Literatuur Vreemde favorieten

Van deze psychotherapeutische literatuur valt wat te leren

shira keller Beeld -

Wat lezen onze recensenten zelf graag? Shira Keller is verslingerd aan klassieke psychoanalyse.

Ik was graag iemand geweest die vrolijk wordt van verrassingen. Dan zou ik helemaal opleven als ik niet wist wat me te wachten stond. Ik zou bijvoorbeeld op het idee komen om liftend een wereldreis te gaan maken. Of te gaan basejumpen. Of beleggen, of op een blind date gaan. Maar zo iemand ben ik dus niet.

Ik ben wat ze een controlfreak noemen. Dat heeft zo zijn voordelen (je raakt erg bedreven in de kunst van het anticiperen), maar wat het soms lastig maakt, is dat er in het leven ontstellend weinig situaties voorkomen waarover je daadwerkelijk controle hebt. Voor je het weet durf je geen stap meer te zetten, bij gebrek aan de garantie dat je niet zult struikelen. Je raakt er al met al wat verkrampt van.

Het was een van de redenen dat ik een paar jaar geleden besloot maar eens met een therapeut te gaan praten.

Ter voorbereiding (want stel je vóór dat zo’n therapeut je iets over jezelf vertelt waar je niet op bedacht was) richtte ik als de bliksem een kast in met psychotherapeutische literatuur. In de daaropvolgende maanden werkte ik me door een ruime eeuw aan theorieën heen alsof ik een Netflix-serie aan het bingewatchen was.

Zo stuitte ik op Donald Winnicott, een Britse psychoanalyticus met een even bevlogen als toegankelijke pen. Zijn ‘Playing and Reality’ is een mix van nauwkeurige observaties (hoofdzakelijk van kinderen – Winnicott is een must voor aanstaande ouders) en een prettig intuïtieve instelling bij de duiding ervan.

Zodra baby’s ontdekken dat hun moeder (of vader) niet een verlengstuk is van henzelf, maar los van hen bestaat, zie je vaak dat ze zich vastklampen aan een lapje, of een lievelingsknuffel. Een ‘transitioneel object’, noemt Winnicott het. Het is een voorwerp dat ze zelf volledig kunnen controleren, waardoor ze zich er veilig bij voelen, maar waarvan ze tegelijkertijd weten dat het zich in de buitenwereld bevindt. Het voorwerp vertegenwoordigt een tussenruimte tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’.

De behoefte aan zo’n tussenwereld is niet voorbehouden aan peuters, stelt Winnicott. Ook wij verlangen naar een ‘transitionele ruimte’; een terrein waar we een gevoel van controle ervaren, waardoor we het – paradoxaal genoeg – aandurven de controle te laten varen.

Spanning en veiligheid, ondergaan en doen-alsof, het subject en het universum: in Winnicotts transitionele ruimte vallen die ogen­schijnlijke tegenstellingen samen.

Het is onze speelruimte. Sporten, muziek maken, films kijken, kunst scheppen, een geanimeerd gesprek – het zijn de louterende bezigheden waarin we onszelf durven te ‘verliezen’, waar we ‘in opgaan’. Het is het domein van de intuïtie, de creativiteit en de humor. Tijdens zo’n spelervaring, aldus Winnicott, voelen we ons ‘het meest levend’.

In ‘Playing and Reality’ onderbouwt Winnicott overtuigend waarom momenten van ‘spel’ niet alleen een verrijking, maar een voorwaarde zijn voor een bevredigend leven.

Het is geen ramp als je zo nu en dan wat verkrampt door het leven gaat, besefte ik. Zolang er maar een ruimte bestaat waarin je, bij tijd en wijle, onbekommerd durft te ‘spelen’. 

Playing and Reality - Donald Winnicott
Taylor and Francis Ltd.; 232 blz. € 27,99

Tip 1: Doodsdrift

Het onbewuste - Sigmund Freud
Vert. Wilfred Oranje
Boom; 544 blz. € 26,50

‘De wens zich te verliezen’ – zo ongeveer zou je ook Freuds omstreden ‘doodsdrift’ kunnen definiëren. Freud bedacht het begrip omdat hij herbelevingen van trauma’s niet met zijn lustprincipe kon verklaren. Doodsdrift is de wens om terug te keren naar ‘een vorig stadium’ – onze behoefte aan een resetknop, zegmaar. Het indrukwekkendst aan de verhandeling vond ik Freuds twijfelachtigheid; zijn bereidheid, tot op de laatste pagina’s, zijn eigen hypothese te falsifiëren. Schoorvoetend komt hij daar tot de conclusie dat scheppen en sterven, seks en de vernietiging van het ego (ofwel: zich ‘het meest levend’ voelen en ‘zich verliezen’) – twee kanten zijn van dezelfde medaille.

Tip 2: Misscommunicatie

Pragmatics of Human Communication - Paul Watzlawick
Norton and Amp; 304 blz. € 21,50

Ook de zeer rationele maar humoristische psycholoog Paul Watzlawick was gefascineerd door paradoxen. Zo behandelt hij het begrip double bind: een tegenstrijdige en dus onuitvoerbare opdracht als ‘doe iets spontaans!’ In zijn analyse van (mis)communicatie onderscheidt Watzlawick het ‘inhoudsniveau’ en het ‘betrekkingsniveau’. Veel ruzies, stelt hij, worden op inhoudsniveau uitgevochten (‘hoezo moet ik afwassen?’), terwijl het werkelijke conflict zich op betrekkingsniveau afspeelt (‘je kijkt op me neer’). Watzlawick toont aan dat zo’n conflict alleen kan worden opgelost door ‘metacommunicatie’. Bonustip voor de theaterliefhebber: Watzlawick wijdt een compleet hoofdstuk aan Albee’s ‘Who’s afraid of Virginia Woolf?’

Tip 3: Afweer

Het ik en de afweermechanismen - Anna Freud 
Vert. Elien Romme- Branbergen
Ambo Anthos; 150 blz. (alleen tweedehands)

De teugels laten vieren: we durven het alleen als we ons enigszins veilig voelen. Anna Freud (dochter van), onderscheidt in ‘het ik en de afweermechanismen’ tien verschillende strategieën waarmee we ons ego uit de wind proberen te houden. Hoewel die afweermechanismen (bijvoorbeeld ontkenning, projectie en rationalisering) ons in onze jeugd effectief geholpen hebben, kunnen ze ons in ons latere leven dwarsbomen. Alleen door hun aard en oorsprong te analyseren, stelt Freud, kunnen we onszelf van ze bevrijden. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden