Review

'Vergissingen van Freud hebben meer allure dan de meeste waarheden van gewone mensen'

Een contactschuwe 29-jarige academicus moest van zijn bedrijfsarts naar een psychiater omdat hij op zijn werk 'wegdroomde' en voor zich uit zat te staren. Na een kort huwelijk was de man gescheiden. Een jaar later liet hij zijn nieuwe vriendin in de steek. Wegens toenemende gedragsproblemen en houterige motoriek waarbij hij zich herhaaldelijk op de borst sloeg, werd hij ter observatie opgenomen.

Zijn intelligentie bleek lager dan verwacht en hij maakte een achterdochtige indruk. Van hallucinaties leek geen sprake te zijn. Na overplaatsing naar een psychiatrisch centrum, bleef hij na een half jaar verlof onaangekondigd thuis. Na een ernstige suïcidepoging tussen de treinrails werd hij opnieuw enige maanden opgenomen. Een dag na zijn ontslag sprong hij van een flat.

In 'De verwarde geest' betitelt de Oosterbeekse psychiater Thomas Kraft (1918) deze man als zijn wonderlijkste patiënt. Merkwaardig. Temidden van zijn curieuze case-histories over psychiatrische patiënten is dit trieste geval juist heel erg herkenbaar. De rest van de casuïstiek is weliswaar amusant en anekdotisch, maar zij overstijgt zelden het niveau van aapjes kijken.

De auteur weet vrijwel nergens tot de innerlijke drama's door te dringen. De badinerende toon en het overvloedige gebruik van verkleinwoorden zijn bovendien ergerniswekkend. Door al het minzame gekeuvel over debiele schepseltjes, aardige erfenisjes en stakkers met een hysterische breakdown begin je steeds meer te verlangen naar dieper inzicht in de achtergronden.

Overigens vormt het gunstige effect van de antipsychotica bij de contactschuwe academicus een ondersteuning voor de diagnose schizofrenie, ook al trekt de schrijver die nu juist in twijfel. Volgens hem moet de oplossing op een heel ander terrein worden gezocht, bijvoorbeeld in Winti-therapie of exorcistische rituelen. Dat lijkt me raar. Dat de man geen stemmen hoorde, wat meestal wèl het geval is bij schizofrenie, en zijn vreemde bewustzijnsdalingen, maken het stellen van de juiste diagnose inderdaad niet eenvoudig. Gezien de contactstoornis, achterdocht en het feit dat hij door antipsychotische medicijnen iets socialer werd, moet hij naar mijn idee wel degelijk aan schizofrenie hebben geleden.

Grondiger is 'Een gevoel apart' van de Amerikaanse psychiater Peter Whybrow over depressies en andere stemmingsstoornissen zoals kraambedpsychose, postpartum-depressie en manisch-depressieve ziekte of bipolaire stoornis van het type I en II, dysthymie en cyclothymie. Niet elke stemmingswisseling is ziekelijk, betoogt Whybrow. “Wisselende stemmingen vormen de kern van het leven. Stemmingsstoornissen verstoren en veranderen echter de kern van iemands wezen. Na eeuwen van stilte worden er nu vragen gesteld. Wanneer zijn neerslachtigheid en stemmingswisselingen signalen dat je aan een ernstige ziekte lijdt?”

Gedegen gevalsbesprekingen zoals van de in Parijs geboren Claire Dubois lopen als een rode draad door het verhaal. Knap vervlecht Whybrow de psychoanalytische en cognitieve theorie over depressies met bevindingen uit de biologische psychiatrie, zoals de centrale betekenis van de amandelkern in de hersenen voor de stemming.

Dat depressies vaak veel langer duren dan zes weken van de meeste medicijnonderzoeken blijkt uit het nogal specialistische maar voortreffelijke 'The Management of Depression' van Engelse bodem. De auteurs bespreken indivuele gevallen van hardnekkige depressie die soms met succes behandeld worden met combinaties van antidepressieve medicatie met lithium, een MAO-remmer of electroshock-therapie.

Wie eenmaal een casus van Freud heeft gelezen, durft zelf nooit meer een letter op papier te zetten. Uit een recente heruitgave blijkt dat zijn 'ziektegeschiedenissen' nog steeds springlevend zijn. Ook al is het meeste van Freuds theorie niet houdbaar gebleken en de psychoanalyse als algemene psychologie mislukt.

Aan Freud danken we het besef hoe belangrijk het innerlijk leven is van een mens, zegt de Amsterdamse psychoanalyticus Van Dantzig in de inleiding bij de ziektegeschiedenissen. “Misschien heeft Freud zich soms vergist, maar zijn vergissingen hebben meer allure dan de meeste waarheden van gewone mensen, en het is een genot zijn scherpzinnige en inventieve geest te volgen op deze ontdekkingstochten.”

Het grondprincipe van de psychoanalyse is niet verdrongen wensen alsnog proberen te vervullen, maar om ze bewust te maken en de patiënt in staat te stellen een aanvaardbare oplossing te vinden, of te leven met het bewustzijn van een onvervulbare wens en de rouw daarover.

Van de vijf gevallen neem ik er twee onder de loep. Daarbij blijkt Freuds interpretatie van de achtervolgingswaan van de rechter Daniel Paul Schreber (1842-1911) minder ver gezocht dan ik altijd heb gedacht. Freud heeft Schreber in werkelijkheid nooit ontmoet. In 1903 publiceerde Schreber 'Denkwürdigkeiten einer Nervenkranken', enige tijd na zijn ontslag uit het gesticht waar hij negen jaar lang opgenomen was geweest.

Kort na zijn huwelijk op 36-jarige leeftijd had hij last van hypochondrische ideeën gehad. Op zijn 42ste, nadat hij bij de verkiezingen voor de Rijksdag vernietigend was verslagen, werd hij een half jaar opgenomen in de universiteitskliniek van professor Flechsig (1847-1921) in Leipzig met een ernstige depressie (toen nog melancholie genoemd). Hij herstelde volledig. Sindsdien vertoonde zijn carrière een opgaande lijn.

Op zijn 51ste, een paar maanden nadat hij begonnen was als Senatsprüsident in Dresden (een hoge functie bij de rechterlijke macht), meldde Schreber zich opnieuw bij Flechsig met slaapstoornissen, achterdocht met af en toe hallucinaties en de gedachte dat hij aan hersenverweking leed. Flechsig vertelde hem dat hij zich over zijn slaapproblemen geen zorgen hoefde te maken. De slaapstoornissen bleven ondanks hoge doses slaapmiddelen vrijwel onafgebroken bestaan. Later groeide Flechsig uit tot de kwade genius in Schrebers paranoïde waansysteem.

Als je Freuds raad opvolgt om eerst Schrebers boek grondig te bestuderen moet je eenvoudig toegeven dat Schrebers waanideeën jegens Flechsig berustten op verdrongen homoseksualiteit. Schreber meende de enige mens op aarde te zijn en de verplegers waren slechts 'in elkaar geflanste' mannen die niet werkelijk bestonden. Hij werd 's nachts voortdurend bestraald en hij meende in contact met God en 'de beproefde' zielen van overleden mensen te staan. Hij dacht in zijn waan dat hij in een vrouw veranderd was. Door hem zou een nieuw mensengeslacht ontstaan.

Veel indrukwekkender dan het punt van de verdrongen homoseksualiteit vind ik Freuds inzicht dat Schrebers hele boek is doortrokken van de bittere aanklacht dat God, alleen gewend aan de omgang met gestorvenen, de levende mens niet begrijpt.

Schreber moet zich in zijn waan eenzaam hebben gevoeld. Na zijn ontslag in 1902 uit de kliniek ging hij bij zijn moeder wonen en bijna geen dag is hij zonder stemmen geweest. Een half jaar na haar dood en kort nadat zijn vrouw een beroerte kreeg, werd hij in 1907 in het gesticht in Dösen opgenomen wegens slaapstoornissen en het horen van harde geluiden. Daar overleed hij op 14 april 1911 wegens benauwdheid en hartfalen.

Bij obductie bleek de doodsoorzaak longgangreen. De psychiatrische diagnose luidde paranoia, thans meer bekend als waanstoornis, waarbij de persoonlijkheid redelijk intact blijft. Op grond van de symptomen - zoals gehoorshallucinaties, katatone verschijnselen, vreem hard lachen, achterdocht, psychische verzanding en uiteindelijk verstilling - zou men nu de diagnose schizofrenie stellen. Of zoals toen gebruikelijk: dementia praecox.

De tweede patiënt was de 23-jarige Russische aristocraat Sergei Pankejeff (1877-1979) uit Odessa die Freud in 1910 consulteerde en die bijna viereneenhalf jaar bij hem in psychoanalyse is geweest. De Rus bleek verstrikt geraakt in dwangverliefdheden die van hem een afhankelijke man hadden gemaakt die niet meer in staat was een normaal leven te leiden. Pankejeff was toen al bij de beroemde psychiaters Theodor Ziehen in Berlijn en Emil Kraepelin in München geweest.

Op zekere dag vertelt hij Freud: “Ik heb gedroomd dat het nacht is en ik in mijn bed lig, (mijn bed stond met het voeteneinde naar het raam gekeerd, voor het raam stond een rij oude notenbomen. Ik weet dat het winter was, toen ik droomde, en nacht). Plotseling gaat het raam vanzelf open, en ik zie met grote schrik dat in de grote notenboom voor het raam een paar witte wolven zitten. Het waren er zes of zeven. De wolven waren helemaal wit en zagen er eerder uit als vossen of herdershonden, want ze hadden lange staarten zoals vossen en hun oren stonden overeind zoals bij honden wanneer ze op iets zijn gespitst. Ten prooi aan hevige angst, blijkbaar omdat ik bang was door de wolven te worden opgevreten, schreeuwde ik het uit en werd wakker. (. . .). Ik geloof dat dit mijn eerste angstdroom was. Ik was toentertijd drie, vier, hoogstens vijf jaar. Tot mijn elfde of twaalfde jaar was ik sindsdien altijd bang in mijn dromen iets verschrikkelijks te zien.”

Freud was gefascineerd door het verschijnsel lupus erectus, de wolf rechtop met één poot naar voren stappend, zijn klauwen uitgestrekt en zijn oren gespitst. De droom verwees volgens Freud naar de oerscène, waarin de ouders van de 'Wolvenman' met elkaar de liefde hadden bedreven. Tegen Freud verklaarde de 'Wolvenman' zijn angst voor de droom doordat zijn oudere zusje hem vroeger altijd had geplaagd met de vreeswekkende afbeelding van een wolf uit een sprookjesboek.

Tegen het einde van zijn leven beweerde de 'Wolvenman' tegen de Weense journaliste Karin Obholzer dat niet hij maar Freud zelf getuige was geweest van de oerscène van zijn eigen ouders. In de aristocratische kringen waarin Pankejeff opgroeide sliepen kleine kinderen nooit bij hun ouders op de kamer. Van Dantzig gelooft evenmin Freuds seksuele duiding van de droom, maar wel dat het voor het kind beangstigende gedrag van de ouders eraan ten grondslag lag.

In 'Freud en zijn patiënten' (1985) schrijft de Utrechtse psychoanalyticus Harry Stroeken hoe het verder ging met de 'Wolvenman'. De rest van zijn leven is hij in Wenen gebleven. Volgens Stroeken heeft de Rus zich dankzij de analyse kunnen handhaven in de maatschappij. Herhaaldelijk bezocht de 'Wolvenman' diverse analytici voor een steunend contact, waarbij hij hen tegen elkaar probeerde uit te spelen zoals borderline patiënten vaak doen. De ambivalentie, de enorme twijfel, het narcisme en de dwangverliefdheden verdwenen niet. Desondanks heeft hij tot zijn pensioen gewerkt en woonde hij tot zijn negentigste zelfstandig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden