont, de lage huizen incluis, in het aangrenzende rivierdal.”

We gaan op weg om een stoel en een pistool voor Miranda te zoeken. Op de straathoeken staan agenten met helmen en schilden. Een golf traangas waait in onze richting. We draaien de portierraampjes omhoog. Jorge praat over onvrede en de frustrerende geschiedenis van Venezuela, de te snelle ontwikkeling, die aan een gedeelte van de bevolking voorbijgaat. Hij onderstreept zijn woede met brede gebaren, waarbij hij het stuur steeds loslaat. Ik probeer een ander onderwerp aan te snijden. We rijden de stad uit. We zijn op weg naar de hacienda van Generaal Pardi Davila. Op het plein voor een wit huis rennen twee uitgelaten honden ons tegemoet.

Een man zet zijn kruiwagen neer en vraagt naar onze bedoelingen. Hij verdwijnt en komt terug met de mededeling dat de Generaal luncht. We wachten. Links van het huis liggen de ruines van een suikerfabriek, uit de tijd dat rietvelden het dal tot tegen de berghellingen vulden. Achter ons is een binnenplaats van rode tegels, omgeven door bijgebouwen, waar men de hogerop gecultiveerde koffie placht te wassen, te sorteren en te drogen. Er staat een oude Plymouth met een ster in de voorruit. Een mislukte aanslag? De Generaal verschijnt, klein, kaal, met scherpe neus en diepliggende ogen. Hij introduceert ons in koele kamers met donkere koloniale meubels, verbleekte portretten, wapens, houten beelden en porselein. In dit decor praten we over Generalisimo Miranda, de man die veertig jaar lang vanuit Europa de bevrijding van Zuid Amerika trachtte te organiseren en tenslotte met drie eenzame schepen het - toentertijd - machtigste rijk ter wereld, Spanje met haar kolonien, zou uitdagen.

“Brutaal en waanzinnig”, oordeelt de Generaal, terwijl een klein meisje dat een voortand mist, koffie serveert. Het werd een mislukking. Miranda ontkwam ternauwernood. Het maakte hem bekend, niet geliefd. Op het plein voor de kathedraal in Caracas verbrandden de Spanjaarden de buitgemaakte vlag, de tot rebellie aansporende pamfletten en het portret van 'de verrader, de spion, de ketter, de nieuwe Beelzebub'. De brandstapel, waarop de Spanjaarden hem zo graag hadden zien eindigen, bleef Miranda achtervolgen. Toen in 1927, meer dan een eeuw na zijn dood, zijn nalatenschap uit Engeland in Caracas arriveerde, bevond zich daaronder een verzameling van meer dan drieduizend 'guardarizos', medaillons, waarin Miranda schaamhaar bewaarde van al de vrouwen die hij had bemind en bezeten, van Parijs tot Constantinopel, van Moskou tot Algiers. De aartsbisschop van Caracas die de kostbare collectie in ontvangst moest nemen en zegenen, was zo gedegouteerd, dat hij alle 'guardarizos' liet verbranden om de vaderlandse geschiedenis van deze smet te zuiveren.

“Ja”, zegt de Generaal in ruste, terwijl hij zijn pistool voor mij in een plastic zak wikkelt, “Miranda was een eeuwige verliezer. Behalve op het gebied van de vrouwen. Daar behaalde hij de overwinningen die op andere fronten uitbleven.” Terug in Merida, dreigen we in een treffen tussen studenten en politie terecht te komen. Agenten houden zich gereed.

Studenten met over hun hoofd getrokken hemden en voor hun gezicht gebonden zakdoeken, verschansen zich achter een uitgebrande bus. We voelen ons figuranten, verdwaald op een verkeerde filmset. 'Waarom is onze dagelijkse realiteit getekend door jongeren, haast nog kinderen, verscholen achter zakdoeken met stenen in hun vuisten, die de lessen van de haat hebben geleerd in de efficiente school van de wanhoop?' vraagt een krant zich de volgende dag af. Op de voorpagina van de 'Correo de los Andes' prijkt een foto van een scene uit onze 'Show de la Muerte desnuda'. We rijden Merida uit om elders een voorstelling van het stuk te geven. De weg daalt tot waar de Rio Chama en de Rio Negro samenvloeien.

Het klimaat verandert, de atmosfeer wordt droger en warmer. Tegen de kale hellingen, die zich aan weerszijden verheffen, is hier en daar een groen, bevloeid terras te zien. Een zwoele avondwind komt door het dal. We rijden 'het gezondste klimaat ter wereld' tegemoet, in Lagunillas. Een half uur na de aangekondigde aanvang, is de zaal, waar we een speelruimte hebben geimproviseerd door stoelen in een halve cirkel te plaatsen, nog leeg. Uit de ramen roepen we over het plein: “De Show van de naakte Dood gaat beginnen! Vertier, vermaak en sensatie! Komt allen!” Een zwerm vogels vliegt kwetterend op uit de bomen. De zaal vult zich. Moran, de showmaster, verschijnt en verwelkomt zijn publiek. Hij draagt een donker glimmend pak, een witte zijden shawl en een hoed. In zijn brutale en onconventionele manier van bewegen doet hij de ouderen wellicht denken aan Renny Otolina, een zeer populaire tv-ster, die zich in '78 kandidaat stelde voor het presidentschap, maar kort daarop omkwam onder omstandigheden die nooit werden opgehelderd. Moran heeft al vele groten in zijn show 'uitgekleed' en hen tot de meest intieme waarheden verleid.

Maar vanavond heeft hij een zeer speciale gast, voor slechts een paar uur uit de gevangenis ontslagen. Wie is deze raadselachtige, briljante, verlichte figuur? Een verrader, een spion, een genie, een ketter, een Don Quichot of een Bevrijder van Amerika? Kinderen zitten op schoot. Een oude man laat zijn strooien hoed gedachtenloos door zijn vingers glijden. Na afloop om reacties gevraagd, zwijgt men en kijkt naar de grond. Het is warm. Alle deuren en vensters staan open, maar de lucht komt nauwelijks in beweging. De pastoor neemt het woord.

De volgende dag zitten we in Merida voor de vrouwengevangenis op het decor te wachten. Het lijkt zoek. Niemand weet waar het sinds gisteravond is gebleven en niemand windt zich daarover op. Ik zie hoe de zon daalt, schaduw over de dalen legt en de besneeuwde top van de Pico Bolivar doet oplichten. Daarmee nemen de kansen af dat we Miranda in de gevangenis zullen introduceren, een plek die zijn leven in zekere zin beheerste.

Niet alleen omdat die hem altijd al te wachten stond maar ook omdat hij die opzocht. Op zijn reizen door Europa, waar hij de gast was van de elite en de luxe van de hoven genoot, verbaasde Miranda zich over de naakte kinderen, de armoede en het gebrek aan hygiene. Overeenkomstig de ideeen van de Verlichting, verzuimde hij niet zich op zijn minst voor het onrecht te interesseren. In de nabijheid van St. Petersburg bezocht hij een somber verbanningsoord, waar de gevangenen de neus was afgesneden. In Kopenhagen begaf hij zich in de onderaardse cellen, waarvan de stank hem dagenlang bleef achtervolgen. Hij bepleitte, dat een meisje, veroordeeld om onthoofd te worden, wegens kindermoord, door medici werd onderzocht.

Hij wist te bewerkstelligen, dat de vrouw de doodstraf ontliep, omdat ze leed aan 'hysterische aanvallen die haar van haar rede beroofden'. Elders struikelde hij in de duistere gangen over een lijk.

Vervolg op pagina 2. VERVOLG VAN PAGINA KK 01 De Deense koning werd erin gemengd en verwaardigde zich een blik in zijn gevangenissen te werpen. In Christianhaven redde Miranda een andere vrouw ('begeerlijker dan ik ooit gezien had'), eveneens tot de doodstraf veroordeeld wegens kindermoord.

De straf werd gewijzigd in levenslang. Een vrachtautootje, dat onze spaarzame decorstukken nauwelijks lijkt te kunnen torsen, klimt traag tegen de heuvel op en stopt voor het 'Instituut voor Herorientatie van Vrouwen'. Een dertigtal gedetineerden zit klaar als we de 'scene' op de betonnen vloer van de binnenplaats beginnen op te bouwen. Een van hen wiegt een baby. Het laatste zonlicht projecteert de schaduw van tralies op het witte achterdoek, als we laten zien hoe Miranda in de Franse Revolutie verzeild raakt maar in handen valt van de 'exterminateur public' en zich, beschuldigd van verraad, moet verantwoorden voor het Tribunal Revolutionair in Parijs. De guillotine dreigt.

Chaveau Lagarde - in hetzelfde jaar verdediger van Marie Antoinette en Charlotte Corday - bepleit zijn zaak. Het proces tegen de Zuidamerikaan passioneert de 'citoyens', de intellectuelen, de kranten, de dichters.

Het Tribunaal spreekt hem vrij. Het volk draagt hem op de schouders door de straten van Parijs. Men applaudisseert, maar het treurspel is nog niet ten einde. Miranda's leven zal een voortdurende paradox blijken, die hem van de triomf naar de nederlaag voert, van de roem naar de cel.

We praten na afloop over de omstandigheden in Venezolaanse gevangenissen.

De laatste staatsgreep was het sein voor een opstand in de gevangenis van Caracas. Venezuela heeft haar winsten uit de olie verspild en nooit aangewend om de hoogstnodige sociale voorzieningen te treffen.

Scholen, ziekenhuizen, watervoorziening, post, telefoon, transport, niets functioneert op een acceptabele manier. De schrijver, Arturo Uslar Pietri, zegt in het onlangs verschenen 'Coup en Staat in Venezuela' over zijn land: 'Je kunt zonder overdrijving zeggen dat geen enkele openbare dienst functioneert, het merendeel zit overvol ambtenaren maar is bijna voortdurend verlamd. Het beste laat zich dat illustreren door de deplorabele toestand, waarin de scholen en het opvoedingssysteem in het algemeen verkeren, en door de mensonterende situatie in de gevangenissen en huizen van bewaring, die te wijten is aan de schrijnende opeenhoping van mensen van verschillende leeftijden onder erbarmelijke omstandigheden.' . “Je begrijpt de Venezolaanse mentaliteit niet”, zegt een acteur, als ik hem vraag minder pathetisch te spelen. “Als het publiek geen tranen ziet, gelooft het niet dat je verdriet hebt.” Het werk vordert. Niet zonder problemen. De repetitieruimte blijkt aan anderen vergeven, zodat we onverrichter zake naar huis terugkeren, of de vloer is in de was gezet, zodat de acteurs zich bewegen als op een schaatsbaan, of het openbaar vervoer staakt, of het licht valt uit. De kostuumontwerpster wordt ontslagen. De vader van Romulo sterft. Studenten gijzelen chauffeurs en steken hun bussen in brand nadat een verhoging van de tarieven is aangekondigd. In het congres wordt de president uitgefloten. Het leger gaat in Caracas de straat op. Door de aanhoudende geruchten lijkt een staatsgreep al een feit. Een voorgenomen tournee van het stuk door het land wordt, in verband met de gespannen politieke situatie, opgeschort.

'Show de la Muerte Desnuda' flitst als een lichtreclame op. Muziek kondigt de entree van de showmaster aan. Moran ver schijnt. Hij deelt zijn publiek mee, dat hem vanavond voor het eerst de moed in de schoenen zinkt als hij er aan denkt oog in oog te moeten staan met de controversiele figuur, die hij heeft uitgenodigd. Hij heeft de beschikking over een hutkoffer, die zijn gast toebehoorde en diens archieven, herinneringen en intiemste bezittingen bevat. Aan de hand daarvan zal hij op zoek gaan naar de ultieme waarheid in het leven van 'el Excelentisimo Senor Don Francisco de Miranda'. Op de eerste maten van Beethovens Negende symphonie, verschijnt die uit de diepte. Hij heeft zijn haar samengebonden in een staartje, draagt een gouden ringetje in zijn linker oor en is gekleed in een blauwe generaalsjas, die hij uit de Franse Revolutie heeft overgehouden.

Moran, die altijd een traumatisch incident uit het leven van zijn gasten als uitgangspunt voor zijn show gebruikt, confronteert Miranda met zijn opstandige ondergeschikte, Bolivar, om daarna zijn publiek de vraag voor te leggen: 'Wie is eigenlijk de verrader?' De krachtmeting begint. We gaan terug naar de jeugd van Miranda, Caracas in de tweede helft van de achttiende eeuw, onderhorig aan de Spanjaarden en de Heilige Inquisitie.

Moran zal geen middel onbeproefd laten. Hij is hondsnieuwsgierig, hondsbrutaal en vol bewondering. Hij begeeft zich op weg om het leven van Miranda te doorkruisen. Hij stapt van zijn show in de geschiedenis en stapt er weer uit om die van kanttekeningen te voorzien. Hij verplaatst zich in het verleden door rollen te spelen van mannen en vrouwen, die in het leven van zijn gast belangrijk waren en zijn onderzoek naar de waarheid dienen.

Miranda neemt de uitdaging aan. Hij corrigeert, stuurt een scene in St.

Petersburg aan het hof van Catharina de Grote in een andere richting als Moran, die op dat moment de tsarina speelt, er achter probeert te komen of Miranda een verhouding met haar had. Moran put uit de overlevering. De hutkoffer bevat zijn bewijsstukken. Miranda speelt met zijn herinneringen en tracht de geschiedenis te herschrijven. Zo volgen we de man, die betrokken zal zijn bij alle grote gebeurtenissen van zijn tijd, die dineert met Washington, zich de haat op de hals haalt van Robespierre, nauwelijks aan de guillotine ontsnapt, de Parijse salons bezoekt, door vrouwen wordt omgeven en door de Spaanse geheime dienst wordt geschaduwd, die met William Pitt onderhandelt over een invasie op de kust van Zuid- Amerika.

Als tenslotte in 1810 de kansen keren en Simon Bolivar er in slaagt Miranda te overreden naar Venezuela terug te keren, is de veteraan van de Europese slagvelden al een legende. De korte euforie van de eerste Venezolaanse Republiek eindigt in een nederlaag. Miranda ziet zich, als opperbevelhebber, genoodzaakt naar de kust uit te wijken. Op de plek waar hij twee jaar geleden op de schouders aan land werd gedragen, wordt hij nu bedreigd en gearresteerd door een nerveuze jonge kolonel, die jaren later de bevrijding van Zuid-Amerika zal voltooien en als 'el Libertador' met de eer zal gaan strijken. Moran eindigt de show waar hij begon. Hij neemt afscheid met de woorden: “Ik kan alvast een grafdicht op u maken: Hier rust Miranda, op een haar na bevrijder van Zuid-Amerika.” . Een premiere is altijd een boze droom met welgemeendeomhelzingen en judaskussen en in dit geval ook rum met ijs in plastic bekertjes. Thuis gekomen zet ik de televisie aan en kijk naar het nieuws. Het beeld toont 'La Bandera' ('de Vlag'), het busstation dat het oude, slecht functionerende en voortdurende verstopte 'Nuevo Circo' in het centrum van Caracas zou moeten vervangen. Helaas. De bouw is in een vergevorderd stadium gestopt. Een lek in de waterleiding tast de fundamenten aan. De betonnen kolos wankelt. Miljoenen liters water en miljoenen bolivares gaan verloren, terwijl heren in beeld verschijnen om een ander de schuld te geven. Morgen zijn ze weer aan het woord en overmorgen ook. Steeds dezelfde. Er gebeurt niets en het blijft nieuws tot men zich met deze in de grond geboorde hoop heeft verzoend. Venezuela heeft geen geschiedenis.

Net als de op de muren gekalkte leuzen en protesten is die met het wisselen der tijden en regimes door een andere lezing van de feiten vervangen. Bolivar en de Onafhankelijkheid leven in het bewustzijn.

Niet wat daarop volgde: burgeroorlog, caudillos, schijndemocratie, dictators, corruptie. Vlak na de Tweede Wereldoorlog is Venezuela een achtergebleven gebied met drie miljoen inwoners, dat koffie en cacao exporteert. Nu telt het land dertig miljoen zielen en lopen de inkomsten uit de olie in de miljarden. “We zijn van de klapperboom in de Cadillac gevallen”, zeggen degenen die het getroffen hebben, met enige spot.

Anderen kwamen harder terecht. Zoals men de nieuwe ideeen en moderne wetgeving van Miranda niet wist te interpreteren, de erfenis van Bolivar verkwanselde, zo lijkt men ook niet opgewassen tegen de rijkdom, die het 'zwarte goud' elke dag oplevert. Een kolos wankelt omdat de fundamenten worden aangetast. Het is de vraag of een staatsgreep daar iets aan zal verhelpen. Als de geruchten toenemen, reis ik naar Caracas om nog even stil te kunnen staan bij het einde van Miranda. Hij stierf even eenzaam als Toussaint L'Ouverture, de vrijheidsheld van Haiti die, door Napoleon verraden, doodvroor op een kasteel aan de Loire. En evenals de latere Cubaanse dichter en strijder voor de onafhankelijkheid, Jose Marti, kon hij zeggen: “Voor mij zal het Vaderland nooit triomf betekenen, alleen maar doodstrijd en plicht.” Miranda stierf in een cel in het Spaanse Cadiz. Sindsdien verdween elk spoor. Men weet niet waar hij gebleven is.

In het Panteon Nacional in Caracas, ter linker zijde van de tombe van Bolivar, is een grafmonument ter herinnering aan Miranda. Het is een cenotaaf, want Miranda keerde nimmer terug. Een half geopende urn, waarvan de deksel in de klauwen van een roofvogel hangt, wordt bewaakt door een groteske en meer dan levensgrote marmeren maagd met een speer in de hand, een Phrygische muts op de lokken en leeuwenkoppen op de tepels van haar blote borsten. Ze is bereid te wachten, ad infinitum, een zwijgende uitnodiging, een stil verwijt. Als hij terugkomt, wordt hij opgesloten, als een geest in de fles. Bolivar wordt dag en nacht door een erewacht bewaakt en om de vijfentwintig jaar controleert de President of hij er nog ligt. Miranda komt niet terug. Het ligt niet in zijn aard.

“Miranda sterft in de mist”, zal Pablo Neruda dichten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden