Review

Van Plato tot Fukuyama

Het laatste boek van de filosoof en geschiedkundige J.H.J. van der Pot telt duizend bladzijden en is een schatkamer aan aforismen uit de wereldliteratuur over de zin der geschiedenis.

door Jaap van Bergeijk

Kort voor zijn dood legde Johan Hendrik Jacob van der Pot (1918-1999) de laatste hand aan de drukproeven van zijn geesteskind over de zin en periodisering der geschiedenis. Eindresultaat van een indrukwekkend levenswerk. Ervaringen als politiek gevangene in zes concentratiekampen in de jaren 1944-1945 drukten hun stempel op een arbeidzaam leven in dienst van systematisch doordenken en ordenen van geschiedfilosofische vragen.

Zijn in 1951 verschenen dissertatie 'De periodisering der geschiedenis, een overzicht van theorieën' vormde daartoe in zekere zin reeds de opmaat. Zo'n vijfendertig jaar nadien verscheen bij wijze van 'uit de hand gelopen' onderbreking zijn monumentale, kritische werk over de historische voortgang der techniek ('Die Bewertung des technischen Fortschritts'). Deze geschiedfilosofische goudmijn op het gebied van techniek-ontwikkeling annex mens-en milieuvraagstukken verscheen enige jaren later ook in Engelse vertaling.

In het nu voorliggende werk hebben eruditie, wetenschappelijke bevlogenheid, volharding en nauwgezetheid wederom tot een imposant resultaat geleid. Het boek verschaft een sleutel tot het denken van een keur van geleerden die zich in de loop der eeuwen over de historische zinvraag en tijdperk-indeling hebben uitgesproken. Van der Pot heeft zich daarbij niet tot zijn naaste vakgenoten, de historici en de filosofen, beperkt. Ruimschoots aan bod komen ook vooraanstaande beoefenaars van andere geesteswetenschappelijke herkomst, onder wie pedagogen, sociologen, politicologen, etnologen, economen, godsdienstfenomenologen, theologen, en niet te vergeten de literatoren en dichters. De precisie waarmee hij te werk is gegaan om een onoverzichtelijke veelheid van geschiedfilosofische uitspraken in een overzichtelijke samenhang onder te brengen, maakt dit boek voor een breed spectrum van geïnteresseerden tot een betrouwbaar en stimulerend naslagwerk.

Dit springt onmiddellijk in het oog wanneer we letten op de 'boektechnische' hulpmiddelen die de schrijver benut heeft om het de lezer gemakkelijk te maken in het boek zijn weg te vinden. Hoofddelen, delen, subdelen, secties en inleidende paragrafen bieden het raamwerk voor de 372 zorgvuldig benoemde 'kapittels' die de ruggegraat van het geheel vormen. Behalve de gebruikelijke inhoudsopgave is een uitgebreid inhoudsoverzicht opgenomen dat er, samen met een personenregister, een zaakregister en een weldoordacht notenapparaat voor zorgt de zoekende lezer verrassend snel te brengen waar deze zich - ergens tussen Plato en Fukuyama -wil informeren.

Bij Anatole France (1844-1924) bijvoorbeeld. Deze vertelt het geestrijke verhaal van een Perzische koning, die ervan uitgaat minder fouten te zullen maken, wanneer hij de les der geschiedenis kent. Hij ontbiedt alle geleerden in zijn rijk ten paleize en stuurt hen naar huis met de opdracht een zo volledig mogelijke wereldgeschiedenis te gaan schrijven. Ze doen twintig jaar hun best en reizen vervolgens af om de koning het resultaat van hun huiswerk aan te bieden: zesduizend verhandelingen. Er moet een karavaan van twaalf kamelen aan te pas komen om de vrucht van het denk- en schrijfwerk te vervoeren. De koning bedankt het geleerde gezelschap voor hun arbeid maar voegt er meteen aan toe dat hij intussen een man van middelbare leeftijd geworden is en er menselijkerwijs niet op mag rekenen zo'n omvangrijk werk nog te kunnen lezen. De geleerden gaan dus opnieuw aan de slag. Na nog eens twintig jaar zwoegen is het werk teruggebracht tot vijftienhonderd verhandelingen. Voor het vervoer kan nu met drie kamelen worden volstaan. Opnieuw een dankwoord van de koning die inmiddels de leeftijd der bejaarden heeft bereikt en wederom kenbaar maakt het leeswerk niet meer te kunnen volbrengen. Tien jaar later komen de geleerden met een nogmaals ingedikte versie: vijfhonderd banden vervoerd door één olifant. De reactie van de hoogbejaarde vorst laat zich intussen raden. Nog maar een keer aan het werk, mijne heren. Vijf jaar later ontvangt de koning, nu op zijn sterfbed, de secretaris van het geleerde gezelschap, één ezeltje draagt één foliant. Ook deze omvang zal de krachten van de koning te boven gaan en hij stelt bedroefd vast, dus te moeten sterven zonder de les van de geschiedenis der mensen te kennen. 'Sire', zegt de secretaris troostend, 'ik zal die les in drie woorden voor u samenvatten: Zij werden geboren, zij leden en zij stierven'. En aldus gebeurde het, dat de koning van Perzië nog op het nippertje leerde wat hem zijn leven lang zo na aan het hart had gelegen.

Deze anecdote is opgenomen binnen het kapittel dat handelt over opvattingen die in de geschiedenis het blijvende in het veranderlijke onderstrepen. Ze behoren als zodanig tot de oudste vormen van geschiedfilosofisch denken. Van der Pot spreekt in dit verband van 'transhistorische identiteit'. Alle menselijk handelen zou berusten op herhaling van wat zich reeds in de verre oertijd heeft afgespeeld. Er is om met de Prediker te spreken in wezen niets nieuws onder de zon: 'Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden'. Deze opvatting wijst op een eeuwige wederkeer van het menselijk gebeuren.

Het standpunt van Prediker is de tegenpool van opvattingen waarin de geschiedenis als een lineair proces wordt gezien. Het is als zodanig in het hele Oude en Nieuwe Testament van de Bijbel de enige keer dat het transhistorische identiteitsprincipe gehuldigd wordt. Naast Prediker worden andere voorbeelden van transhistorisch identiteitsdenken genoemd onder wie Hsun Tzu, een leerling van Confucius, Thucidides, Marcus Aurelius, Machiavelli en diens tijdgenoot Guicciardini, de Franse advocaat Ayrault, de Duitse theoloog Arnold, de Duitse schrijver en natuurkundige Lichtenberg (ooit 'de aardigste en geestigste professor van Europa' genoemd), en ten slotte Goethe en Schopenhauer. Een bont gezelschap.

De wijze waarop Van der Pot de namen en daarmee verbonden gedachten in zijn boek vermeld, is exemplarisch voor alle overige geschiedfilosofische opvattingstypen die in zijn overzichtssystematiek een plaats krijgen. Steeds gaat een naam vergezeld van een beknopte bespreking, met als kern het illustratieve citaat. Deze werkwijze volgend verwerkt de auteur een rijkdom aan met elkaar samenhangende, vaak aforistisch geformuleerde uitspraken, binnen de context van zijn systematiek. Dit maakt het werk tot een ware schatkamer voor wie geïnteresseerd is in wat aan wereldliteratuur op geschiedfilosofisch terrein in de loop der eeuwen is voortgebracht.

Toekomstoptimistische en toekomstpessimistische geschiedenisopvattingen vormen de hoofdklassen in Van der Pots typologie. Daarbinnen onderscheidt hij tal van onderklassen. Ze worden na een inleidend hoofddeel aan een kritisch onderzoek onderworpen, waarbij opvalt dat de schrijver gelijk- en ongelijkgezinden alle gelegenheid biedt de kern van hun zegje te zeggen, zonder hen evenwel voor de voeten te lopen. Aldus gidst hij de lezer op bekwame wijze door een imposant geschiedfilosofisch museum. Een aanzienlijk deel van de museale ruimte huisvest de rijkdommen van het toekomstoptimistische gedachtegoed. Het joods-christelijke denken over de zin der geschiedenis krijgt hier in het voetspoor van een groot aantal prominente denkers, onder wie Buber, Rosenzweig, Miskotte, Von Rad, Moltmann, Schoeps, het volle pond. Voer voor een ruime kring van praktisch zowel als theoretisch gerichte theologen en aanverwante 'menswetenschappers'!

In het vierde en laatste hoofddeel van het boek krijgen we als het ware gelegenheid kennis te nemen van het grote gastmaal der critici. Totale loop en alomvattend einddoel der geschiedenis - wat kunnen we in wezen daaromtrent weten? 'Weinig', roepen gematigde en minder gematigde agnostici op geleide van onder anderen Dilthey, 'wees bescheiden, koester geen illusies'. De sceptici gaan nog een stap verder, zij stellen in het voetspoor van Voltaire vast dat de geschiedenis slechts één zinloze aaneenrijging van misdaden, dwaasheden en ongelukken te zien geeft. Maar ook voluntaristen mengen zich in het gesprek: 'Niet zo somber' - horen we Popper roepen - 'waar het op kortere of langere duur op uit zal lopen, dat hebben we zelf in de hand. De toekomst ligt niet op ons te wachten, ze moet door ons gemaakt worden.' En vervolgens laten ook de perspectivisten zich horen. Zij huldigen het standpunt van de 'eigenwaardeleer' (Eigenwertlehre), een enigszins moeilijk vertaalbaar woord, dat heenwijst naar de waarde en waardigheid van de mens die hier en nu, of daar en toekomstig, iets waardevols tot stand kan brengen. Elke periode in de geschiedenis heeft dienovereenkomstig haar eigen waarde. Het is vooral de vermaarde Leopold von Ranke (1795-1886), die hier met gezag het woord voert: 'Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott': Het menselijk bedrijf speelt zich af - in ieder tijdperk en in onmiddellijke zin - voor het aangezicht van God. De geschiedenis verschijnt hier als mensheidomvattend geestesproces, waarin het 'leren leven voor Gods aangezicht' centraal staat.

Wanneer we lezen hoe Van der Pot aan het eind van zijn educatief stimulerende levenswerk de balans opmaakt, wordt duidelijk dat hij zich onder voluntaristen en perspectivisten het meest thuis heeft gevoeld, maar het gezelschap van de overigen bepaald niet wilde missen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden