Ack van Rooyen.

InterviewAck van Rooyen

Van pensioen wil Ack van Rooyen (90) niets weten. ‘Converseren in de muziek, dat leer je pas als je ouder wordt’

Ack van Rooyen.Beeld Phil Nijhuis

Bugelspeler en trompettist Ack van Rooyen (90) nam de afgelopen dagen samen met het Metropole Orkest een nieuwe plaat op. Als een ode aan zijn ruim zeventigjarige jazzcarrière – en die van zijn overleden broer Jerry. ‘Het is waarschijnlijk mijn laatste grote album.’

‘The older I get, the better I was.’ De prikkelende spreuk hangt in een klein lijstje tussen kunstwerken in Ack van Rooyens serre. Het is een mooie knipoog naar de plots aangewakkerde belangstelling voor zijn ruim zeventigjarige carrière. Onlangs won de negentigjarige musicus de Buma Boy Edgar Prijs, de belangrijkste jazzprijs van Nederland.

De hernieuwde aandacht is overdonderend, zegt hij, buiten in zijn tuin in het Haagse Statenkwartier. “Soms zelfs behoorlijk te veel. Al die jazzbladen uit het land. Met vaak steeds dezelfde vragen. Dan zeg ik: op mijn website, daar staat alles al op. Maar nee, nee, ze willen het zelf doen.”

Voor alle duidelijkheid: Van Rooyen is allesbehalve een brompot. Een grapje met zijn zachte, licht broze stem of een guitige lach ligt steeds op de loer. Als de fotograaf in de woonkamer ‘een mooi plekje heeft gevonden’ voor een foto, zegt de trompettist droogjes: “Ja, zeker een mooi plekje, maar daar slaap ik al.”

Van Rooyen slaapt beneden sinds zijn vrouw, de Amerikaanse zangeres Barbara Field, vorig jaar maart overleed. Hij mist haar ongelooflijk, het verlies is nog erg vers. Ack en Barbara waren meer dan zestig jaar samen. Toch moet hij grinniken als hij de woorden van jazzmusicus Kenny Wheeler aanhaalt: “That must be the longest marriage in jazz.

Belichaming van de Nederlandse jazzgeschiedenis

Beneden weet hij zich omringd door talloze foto’s van Barbara. En niet te vergeten: zijn platenspeler en instrumenten. Een contrabas, een piano. En op de kruk zijn bugel, speciaal voor hem gemaakt door instrumentmaker Hub van Laar. Met de bugel heeft hij al zeventig jaar een verbintenis. Want Van Rooyen blaast nog altijd, bijna elke dag. Tot de coronacrisis trad hij nog op met jonge muzikanten. Zijn workshops aan het Haagse conservatorium geeft hij nu online.

Met zijn bugel en trompet zag hij zowat de hele wereld: hij woonde jaren in Parijs, Berlijn, Stuttgart en Keulen. Hij soleerde in talloze internationale jazzorkesten: het Aimé Barelli Orchestra bijvoorbeeld. Of de WDR Big Band. Het Clark Terry Orchestra. Hij deelde het podium met de groten der aarde: Miles Davis, Dizzy Gillespie en Gil Evans.

Volgens de jury van de Buma Boy Edgar Prijs is hij in zekere zin de belichaming van de Nederlandse jazzgeschiedenis. Uit het juryrapport: “Zijn bijdrage als solist aan de Nederlandse jazzorkesten leest als een overzicht van grote jazzensembles waarin traditie en vakmanschap op handen worden gedragen: The Ramblers, The Skymasters, The Hague Jazz Project, The Netherlands Concert Jazz Band, het Dutch Jazz Orchestra en het Metropole Orkest.”

Tweede Wereldoorlog

Als jonge tieners gingen broers Jerry en Ack, geboren op Oudjaarsdag 1928 en Nieuwjaarsdag 1930, bij het Haagse orkest. Daar was het overigens niet direct een uitgemaakte zaak dat Ack de bugel zou krijgen. “Het was de Tweede Wereldoorlog. We moesten wachten tot er een instrument vrijkwam doordat iemand overleed. Of als iemands vrouw het niet meer uithield.”

Eerst kreeg Van Rooyen een altsaxofoon toegewezen, maar “daar zaten te veel kleppen op”, vond hij. Hij moest en zou uiteindelijk die bugel hebben. Waarom? “Ja… het is toch net een mooie dame?” Hij lacht. “De klank is zo warm en rond!”

“De bugel is als de altviool bij de strijkers, hij is minder strijdvaardig dan de trompet. De trompet vraagt erom de oorlog mee in te gaan.” Hij imiteert een daverende trompetmars. “Tatatata! Weet je wel. Ik heb ook mijn hele leven trompet gespeeld, maar als ik moet soleren, dan pak ik toch altijd de bugel.”

Na een aarzeling noemt hij zichzelf zachtmoedig, niet zo strijdvaardig. Zijn bescheiden karakter is ook terug te horen in zijn lyrische speelstijl, oordeelde het juryrapport. Met zorgvuldig uitgekozen noten. Helder. Elegant. Subtiel. Ingetogen. Zonder effectbejag. “Daar is alles al mee gezegd.”

Bebop in Batavia

Op zijn zestiende, in 1946, reisde hij samen met zijn broer Jerry naar Nederlands-Indië, als lid van het orkest Tom van der Stap en zijn Witte Raven. “Daar zaten we vlak achter de frontlinie, overal waar de Nederlandse troepen doorstootten, traden we op voor de soldaten, met muziek geïnspireerd op Glenn Miller. We hadden geen idee hoe gevaarlijk het eigenlijk was, maar als je zo jong bent… voor ons was het een compleet avontuur.”

“In Batavia maakten we vrienden die op het Amerikaanse consulaat werkten. Zij hadden van die V-discs waar de muziek van Amerikaanse bigbands op stond. En bebop.” Voor het eerst kwamen ze in aanraking met de complexe ritmes en harmonieën van Dizzy Gillespie, Charlie Parker.

“We wisten niet wat we hoorden, mijn broer en ik, we probeerden het te ontleden, op te schrijven en na te spelen. Wat natuurlijk niet lukte. Nee. Bebop heeft misschien een wat onfortuinlijke naam, maar het is zeer hoogwaardige muziek.”

Op studentenuitwisseling trokken de broers in 1949 naar New York. Daar kwamen de V-discs tot leven. “Wat daar over je heen kwam, in die clubs, blauw van de rook… ongelooflijk, de grote namen: Fats Navarro, Charlie Parker, Stan Getz. In de pauze stonden ze op straat een sigaretje te roken. Een fotograaf maakte foto’s, die kon je dan tien minuten later kopen. Ik heb er geloof ik nog wel eentje liggen. Ja, schoorvoetend knoopte ik een gesprekje aan met Fats. Of nou ja, ik stond aan de grond genageld. Maar ze waren allemaal heel vriendelijk.”

Van Rooyen studeerde datzelfde jaar ook cum laude af aan het conservatorium en sloot zich als tiener ‘tussen die oude heren’ aan bij het Gelders Orkest. Maar na zijn militaire dienst kon hij niet anders dan zich terugtrekken. De jazz, de bebop riep. “Ik wilde met mijn jongens optreden: met mijn broer Jerry, met Wessel Ilcken, Toon van Vliet, Cees See, Rob Pronk en Rob Madna.”

Broer Jerry, in 2009 overleden, wierp zich op tot arrangeur, componist. “Jerry was een interessante kerel, hij was helderhorend. Hij schreef zo de muziek over van de grammofoonplaat. Hij zag het orkest voor zich, hoorde de muziek. Schrijven, arrangeren, dat was zijn leven. We zijn eigenlijk altijd samen opgetrokken. Ik ging naar Frankrijk, toen heb ik ’m daar naartoe gehaald. En later ook naar Berlijn.”

Jerry van Rooyen schreef de muziek voor de Olympische Spelen in München, werkte met Marlene Dietrich, Quincy Jones, Stan Getz en Michel Legrand. Ook was hij gastdirigent- en arrangeur van het Metropole Orkest. En dan was Ack natuurlijk vaak de solist, in die hoedanigheid namen ze samen twee soloalbums op met het orkest.

‘Ode aan mijn broer en mij’

Producer Gert-Jan Blom luisterde onlangs naar de muziek van Van Rooyen met het Metropole en was onder de indruk. Blom benaderde de muzikant om opnieuw samen te werken. Deze week waren de opnames van de plaat die in december wordt gepresenteerd. “Het is eigenlijk een ode aan mijn broer en mij. De meeste composities zijn van Jerry. We spelen stukken van toen en nu. Ja, leuk hè. Het is waarschijnlijk mijn laatste grote album.”

Van een pensioen moet hij niks weten. “Ik kan het nog goed bijhouden, ik speel natuurlijk niet meer zoals toen ik dertig was. Maar je krijgt een andere kwaliteit als je ouder wordt. Rijper, belééfder. Je leert dingen weg te laten, overbodige noten. Als je meer weglaat, dan krijgt wat je speelt meer waarde.”

“Het laatste wat je leert als musicus is: wat hoor je van de andere muzikanten, terwijl je zelf speelt. Als je daarop ingaat, nou dan kom je op een heel ander level terecht. Dan krijg je een conversatie in de muziek. Daar heb ik heel lang over gedaan, om dat te begrijpen.”

Hoe dat komt? “Als je jonger bent, wil je haantje de voorste zijn. Dan sta jij voorop, de rest speelt mee. Maar je moet de samenspraak zoeken. Muziek is net als een gesprek gebaseerd op vraag en antwoord. Samen vertel je een verhaal.”

Zaterdag 19 september treedt Ack van Rooyen op met het Metropole Orkest in het Utrechtse Tivoli Vredenburg.

Lees ook: 

Dit is waarom het Metropole Orkest zo uniek is (en al 75 jaar bestaat)

Wat maakt ‘the world’s leading pop and jazz orchestra’ zo uniek? ‘Je wordt gedrágen door het orkest. Het zijn de allerbeste musici waarmee je mag werken.’

Voor een swingende president van de Verenigde Staten: Vote Dizzy!

John Birks Gillespie (1917-1993) was een imposante trompettist en muziekvernieuwer, maar haalde op en naast het podium ook volop fratsen uit. Om die reden kenden meer mensen hem onder de bijnaam Dizzy Gillespie dan als John Birks.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden