Review

Veelzeggender kan een gedicht niet zwijgen

'Viewmaster' is het debuut van de in 1960 geboren Co Woudsma. De titel wijst er al op dat er in zijn gedichten veel wordt gekeken. Een viewmaster is een speelgoedkijker waarmee de jeugd van vóór de spelcomputer opvoedkundig verantwoorde verstrooiing kreeg aangeboden in de vorm van dia's van allerhande sprookjesfiguren, exotische volken en dergelijke.

PETER DE BOER

Op het eerste gezicht lijkt Woudsma het intiem onschuldige karakter van zulke voorstellingen in zijn poëzie bewaard te hebben. Zijn gedichten hebben inderdaad iets van plaatjes waarin stukjes werkelijkheid overzichtelijk geordend en veilig omkaderd zijn. Al in het eerste gedicht wordt bijvoorbeeld het straatgewoel waargenomen als 'twintig schilderijen van de straat'. Elders wordt van een Frans havenstadje gezegd: 'Een strakke lijst / bewaart dit voor het tijdelijk bestaan'.

Woudsma, die overigens kunsthistoricus is, lijkt de zaken in zijn woordschilderijtjes dus allereerst goed op orde te willen houden. Hij schrijft zowel gebonden als vrije poëzie, maar zelfs die vrije verzen zijn al met al nog behoorlijk regelmatig. Ook de thematiek - tijd, teloorgang, de natuur - is tijdeloos traditioneel. Er waren dan ook oude, eerbiedwaardige schimmen door deze poëzie. Een sonnet als 'Kersthaas' grossiert in een soort zwarte humor à la Vestdijk. Elders valt een gematigd surrealistisme als van Hendrik de Vries en een navrante romantiek als van Slauerhoff waar te nemen.

Maar is Woudsma's poëzie wel zo vooropgezet knus en ordelijk als zij lijkt? In een gedicht als 'Madurodam' zeker. De titel alleen al roept een sfeer op waarin het voor het kleine en kwetsbare goed toeven is. Zelfs de dood is op deze bescheiden schaal zo ontzagwekkend niet meer getuige de slotregels: 'Het leven is er niet te groot, / de mensen gaan er heel klein dood'. Ondanks de lichte ironie komt het gedicht niet van zijn kleine onderwerp los: de grote boze buitenwereld - ons dagelijks decor toch - wordt zorgvuldig buiten de deur gehouden. Iets dergelijks gebeurt in 'De theetuin', dat zich eveneens met biedermeyer allure van de werkelijkheid afschermt, al is de ironie hier sterker dan in 'Madurodam'.

Veel vaker echter weet Woudsma zijn poëtische miniaturen naar de verwarrende werkelijkheid toe open te breken. Dat gebeurt altijd met licht absurdistische wendingen, waardoor een subtiele mix ontstaat van beschutting enerzijds en een gevoel van ontheemdheid anderzijds. Zo roept 'Kruising in Bussum' een heel herkenbaar en toch vervreemdend beeld van verkeersdrukte op dat vooral in de slotstrofe surreëel opwiekt:

Meisjes te fiets, huiswaarts met sticks, met cellokist (vol biefstuk), naar donkergroen met schommels, naar conische bomen.

Die meisjes met hun sticks passen op zichzelf nog wel in het emotionele plaatje van bijvoorbeeld 'Madurodam', maar de inhoud van hun cellokist is zo onverwacht vleselijk dat elke zweem van braafburgerlijkheid spoorslags verdwijnt. In een ander gedicht wordt de idylle van het moderne natuurbehoud, een wereld 'geloof' met grote aanhang, komisch verstoord in de regels: 'Gelukkig wordt het groen op tijd doorsneden door / geruis van snelverkeer. Daar bloeit een gele schelp! / Ik ruik benzinedamp: een menselijke geur'. Zo levert het lelijke logo van Shell dan toch nog eens iets moois op.

Voortdurend dringen komische vervreemding en bevrijding zich aan Woudsma's woordprenten op. Dan is er sprake van 'een tjilpend uitzicht', of van 'beroeide sloten', of van een streek waar 'men gras verbouwt'. En dan wordt de veelheid der dingen niet langer buiten beeld gelaten. 'Alles is velerlei en spiegelt zich / in iets'. Uiteindelijk legt het arcadische, Madurodam-achtige het maar al te vaak af tegen de werkelijkheid. De dichter stuurt daar zelfs bewust op aan, want: 'Je mist (. . .) de zin / van dit Arcadië'. Hoe ónarcadisch is dan ook het bekroosde vijvertje uit 'Arcimboldo': 'Geen vogel doet het aan, / insecten blijven uit de buurt, / wolken beelden zich er niet in af, / laat staan dat jij je uitkleedt en je baadt / in dat beschaafde kratertje met water en met kroos'. En hoe bedreigend is de burleske schijnidylle van 'Naseizoen'.

Hoog in het hotel, hoog in de nacht, met

links de lege zee en rechts het stadje, door dit perspectief ontvolkt, bestel ik kip, vers van het strand, voor jou een zeehert.

Dan een schrijn met flessen wilde wijn: 'Ik zou de duurste nemen als u mij was', zegt de ober met een goedgekozen Frans accent. Zo simpel kon geluk zijn

als hier verder nog wat mensen zaten, was niet elke kamer vrij, verdwenen wij niet, vrolijk door likeur, in een lift- loze schacht, misprijzend nagekeken.

Dit gedicht slaat opgewekt en virtuoos de bodem weg onder de braafheid die poëtische miniatuurkunst doorgaans eigen is. Woudsma poëzie is dan ook gewaagder en paradoxaler dan op het eerste gezicht het geval lijkt.

De bundel eindigt, in het titelgedicht 'Viewmaster', geheel in stijl met een sprong in het ongewisse. Hierin bekijkt de volwassen geworden dichter de dia's van weleer en constateert dat hun magie thans niet meer werkt. Hij wordt niet langer opgenomen in wat hij ziet. De slotregels eindigen letterlijk in het niets: 'Ik haal de laatste schijf eruit, kijk / in het lege apparaat en zie:' Einde gedicht, einde bundel. Veelzeggender kan een gedicht niet zwijgen. De dichter komt het paradijs van zijn jeugd niet meer in en moet zich in de leegte van het heden zien te redden. En dat doet hij met een verve, in een compact en volwassen debuut.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden