Review

Van de oorlog zie je niet veel meer

Maandag is het tien jaar geleden dat er een eind kwam aan de oorlog in Bosnië. Drie jaar lang hadden Serviërs, Kroaten en Bosniaks daar strijd gevoerd. Nicole Lucas, destijds oorlogsverslaggever van Trouw, reisde onlangs opnieuw naar Bosnië. Zij trof daar enig optimisme en veel overlevingsdrang.

Een graf in Sarajevo

Selveta heeft haar haar grijs laten worden. De tinteling is uit haar ogen verdwenen. In december is haar man gestorven. Ze is ervan overtuigd dat de oorlog de oorzaak is, ook al is die al jaren voorbij. De stress van toen heeft Srecko's hart voortijdig verzwakt, zegt ze. Ze leest soms in het dagboek dat hij in die jaren heeft bijgehouden. Het zijn koele registraties van de absurditeiten van het dagelijks leven in een belegerde stad. Srecko was geen man van drama.

Ik ontmoette hen voor het eerst in februari 1995. Sarajevo 'vierde' 1000 dagen omsingeling, buitenlandse bezoekers kregen bij bewoners onderdak. De stad was koud, zwaar gehavend en aan het eind van haar latijn. Maar de keuken van de familie Mandic was een cocon waarin je je veilig waande. Het was er troostend warm dankzij een ouderwets op hout gestookt fornuis. Dat heeft na de oorlog zeker nog een jaar op het balkon gestaan, met ernaast een kuub hout. Toen is alles in één keer weggedaan. ,,Je kunt je niet de rest van je leven voorbereiden op de volgende oorlog.“ Zelfs de voorraadkast biedt nog maar uitweg voor een paar dagen. Selveta, ongeduldig: ,,Ik wil er gewoon niet mee bezig zijn“.

Samen gaan we naar het kerkhof. Bare, in het noorden van de stad, is verdeeld in een joods, katholiek, orthodox, islamitisch en atheïstisch deel. Nieuw is dat niet. Anders dan Albanië deed het Joegoslavië van Tito religie nooit in de ban. Maar menig partizaan wilde ook in de dood broederschap en eenheid uitdragen, de idealen van verzetsheld Tito, en dat kon alleen op het atheïstische deel. Niet voor niets werd in die tijd trots naar de areligieuze hoek van het kerkhof verwezen als de 'partizanenbegraafplaats'.

Dat is voorbij. Ook in de dood zoeken de Bosniërs hun heil weer meer bij de eigen groep. Dus vindt een Serviër, ook al was hij bij leven geen trouwe kerkganger, zijn laatste rustplaats bij orthodoxen, een Kroaat bij katholieken en een Bosniak bij moslims.

Srecko was Kroaat, maar niet fanatiek. Bovendien wil Selveta, moslim maar evenmin van harte, straks bij hem begraven kunnen worden. Dus bevindt zijn graf zich op het atheïstische deel van de begraafplaats..

Hoofddoekjes in Sarajevo

De Marsala Tita, de Maarschalk-Titostraat, een van de weinige straten die onder dezelfde naam de oorlog hebben overleefd, ligt open. De trottoirs, vijftien jaar geleden al aan vervanging toe, worden vernieuwd. Grote spandoeken over de weg maken attent op het Jazzfest. Mess, een theaterfestival met een lange traditie, is net geweest.

Bij bioscoop Imperijal draait 'Sjakie en de chocoladefabriek'. Esprit, Mexx, Terranova wedijveren om klandizie. Benetton -dat zich midden in de oorlog in de stad vestigde, bij wijze van hart onder de riem of publiciteitsstunt, daarover verschillen de meningen- heeft zo volop concurrentie gekregen.

Bij Metropolis, een elegante lunchroom annex restaurant, drinken goedgeklede Sarajevo'ers hun cappuccino. Ik blader door een boek over de stad, gekocht in een tweedehandsboekwinkel. Het dateert uit 1965. ,,Sarajevo is een van de mooiste voorbeelden op weg naar de socialistische toekomst van de Joegoslavische staat“, schrijft de burgemeester in het voorwoord. Foto's tonen opgewekte jonge vrouwen, bezig met de aanleg van een waterleiding. ,,Geliefde gast op het nieuwjaarsfeest“, luidt het bijschrift bij een portret van Tito. Een andere afbeelding laat moslimvrouwen zien die zich ontdoen van hun sluier, 'teken dat ze eeuwenlang achtergebleven zijn'.

De hoofddoek is nooit helemaal weggeweest. Maar tegen 1990 was ze eerder een teken van leeftijd geworden, dan een religieus symbool. Ook dat is veranderd. Hoewel verre van massaal, is de hoofddoek wel weer aanwezig in het straatbeeld. Heel af en toe in zijn meest extreme vorm, vaker gekleurd en in verschillende lagen kunstig om het hoofd geknoopt.

Het komt door de oorlog, zegt Delila, mensen zoeken zekerheid, aansluiting bij elkaar. De jonge Bosnische, studente economie, draagt er geen, wel een strakke spijkerbroek en hoge hakken. Ze heeft felle bruine ogen en gitzwart haar. Zonder aarzelen noemt ze zich moslim. Terwijl ze probeert uit te leggen wat dat voor haar betekent, begint ze ineens te giechelen. Ze wijst op de Ferhadija-moskee, gelegen aan de populairste winkelstraat van de stad. Het eeuwenoude gebedshuis is ingesloten door terrassen. ,,Op vrijdagavond gaan we daar zitten. Dan keuren we alle jongens die naar binnen gaan. Natuurlijk worden ze later op de avond dronken als alle anderen. Maar we weten: ze gaan naar de moskee, dus proberen ze in ieder geval om een goed mens te zijn.“

Van Sarajevo naar Banja Luka

Ze hadden tijdens de oorlog net zo goed op twee verschillende planeten kunnen liggen: Sarajevo, de hoofdstad van de moslim-Kroatische federatie, en Banja Luka van Republika Srpska. Iets ten noorden van Zenica lag de frontlijn en daar hield alles halt. Het einde van de oorlog verwijderde niet meteen de psychische barrière. Maar geleidelijk aan is de communicatie weer hersteld, geholpen door nieuwe nummerplaten die niet de woonplaats van de bestuurder verraden.

De oorlog is weliswaar niet geheel uit het landschap verdwenen, maar domineert ook niet meer. Kapotgeschoten of opgeblazen huizen zijn opgeruimd of weer opgebouwd. Opmerkelijk is het aantal fris geschilderde huizen; pasteltinten zijn hier duidelijk in trek. Aan de vooroorlogse gewoonte om huizen in permanente staat van aanbouw te laten verkeren is nagenoeg een eind gekomen. Door een wijziging in het belastingstelsel loont het niet langer in een half huis te wonen. Aan benzine, voor en tijdens de oorlog vaak een schaars goed, is geen gebrek.

Het landschap is getooid met een breed palet aan herfstkleuren. Op de berg Vlasic hangt de winter in de lucht. Skiliften wachten op sneeuw. Vooral aan het eind van de oorlog is hier fel gevochten. Van de verwoesting van toen is niets meer te zien, wel van een chaotische wederopbouw. Bij het fris gele Villa Ugar staan sneeuwscooters in afwachting van clientèle. Binnen zingt de Serviër Djordje Balasevic een lied dat ooit werd gecomponeerd ter gelegenheid van Tito's verjaardag, gevolgd door recentere Kroatische en Sloveense hits. Een jonge ober, die zichtbaar zijn best doet, serveert een in een originele steenoven gebakken pizza. De vier-kazenversie is bedekt met de lokale specialiteit: Vlaski sir, een zout wit kaasje van de schapen die door de dalen dwalen.

Banja Luka: van vader op zoon

Het was 29 februari 1992, het weekeinde waarin de Bosniërs mochten stemmen over onafhankelijkheid. In het merendeels door Serviërs bewoonde Banja Luka was de sfeer grimmig. De plaatselijke leider van de SDS, de partij van Radovan Karadzic, sprak op agressieve wijze de menigte toe. ,,Bereid u voor op oorlog, vandaag of morgen gebeurt het“.

Samen met Todor hoorde ik hem aan. We zagen hoe geklap en gejuich de spreker ten deel vielen. De Serviër, begin dertig, kon alleen maar somber zijn. Hij moest, vertelde hij, die dagen vaak aan zijn vader denken, die als partizaan tijdens de Tweede Wereldoorlog had gevochten. ,,Ik denk dat mij hetzelfde wacht“.

In dienst is hij inderdaad geweest. Nee, aan weigeren of weggaan heeft hij niet gedacht. ,,Het was zij of wij.“ Hij bracht een groot deel van de tijd door aan de Sava. Als ervaren duiker werd hij ingezet om mijnen te signaleren. ,,Maar minstens zo vaak haalden we lijken uit het water.“ Op melancholieke toon vertelt hij over dat ene absurde voorval: ,,Aan de andere kant zaten Kroaten die we van vroeger kenden. Op een gegeven moment riepen ze: willen jullie een biertje? We vertrouwden het eerst niet, maar toen kwam er een krat onze kant opdrijven. Hoe hebben jullie dat versierd, vroegen we. O, was het antwoord, we hebben hier net in de buurt een vrachtwagen aangehouden.“

Net als toen bezoeken we ook nu het monument dat de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdenkt. Het pad erheen, geleidelijk omhooglopend en omgeven door groen en bomen, is een trekpleister voor wandelaars en joggers. Bij het versleten beeld zelf is het stil. Slechts een paar vergeelde kransen van 'Verenigingen van Tito' uit verschillende delen van het land wijzen op eerder bezoek.

,,Ik moet de laatste tijd weer vaak aan mijn vader denken“, zegt Todor. ,,Toen ik een tiener was, en vaak laat thuiskwam, gebeurde het soms dat mijn vader opendeed, badend in het zweet. Het is weer 1943, was het enige dat hij kon zeggen. Het had iets met de oorlog te maken, al heb ik nooit geweten wat. Soms denk ik: Wanneer gebeurt mij zoiets?“

Een speelpaleis in Banja Luka

Benetton, dat destijds koos voor de Bosniaks door zich in Sarajevo te vestigen, heeft zijn voorkeur laten varen en zit inmiddels ook in het centrum van het Servische Banja Luka. Net als Mango en noem ze maar op. Aan de autovrije Gospodarska (Herenstraat) trekt een rustgevend lichtoranje pand de aandacht. Café-restaurant Citadele, ontworpen door een Italiaan, is een combinatie van hip en chic. Je kunt er taartjes krijgen die halve kunstwerken zijn en, anders dan doorgaans, niet mier- maar prettig zoet.

Hoogleraar filosofie Miodrag Zivanovic spreekt met buitenlands bezoek meestal af in hotel Bosna. Het biedt uitzicht op een grote, nieuwe orthodoxe kerk, in de jaren negentig gebouwd op de fundamenten van de kerk die in 1941 door Ustasha's (Kroatische fascisten) werd verwoest. Iets verderop aan de brede Straat van de Servische heersers -voorheen Marsala Tita- wachten de fundamenten van de in 1992 opgeblazen Ferhadija-moskee tot ook hier weer iets wordt opgebouwd. Twee jaar geleden werd onder grote internationale belangstelling en druk een eerste “oude nieuwe“ steen gelegd. ,,Maar daar is ook alles mee gezegd“, zegt Zivanovic op een toon die eerder berustend dan cynisch is. ,,Wat wil je ook. Hier leven nauwelijks meer Bosniaks.“

We leven onder de dictatuur van het cijfer drie, vat hij de situatie in Bosnië samen. “Onder Tito hadden we de dictatuur van het proletariaat, nu van de ethnos. Wat telt is of je Serviër, Kroaat of Bosniak bent. Niet of je ergens al dan niet goed in bent. En dat geldt nu nog meer dan tijdens de oorlog.“

Aan de kinderen die ravotten in het nabijgelegen overdekte Speelpaleis, het 'grootste van de Balkan', is de etnische achtergrond niet te zien. De zaak is nog maar net open maar nu al een succes. De wangen rood, de haren plakkerig wordt er vol overgave geklommen, gesprongen en geklauterd. Een jongetje van een jaar of twaalf neemt met een lief gebaar een kleuter in bescherming die, eenmaal boven, ziet dat de glijbaan toch wel heel erg hoog is.

Eindelijk eens een goed idee, constateert een moeder. ,,De meesten die hier voor zichzelf beginnen, weten niks beters te verzinnen dan een café of een benzinestation.“

Van Sarajevo naar Mostar

De weg Sarajevo-Mostar is opnieuw geasfalteerd, maar nog steeds tweebaans. Dus blijft doorrijden beperkt tot de volgende vrachtwagen. Oppassen blijft het ook bij de verschillende tunnels. Slecht, soms niet, verlicht is het alsof je een muur in rijdt. Maar verder valt er nauwelijks iets bijzonders te melden. Of het moest de in de Neretva hangende brug zijn bij Jablanica, symbool voor 'de slag van de gewonden', dieptepunt in Tito's partizanenstrijd tegen de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog. Om tijd te winnen voor de terugtocht werd de brug in 1943 opgeblazen. De restanten zijn blijven hangen. Ze hebben de jongste oorlog en de bijbehorende herschrijving van de geschiedenis overleefd.

De regio rond Mostar was tijdens de oorlog misschien wel een van de meest betwiste streken van het land. Het ging door twee oorlogen. Nadat Kroaten en Bosniaks er halverwege 1992 de Serviërs hadden verdreven, keerden ze hun woede op elkaar. Drie jaar geleden nog maar boden de buitenwijken van de stad een desolate aanblik. Nu blinken talloze rode daken je vrolijk tegemoet. Wat vooral de aandacht trekt is een gigantisch kruis, dat Kroaten op een heuvel aan 'hun' kant van de stad hebben geplaatst. Plus een enorm hoge toren, volkomen uit proportie met de erbij behorende kerk. Met een moskee aan de andere kant wedijvert hij om de hoogste top.

Terug in Mostar

Sefko en Neda wonen weer in Mostar, al is het niet in hun oude huis. In 1992 werden ze daar door 'een gevaarlijk man' uit gejaagd. ,,En ik dacht nog wel dat mijn katholieke doopbewijs genoeg was om me van het geweld van andere Kroaten te vrijwaren“, zegt Neda, nog verbaasd over zoveel naïviteit. Wegens haar moslimechtgenoot was ze niet te vertrouwen, kreeg ze te horen. ,,Maar de oorlog bood hem alleen maar een excuus. Die man wilde gewoon een mooi huis.“

Jaren woonden ze in Split, waar ik ze in 1995 ook ontmoette. Een eenzaam, ouder echtpaar dat de dagen sleet met lange wandelingen langs de zee. Hun zorgen betroffen niet eens zozeer zichzelf, maar vooral hun zoon en dochter. De wens nog veel meer afstand te creëren tot de oorlog, had de twee richting Nederland gedreven. ,,Ooit waren we trotse Joegoslaven, overal welkom“, zei Sefko wat genegeerd. ,,Nu moeten we bedelen om binnen te mogen.“

Na het Akkoord van Dayton hebben ze alle moed bij elkaar geschraapt en hun eigendom teruggeëist. Gewoond hebben ze er echter nooit meer. ,,Op de garagedeur stond: 'We zullen wel eens zien hoe lang jullie het hier uithouden'.“ Ze hebben het huis verkocht en aan de andere kant van de rivier hun intrek genomen in de woning van een familielid dat na de oorlog in het buitenland is gebleven. ,,We hebben het niet slecht“, zeggen ze, ,,we proberen ons niet te veel met andere mensen te bemoeien.“ Sefko schildert, traditionele stillevens van fruit en bloemen, en natuurlijk de oude brug. Neda doet de tuin. ,,De druiven zijn goed dit jaar“, zegt ze voldaan, terwijl ze een grote schaal vol fruit naar me toe schuift.

Het grootste gemis zijn nu hun inmiddels vier kleinkinderen. ,,Echte Nederlanders“, zegt Neda met een mengeling van trots en spijt. ,,Maar gelukkig spreken ze ook onze taal.“

Herbouwde brug van Mostar

Het is aangenaam toeven in Mostar, dat zijn oude charme weer begint terug te krijgen. De oude brug is hersteld en vorig jaar met veel bombarie weer geopend. Zij ziet er beter uit dan zij ooit heeft gedaan. De zon is vriendelijk, er is ruimte om te slenteren. De souvenirverkopers laten hun clientèle prettig ongemoeid. Ik herinner me een bezoek in het begin van 1995, toen ik tussen de puinhopen bij de oude brug een handelaar trof. Hij verkocht niet meer ter zake doende reisgidsen van voor de oorlog en kaarten die geen gewag maakten van grenzen die er nu waren. Ik was perplex dat hij dit, te midden van de ruïnes, verkocht, hij op zijn beurt was boos dat ik niets kocht. “Nederlanders“, riep hij me woedend na, toen ik weer doorliep, ,,dat is kijken, kijken, maar niet kopen.“ De loomheid die zijn collega's nu heeft bevangen duidt erop dat het eindelijk weer eens een goed seizoen is geweest.

Journalist Zlatko Serdarevic ziet de vooruitgang, maar kent ook de stagnatie. ,,De bruggen zijn hersteld, de verdeeldheid blijft.“ Afgedwongen door de internationale gemeenschap is er weliswaar een stadsbestuur, maar verder doen Kroaten en Bosniaks zoveel mogelijk apart. ,,Twee universiteiten, twee ziekenhuizen, twee theaters. Het kost geld dat we helemaal niet hebben. Waarom zijn we zo dom?“

Hij zwijgt even, vertelt dan een grap. ,,Een Brit, een Fransman en een Bosniër zijn ter dood veroordeeld. Ze mogen kiezen: een injectie, de elektrische stoel of de guillotine. Allemaal kiezen ze het laatste. De Fransman legt als eerste zijn hoofd op het blok. De bijl valt, maar blijft een centimeter boven zijn nek steken. Hij mag gaan. De Brit overkomt hetzelfde. Dan is de Bosniër aan de beurt. Hij loopt naar de elektrische stoel. Hé, roept de beul, je wilde toch de guillotine. Ja, zegt de Bosniër, maar je ziet toch dat die niet werkt.“

Mirsad heeft voor al die sombere bespiegelingen geen tijd. In een cafeetje naast de oude brug hapt hij tevreden een stuk van zijn baklava. Hij heeft net een duik gemaakt in de Neretva vanaf de oude brug. Het ziet er mooi uit, en daarom moeten toeristen ervoor betalen. In de zomer kost het een toerist 25 euro om hem, of een van de andere leden van “de club van springers“, zijn kunsten te laten vertonen. Hoewel de vraag minder is, is de prijs nu, met 30 euro, toch hoger. De verklaring: ,,Het water wordt al behoorlijk koud“.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden