Review

Van Duinkerken: gul en gulzig mandarijn

Anton van Duinkerken, nom de plume voor prof.dr. W.J.M.A. Asselbergs, is in de Nederlandse letterkunde van het moment een redelijk vergeten man. En als hij er nog in optreedt is het vooral vanwege zijn legendarische uitstraling. Vertegenwoordiger van het Rijke Roomse Leven bij uitstek, dat met hem ook inmiddels lijkt te zijn uitgestorven, figureert hij vooral als alomtegenwoordige letterkundige van ooit, voorzitter van alle mogelijke letterkundige en culturele verenigingen, feestredenaar bij uitstek, Bourgondiër van het soort dat je niet veel meer aantreft.

ROB SCHOUTEN

Deze levensgenieter en literair mandarijn overleed tweeëndertig jaar geleden, genoeg voor een schrijver en geleerde die het vooral van zijn publieke optreden moest hebben, om uit zicht te raken. De poëzie van Van Duinkerken, doelbewust traditioneel en eenvoudig, heeft niet echt standgehouden, ze was er te weinig artistiek voor; hij liet het hart wel spreken maar was juist in het lyrische misschien te veel verstandsmens: ,,Geen rijmkracht en geen beeldenschat, Geen onophoudlijk taalgevijl Onthullen wat zijn hart bevat. Men kent hem aan 't onzegbre, dat Hij wegveinst in zijn stijl.''

Als geleerde, tenslotte hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde te Nijmegen, redacteur van de Zwolsche drukken en herdrukken (wetenschappelijke uitgaven van Nederlandse literatuur uit vroeger tijd), auteur van talloze cultuurhistorische beschouwingen, staat Van Duinkerken misschien hoger genoteerd maar dat zijn geen posten waar het nageslacht veel belangstelling voor heeft. Nee, hij leeft vooral voort in talloze anekdotes, verslagen van zijn uitbundige aanwezigheid op alle mogelijke literaire bijeenkomsten, zijn door geen enkele matigheid in den vleze of den geeste getemperde zucht tot spreken. Een reusachtige man, die ook nog een spraakwaterval was.

Maar liefst twee dikke studies verschenen er recentelijk over hem, een wetenschappelijke, 'De keerzijde van het leven' van Mariëlle Polman over Van Duinkerken als literatuurcriticus bij De Tijd, en een biografische van Michel van der Plas, 'Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek'.

Van der Plas, die zich lijkt te hebben voorgenomen om de levens van katholieke kopstukken in litteris in kaart te brengen (hij schreef eerder soortgelijke boeken over Gezelle en Alberdingk Thijm), heeft Van Duinkerken goed gekend, hij treedt diverse malen zelf in deze biografie op, wat overigens een heel merkwaardig effect heeft. Het is dan ook opvallend dat hij eigenlijk zo weinig persoonlijks over de man te melden heeft. Kennelijk valt Van Duinkerkens persoon zozeer samen met zijn publieke leven dat deze biografie bijna helemaal een letterkundige, culturele levensbeschrijving is geworden. Over zijn vele kinderen bijvoorbeeld haast niets, pas tegen het eind als zijn zoon Gustave sterft komt 'vader' Asselbergs een beetje in beeld.

Ook over zijn huwelijk, met een vrouw die naar het eind van zijn leven toe steeds chronischer aan depressies zal lijden, wordt de lezer nauwelijks ingelicht. Karakteristiek is dat de naam van zijn privé-secretaresse, van wie hij de laatste jaren door een verbrijzelde arm waarmee hij niet kon schrijven, afhankelijk was, maar één keer valt.

Deze man met zo veel buitenkant wordt door Van der Plas dus bepaald niet binnenstebuiten gekeerd. De vrees van veel hedendaagse biografen om zich met psychologiserende oordelen buiten de aantoonbare werkelijkheid te begeven, spreekt hier heel duidelijk.

Wat overblijft is overigens indrukwekkend genoeg. Wie dit leven van Van Duinkerken leest, blijft vermoeid achter. De tomeloze energie van deze man, die zich als zoon van een welgestelde Brabantse brouwer door zelfstudie opwerkte tot letterkundige en geleerde, was bijkans verpletterend. Rond zijn dertigste was hij al, als journalist bij De Tijd, als redacteur van het tijdschrift De Gemeenschap, als dichter en als spreker die geen enkele uitnodiging afsloeg, dé representant van het openbare rooms-katholieke leven en hij zou dat tot zijn dood blijven.

Maar hij was ook, hoewel rechtzinnig katholiek, een ruim denker die de 'doorbraak' naar andere gezindten en daarmee het begin van de ontzuiling propageerde. Een ontzuiling die hem nu, zoveel jaar na dato, juist als een voorbeeld van die oude verzuiling, de katholieke Bourgondiër bij uitstek, zal aftekenen.

In het vooroorlogse literair debat nam Van Duinkerken het vooral op tegen het blad Forum en Menno ter Braak, welke laatste ook in de studie van Polman als zijn voornaamste tegenstander figureert. Zij suggereert dat de twee, die elkaar voortdurend volgden, eigenlijk nogal op elkaar leken en ook Van der Plas heeft het in dit verband over zijn 'boezemvijand'. Van Duinkerken was in het, wel als 'vorm of vent'-debat samengevatte klimaat, inderdaad een 'vent', iemand die vóór alles wilde deugen. Maar hij was katholiek tot in het merg en werd om die redenen door andersdenkenden met achterdocht bekeken. Zelf kon hij trouwens ook moeilijk de grote verdienste van vrijdenkers inzien. Multatuli was in zijn ogen ernstig overschat, zijn eigen tijdgenoot Du Perron bleef hem wezensvreemd.

Wie naar Van Duinkerkens voorkeur kijkt ziet dat hij eigenlijk voornamelijk achterom keek (hij kreeg niet toevallig in 1940 de Vondel-leerstoel te bezetten, hoewel hij strikt genomen geen specialist was) of de traditioneel-getinte schrijvers van zijn tijd liefhad. Van grote buitenlandse modernisten als Joyce en Eliot had hij totaal geen kaas gegeten. Opvallend is ook dat de poëzie van de Vijftigers en hun nazaten, waar hij na de oorlog toch van gehoord moet hebben, geen enkele keer in deze biografie genoemd hoeven te worden. Een schrijver als W.F. Hermans stelde hij ten achter bij zowel Carmiggelt als zijn vriend en in vele opzichten evenknie Godfried Bomans. De Nobelprijs kon wat hem betreft beter gaan naar alweer een vriend, de echt-Brabantse schrijver Antoon Coolen, dan naar Simon Vestdijk. Kortom, Van Duinkerken staat in veel opzichten inmiddels voor een knap oubollige smaak.

Toch kon hij in eigen kringen als een emancipator gelden; hij wilde het roomse deel der natie, met zijn armetierige belangstelling voor de cultuur, aan het lezen krijgen. Zelf was hij het schoolvoorbeeld van de autodidact die het tot grote kennis en geleerdheid had geschopt. En er waren meer katholieke schrijvers met zendingsdrang; zelfs in dit ene geloofskamp was het al dringen geblazen. Een deel van hen met wie Van Duinkerken zich vroeger had geassocieerd, de schrijvers Albert Kuyle en Henry Bruning bijvoorbeeld, dreef steeds meer de totalitaire kant op en verzeilde tijdens de oorlog in het 'foute' kamp.

Van Duinkerken die niet alleen veel humanistischer was aangelegd dan dezulken maar ook een fel antinazi was (hij belandde als zovele vooraanstaande Nederlanders in het gijzelaarskamp Beekvliet te St. Michielgestel, dat een ware smeltkroes aan diverse intellectuelen en gezindten werd), bestreed ook hen met polemische ijver. Tegelijkertijd ijverde hij na de oorlog, als lid van allerlei zuiveringscommissies, voor hun eerherstel, al bleef Kuyle zijn 'bête noir'.

Van Duinkerken was in alles een onkreukbaar democraat. Hij werd lid van de Partij van de Arbeid, welk lidmaatschap hij overigens weer moest opgeven om hoogleraar in Nijmegen te worden, waarna zijn vrouw Nini demonstratief en ook namens haar man lid bleef.

Voor de oorlog letterkundige, na de oorlog vooral geleerde, maar in beide hoedanigheden deed hij zich kennen als een buitengewoon gul en gulzig mens. Gulzig omdat hij zich overal uitgebreid liet trakteren op Bourgondische malen, sigaren, wijn, snoepreisjes. Gul omdat hij de feestredenaar bij uitstek was, met voor iedereen een daverend, geleerd en hartelijk woord. Niet toevallig doorspekt Van der Plas deze biografie met talloze menukaarten en afspraken voor feestredes, misschien wel de meest karakteristieke erfenissen van Van Duinkerken.

Het blijft de vraag of hij met al die zowel geschonken als getrokken aandacht niet ook een egocentricus was. Van der Plas meent van niet. Het was vooral zijn overvloedige natuur die hem maakte tot wat hij was. Maar dat het ook zijn tijd- en geestgenoten wel eens te veel kon worden, blijkt uit deze kritische aantekening van Bomans in zijn dagboek: ,,s Avonds gegeten bij Toon van Duinkerken. Fout van Toon: altijd bezig een nummertje weg te geven, altijd bewijzend dat hij Toon is. Zeg je iets, dan meteen erbovenop met iets sterkers. Grondtoon: twijfel aan zichzelf. Hij zit in de klem, maar mist de gave der introspectie.''

Dat is het begin van een psychologische duiding, waaraan Van der Plas zich verder niet waagt. Terecht of ten onrechte, in ieder geval hoort het in zekere zin bij een man die naar buiten toe leefde en wiens intieme leven geheimzinnig of misschien wel afwezig was. Een ongemeen zuiver exemplaar van de extraverte mens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden