Review

Vastgesnoerd in de achtbaan

In zijn essaybundel 'Familieportret' eerde Atte Jongstra als zijn literaire voorvaderen onder meer Willem Brakman en Lawrence Sterne. Twee auteurs die je moeilijk tot de doorsnee psychologisch-realistische school kunt rekenen.

Integendeel, voor hen is schrijven niet zozeer het beschrijven van herkenbare scènes alswel het exploreren van de eigen literaire verbeelding en extase. Het is goed om dat te bedenken als je in Jongstra's jongste pil 'De tegenhanger' begint, want dat is zonder meer een van de raarste en meest buitenissige boeken in de Nederlandse letteren van de laatste jaren. Bereid je voor op een waterval aan even grappige als onbegrijpelijke scènes, op eindeloze exercities door dromen en wanen, op lyrische explosies waarin godsvrucht en ongebreidelde seks hand in hand gaan. Markies de Sade en Rabelais zijn andere auteursnamen die je bij dit boek te binnen schieten.

Het begint allemaal redelijk kalm. Psychiater Atte Jongstra is getrouwd met de wat oudere maar mooie Mary. Al na een paar bladzijden bekent ze hem een verhouding te hebben met Jongstra's collega Lemnik, want Jongstra heeft haar jarenlang emotioneel verwaarloosd. De bedrogen psychiater raakt prompt het spoor bijster, zoekt op internet extreme pornosites af, beproeft zijn eigen hormonen en wordt tot overmaat van ramp belaagd door een patiënt, een zekere Hudiger (die we uit Jongstra's vorige roman 'Hudigers hooglied' hebben overgehouden), die hem terroriseert door zelfgeschreven verhalen voor te lezen en zijn gangen te volgen. Allengs komt Jongstra erachter dat Hudiger zijn eigen schaduw, zijn 'tegenhanger', is. Paranoïde van alle verdenkingen belandt de psychiater in een krankzinnigeninrichting.

Tot hier toe blijft het allemaal nog redelijk binnen de perken en valt het verhaal te vergelijken met andere dubbelgangersromans als 'Despair' van Nabokov of zelfs 'De donkere kamer van Damocles' van Hermans. Maar Jongstra gaat verder en grijpt het verhaal aan om de lezer vervolgens langs tal van wonderlijke geschiedenissen te leiden, of zeg maar te sleuren. Zo blijkt de therapie in dolhuis Pappenheim te bestaan uit een mengsel van rooms-katholieke terreur en ongebreidelde seks (in welke passages de auteur overigens schrijvers als Giphart en Brusselmans makkelijk achter zich laat - opwindend is het niet, wel hilarisch). De slopende zoektocht naar zijn vrouw, die hij allengs meer dreigt te vergeten, brengt hem ten slotte, na een mislukte reis naar Lourdes, in Hotel Céleste (waarin de lezer rustig een verwijzing naar de hemel mag lezen) vanwaar Jongstra onder meer een toren probeert te bouwen om in de nabijgelegen stad zijn Mary te bespieden. Het verhaal is dan allang niet meer te volgen, de personages rollen van de ene groteske situatie in de andere, werkelijkheid en verbeelding lichten elkaar voortdurend beentje.

Een janboel ja, maar ook een boek dat je op een ongebruikelijke manier bezighoudt. Net zoals in Sterne's beroemde roman 'Tristram Shandy' gaat het in 'De tegenhanger' helemaal niet meer om de geschiedenis zelf maar uitsluitend om de manier waarop dingen verteld worden: het zijn woorden rond nauwelijks te herleiden gebeurtenissen. Het lezen ervan is niet zozeer een rationele of psychologische aangelegenheid alswel een literaire uithoudingsproef. Verhalen bolderen pointeloos over elkaar heen, het ene tafereel lijkt schaamteloos op het andere, personages komen op en verdwijnen weer zonder nadere uitleg. En wat je er ook van vindt, welk touw je er ook aan probeert vast te knopen, je zit onmiskenbaar vastgesnoerd in deze hotsende literaire achtbaan.

Liever dan te pogen een samenvatting van het verhaal tot een goed einde te brengen kun je een aantal procédé's signaleren, bijvoorbeeld Jongstra's neiging (alweer à la Sterne) om oubollige titels te bakken: 'Waarin oude verhalen worden verteld' bijvoorbeeld of 'Verkwikkende mededeling van een hotelbewoner die Jongstra uit de slaap houdt'. Ook stuit de lezer geregeld op lijstjes van het een en ander, of het nu planten, edelstenen, pornosites of enge ziektes zijn. Dat wijst op een andere eigenschap van dit soort literatuur: het is een optelsom eerder dan een synthese van iets. Verder wordt er gesold met vertelvormen, bijvoorbeeld in de volgende zogenaamd opgewonden seksgeschiedenis waar alle vuur aan ontbreekt: ,,Ze had me op de bank helemaal zitten opgeilen, dus daar liep ik dwars door die club met een stijve paal en twee giechelende dames. Op de kamer merkte ik dat ze het wel eens vaker samen met een klant hadden gedaan, ze waren een goed op elkaar ingespeeld team. Ik moest gewoon op mijn rug gaan liggen en zouden me dan wel onder handen nemen. Wat is dat geil zeg, als twee meisjes je tegelijkertijd pijpen, normaal zie je dat alleen op films.''

Niks aan dus, duffe porno en dat is ook precies de bedoeling. Literatuur is in Jongstra's handen een soort spellendoos, waaruit hij nu eens dit dan weer dat haalt. Hij gaat z'n gang maar, praatziek en fantasievol, lapt vertelregels en literaire smaak aan z'n laars en doet of zijn lezer niet bestaat. Maar intussen bakt hij wel een miraculeus, volstrekt 'ander' boek waarvan je na afloop net zo zit te suizebollen als de hoofdpersoon Atte Jongstra zelf.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden