Het Bureau

Van grapjas tot takkewijf: de types van Voskuil lopen nog op elk kantoor rond

Beeld Idris van Heffen

De treuzelaar, de grapjas, het takkewijf: in elk kantoor lopen dezelfde types rond. J.J. Voskuil zet ze in Het Bureau genadeloos herkenbaar neer. 

Binnenstappen in de wereld van Het Bureau is een bevreemdende ervaring. Vanuit onze eigen digitale hectiek beland je plotsklaps in een stoffig kantoor uit 1957. Het leven speelt zich daar nog af rond rammelende typemachines, vellen carbonpapier en reusachtige archiefkasten met kartonnen fiches. Een verdwenen, nostalgisch universum waar je vulpeninkt en gummetjes ging halen in het ‘kantoorbehoeftemagazijn’.

De jaren vijftig, dat waren heel andere tijden dan de onze. Of toch niet? Als je een paar bladzijden op die suffe burelen rondhangt, merk je al snel dat in essentie veel hetzelfde is gebleven. Of je nou een typemachinelint of een printercartridge vervangt, het blijft hetzelfde geklooi met niet-passende formaten en vieze vingers. Bovendien: op een kantoor zit je noodgedwongen tussen collega’s met elk hun eigen gebruiksaanwijzing. De botsende karakters uit 1957 verschillen niet wezenlijk van die van nu.

Roman in zeven delen

De zevendelige ­romancyclus Het ­Bureau begint in 1957. Dat is het jaar dat schrijver J.J. (Han) Voskuil in dienst trad van het Meertens Instituut in Amsterdam, een wetenschappelijk instituut dat de ­Nederlandse taal en cultuur onderzoekt. De reeks speelt zich grotendeels binnen de muren van dit instituut af; Voskuil werkte er dertig jaar. Het ­Bureau schreef hij tussen 1990 en 1995. De romanpersonages zijn gebaseerd op echte personen, onder wie naamgever van het instituut Piet Meertens (in de boeken Anton Beerta), Dick Blok (Jaap Balk) en Maartje Draak (Kaatje Kater). De reeks is als e-book nog verkrijgbaar.

Voskuil beschrijft de schepselen in zijn microkosmos met een genadeloze precisie. Het zijn af en toe net kinderen. Ze bewaken hun eigen territorium en hun pietluttige verworvenheden met hand en tand. Ze zijn jaloers zodra een collega een minieme gunst ten deel valt. En natuurlijk roddelen ze dat het een aard heeft. De zeven dikke delen van Het Bureau zijn samen goed voor 4,8 kilo kantoorleed, een bitter genot.

Constante bedreiging

Hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego, komt als nieuwe onderzoeker op Het Bureau werken aan de Atlas voor Volkscultuur. Wegens ruimtegebrek belandt hij op de kamer bij de directeur, meneer Beerta. Van deze oudere heer krijgt Maarten heel wat lesjes in kantoorpolitiek. Zeg bijvoorbeeld nooit ‘nee’ als een collega tijdens een vergadering een onwelkom voorstel doet, maar beperk je tot ‘ik zal er met belangstelling naar kijken’ – nog steeds een probaat middel voor wie zich ergens onderuit wil wurmen.

Ondanks alle wijze raad loopt het toch vaak gierend uit de hand. Maarten heeft geregeld aanvaringen met juffrouw Haan. Hij kan haar bloed wel drinken. “Blijf nog even staan!”, snauwt zij hem op een dag toe als ze hem een verwijt wil maken. Maarten voelt zich vernederd als een hond. Pas ’s nachts in bed, waar hij nog nakookt van woede, vindt hij de vernietigende woorden die hij haar naar het hoofd had moeten slingeren.

Maarten ervaart zijn collega’s als een constante bedreiging. Zo is hij begin 1958 óp van de zenuwen als hij naar kantoor wandelt. Het is de eerste werkdag van het nieuwe jaar en hij maakt zich zorgen over de nieuwjaarsgroet. Een hand of een zoen? En wat doe je met de collega die je niet kunt luchten of zien? Maarten, de tobber bij uitstek, is welbeschouwd meer gemaakt voor het pensioen dan voor het kantoorleven.

Goddank verdwijnen veel kwelgeesten vanzelf, want Het Bureau kent een groot verloop. Er trekt een bonte stoet collega’s voorbij. Alleen al in deel 1 van de ­romancyclus kom je diverse archetypes tegen die je grofweg op elk kantoor aantreft: de hard pratende collega, de langdurig zieke, de stresskip … Je zou er een ‘typologie van de kantoorklerk’ uit kunnen destilleren. Dat hebben we hier dan ook geprobeerd.

1. De diplomaat

Directeur Beerta leidt Het Bureau met zachte hand. Hij zit slechts enkele jaren voor zijn pensioen en is de beminnelijkheid zelve, altijd een ironische glimlach om de lippen. Zijn hoogste doel: de rust bewaren, de kool en de geit sparen en ervoor zorgen dat niemand hem ergens op kan pakken. Bij conflicten bewandelt hij de diplomatieke weg. “Ik ben het helemaal met je eens”, zegt hij vaak, “maar we moeten er ook aan denken dat …”, enzovoort. Zijn vijanden houdt hij uit alle macht te vriend; zo kunnen ze de minste schade aanrichten. Hij verschuilt zich ook graag achter anderen, al krijgt hij daardoor met grote regelmaat het verwijt dat hij geen verantwoordelijkheid durft te nemen. Verder voelt hij haarfijn aan wanneer hij de strijd met een collega niet meer kan winnen. Dan reageert hij niet woedend, maar met onderkoeld venijn: “Ik heb je gewaarschuwd, dan moet je het zelf maar weten”, of “Je hebt me verraden, dit zal ik niet vergeten”.

2. De cynicus

Cynici kom je op kantoor in vele gradaties tegen, maar Maarten Koning is er een van de buitencategorie. Hij vindt zijn werk, het bestuderen van de volkscultuur, volstrekt zinloos. Niet zo verwonderlijk als je je bezighoudt met verhalen over kabouters en met boerenrituelen rond de nageboorte van een paard. Maar goed, redeneert hij, alles is beter dan het onderwijs.

Maarten gaat ook flink tekeer tegen de wetenschap. Hij vindt het een nutteloze bedrijfstak vol carrièrejagers die alleen maar uit zijn op status. Paradoxaal genoeg probeert hij zijn onderzoekswerk wel zo goed en zo nauwgezet mogelijk te doen. Nihilisme en gedrevenheid, een ongrijpbare combinatie.

Als collega’s enthousiast zijn over een nieuw plan, vindt Maarten het vaak maar onzin: een berg werk voor niks. Maar ja, hij wil natuurlijk niet altijd de pret bederven. Het lot van alle cynici is dan ook dat ze veel opkroppen.

3. Het takkewijf

“Wat zie je er weer verschrikkelijk uit. Kun je nou echt niet iets anders aantrekken op jouw leeftijd?”. Aldus juffrouw Haan tegen meneer Beerta. Ze zegt het zonder een greintje humor, want dat zit niet op haar palet. Haan is het prototype van de bitch – excusez le mot. De vrijgezelle dame getuigt van een enorme territoriumdrift, is erg statusgevoelig en maakt overal bezwaar tegen. Als Maarten een keer op een stoel is gaan staan om iets uit een kast te pakken, gaat ze direct bij de directeur haar beklag doen. En als ze voor haar werkzaamheden op Het Bureau een bandrecorder krijgt, in de jaren vijftig een noviteit, mag Maarten die absoluut niet lenen. Hij schaft er zelf maar een aan, roept Haan bits, hoewel het apparaat eigendom is van het instituut. Zelfs de altijd milde Beerta beklaagt zich over haar ‘moeilijke karakter’. “Maar ach”, verzucht hij tegen Maarten, “wees blij dat je niet met haar getrouwd bent”.

4. Het volkse type

De kantinejuffrouw, de secretaresse, de portier: elk kantoor kent ook zijn lagere goden. Het Bureau is gezegend met Cor de Bruin, de conciërge die twee keer per dag koffie langsbrengt. De Bruin is een joviale, volkse man. Hij praat, in plat Amsterdams, liefst eindeloos over voetbal. “De koffie van De Bruin is weer bruin”, is zijn vaste grap. Jiskefet avant la lettre. Maar zelfs deze doodgewone man blijkt gehecht aan status. Het stoort hem bijvoorbeeld dat veel collega’s een sleutel bezitten van de hoofdingang. Dat beschouwt hij als zijn persoonlijke privilege. Daarom vervangt hij onaangekondigd het slot, tot grote woede van Maarten.

5. De treuzelaar

Bart Asjes maakt op Het Bureau een flitsende entree als een intelligente werkstudent. Hij corrigeert zelfs enkele onnauwkeurigheden in Maartens onderzoek. Zijn grote manco komt pas geleidelijk aan het licht: Asjes maakt nooit iets af. Het is een treuzelaar van jewelste. Wanneer hij gaat afstuderen? Dat kan hij niet precies beloven. Of hij daarna bij Het Bureau in dienst wil komen? Oef, dan moet hij eerst even de statuten en reglementen bestuderen. Maarten wil hem graag bij het team hebben, maar Beerta waarschuwt: je krijgt grote moeilijkheden met die jongen, hij zal je eindeloos aan het lijntje houden. Beerta heeft nog nachtmerries van een andere treuzelaar, de heer Wiegel. Die werkte zeven jaar aan een project zonder dat er ooit iets concreets uit zijn handen kwam.

6. De stresskip

Verwant aan de treuzelaar is de stresskip, iemand die onder relatief geringe druk al in paniek schiet. In Het Bureau is deze rol toebedeeld aan de heer De Gruiter, bibliothecaris. Hij raakt al van de kook als iemand verzuimt een kartonnetje terug te plaatsen op de plek van een geleend boek. Zelfs wie hem tussendoor alleen maar even stoort voor een handtekening, krijgt de wind van voren. Als De Gruiter een keer vóór Kerst een enveloppe met data moet verwerken, roept hij dramatisch uit dat het absoluut onmogelijk is om zo veel werk in zo’n korte tijd foutloos te verrichten. Maartens conclusie, tegen Beerta: “Het is een zeikerd”. Beerta’s antwoord: “Dat woord zou ik niet gebruiken, maar het komt er dichtbij”.

7. De afhaker

Wie een tijdje op hetzelfde kantoor werkt, ziet in de loop der jaren veel collega’s vertrekken, niet zelden uit onvrede. De jonge Frans Veen is er zo een. Persoonlijke problemen heeft hij ook te over, als homoseksueel onder psychiatrische behandeling, maar zijn vertrek is toch vooral ingegeven door de vreselijke collega’s op Het ­Bureau. Hij houdt het in die nare sfeer niet uit. Cryptohomoseksueel Beerta heeft daar ook schuld aan, met zijn intimiderende gevis naar Veens seksuele moeilijkheden. Een treurige episode in het verhaal. Maar afhakers heb je overal. En met hun kritiek op de bedreigende jungle die het kantoor ook is, zetten ze je telkens toch even aan het denken: weggaan of blijven, wat is nou wijsheid?

8. De herriehater

Jaap Balk heeft moeite met collega’s die geluid maken. Een gesprek met af en toe een lachje op de achtergrond terwijl hij zit te lezen trekt hij al niet. Toch zegt Balk er niets van. Hij begint liever te lezen met stemverheffing, eerst nog zachtjes en dan steeds luider en driftiger. Vervolgens tikt hij zelfs met zijn vingertoppen op het bureau, op het ritme van de zinnen. Geluidsoverlast is er eigenlijk alleen maar erger op geworden met de komst van de kantoortuin, waarin het personeel dicht opeengepakt zit. Gelukkig is er nu de koptelefoon met antigeluid. En we hebben het thuiswerken tijdens de lockdown, wat voor de Balken onder ons best iets weldadigs heeft: even geen gekakel aan je kop.

9. De verstokte roker

Collega Pier Schaafsma steekt de ene sigaret met de andere aan. Juffrouw Haan verdraagt het niet langer, te meer omdat ze net in de krant heeft gelezen dat je van roken longkanker krijgt. Ze verstopt de asbak, maar Schaafsma pakt gewoon een schoteltje. Vervolgens stapt Haan naar directeur Beerta. Ze eist dat hij de roker tot de orde roept. Beerta durft niet. Hij vindt dat Maarten het moet doen, maar die weigert, want Schaafsma is een neuroot en neuroten kunnen nu eenmaal niet zonder sigaret. Uiteindelijk moet een lagere medewerker de roker op zijn gedrag aanspreken. Dat helpt iets, een paar dagen. Maar al snel zit Schaafsma weer op zijn oude niveau.

De strijd tegen het roken op de werkplek zou hierna nog tientallen jaren duren. En net toen het klaar was, konden we het nog eens dunnetjes overdoen met de e-sigaret. ‘Roken, daar komen we samen wel uit’, zo luidde ooit een campagne van de tabakslobby – een van de meest leugenachtige slogans uit de geschiedenis van de reclame.

10. De snordrukker

Je hebt ze nog steeds: collega’s die toevallig nét verhinderd zijn op afspraken waar ze geen zin in hebben. In Het Bureau is ene heer Rosiers degene die steeds zijn snor drukt. Deze schertsfiguur schittert in deel 1 uitsluitend door zijn afwezigheid, als een soort running gag. Telkens als de Commissie voor de Volkscultuur bijeenkomt, moet hij hoognodig een brief voor de minister schrijven, of iets soortgelijks. De overige leden van de commissie geloven niets van zijn smoesjes. Van zijn deskundigheid hebben ze ook al geen hoge pet op – dat krijg je als je er niet bij bent, dan ga je over de tong. “Over de vele deskundigheden van Rosiers zullen we het nu maar niet hebben”, zegt voorzitster Kaatje Kater ironisch, “want dan zijn we nog lang niet uitgepraat en ik wil wel op tijd naar huis”. 

Lees ook: 

Leuk dat thuiswerken, maar schiet je op met al die herrie om je heen?

Met veel humor schrijft journaliste Japke-d. Bouma in haar boek ‘Hoe vind je zelf dat het gaat?’ over kantoorleven en -leed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden