Review

Van de jonkies zal het niet komen

De Nederlandse politiek is ziek, en niet zo'n beetje. Het is geen griepje dat overwaait. De journalist Gerard van Westerloo heeft de ziekte in alle organen met uiterste precisie in kaart gebracht, bekeken door de bril van trambestuurders, die zich in de steek gelaten voelt tussen zakkenrollers en messenzwaaiers. Maar nou het medicijn. De zogenaamd rebelse 'jonkies' in de Tweede Kamer hebben het volgens Willem Breedveld niet op zak. Gezocht: échte politici met een ideologie en met de moed tot debat.

Er was een oorlog in volle gang; Europa was compleet uit elkaar gevallen, en de financieel-economische situatie in eigen land liep gierend uit de hand. Maar Nederland verbeuzelde zijn tijd en energie met het tergend langzame fröbelwerk van een kabinetsformatie en opgewonden standjes over de affaire-Margarita. Alsof we in Nederland in vergelijking met de rest van de wereld op een andere planeet leven.

Aldus een - gecomprimeerd weergegeven - passage uit een recente toespraak van de vice-voorzitter van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink. 'Provincialisme', mopperde de onderkoning. Puur slecht voor de toekomst van Nederland: ,,Wordt het niet eens tijd om na te denken over onze bijdrage aan Europa, de hoogste tijd ook om na te denken over hoe we én de financieel-economische problemen het hoofd bieden én de structuur van de Nederlandse economie moderniseren én de achterstanden in de publieke sector oplossen én de lasten daarvoor eerlijk zullen verdelen?''

Zijn ongenoegen laat zich samenvatten onder één noemer: Den Haag (inclusief de journalistiek) is zo druk bezig met zichzelf, dat ze geen benul hebben wat er in de echte werkelijkheid te koop is.

Tot die ontdekking was de journalist Gerard van Westerloo al veel eerder gekomen, toen hij in 1984 samen met zijn collega Elma Verhey de bestuurders aan het woord liet van tram 16 in Amsterdam, de lijn tussen het Centraal Station naar het Olympisch Stadion. Het werd één lange tirade aan het adres van de heersende klasse van politici-ambtenaren, of ze nou van PvdA, VVD of CDA waren en zijn. De toen nog overwegend blanke trambestuurders mochten geen uiting geven aan hun ongenoegen over het toenemende geweld, de bedreigingen in de tram, de zakkenrollerij, de berovingen, want voor je het weet kon dat stigmatiserend en discriminerend uitpakken voor Surinamers, Marokkanen en Turken.

Er gaapte een kloof van hier tot ginder tussen deze burgers en hun volksvertegenwoordigers in de Amsterdamse raad en in het parlement. Hoe is het mogelijk dat hun ongenoegen door geen enkele politieke partij tot uitdrukking werd gebracht? Misschien door Janmaat c.s. maar die werd ook door de trambestuurders niet serieus genomen, want ze mochten dan wel stevig van hun ongenoegen blijk geven, het waren geen racisten of fascisten.

Voor Van Westerloo vormde hun verhaal, dat negentien jaar geleden in Vrij Nederland werd gepubliceerd en voor heel wat opschudding zorgde, het signaal voor een ongeëvenaarde journalistieke speurtocht. In hetzelfde VN en in het magazine van NRC/Handelsblad verscheen in de jaren daarna het ene na het andere verhaal, waaruit bleek dat de democratie vrijwel nergens naar behoren functioneerde. Niet in Amsterdam, Arnhem, Leeuwarden of Eindhoven en al helemaal niet onder de Haagse kaasstolp. Overal deelden de 'socialen' de lakens uit, zoals Van Westerloo de politieke klasse ging omschrijven.

Zij wisten op alle mogelijke terrein wat goed was voor de burger, maar of de burger dat zelf ook zo zag, daar werd niet naar gevraagd. Tot, zoals Van Westerloo de voorlopige ontknoping van zijn speurtocht in een beeldende zin samenvat, ,,er in het najaar van 2001 uit het niets een lange kale belijdende homoman verscheen die de socialen driemaal daags de mantel uitveegde en die een ongekende bijval kreeg''.

De afgelopen maanden heeft Van Westerloo zijn verhalen samengevat, gestileerd en in een logische context samengebracht in een kloek boek, dat aangevuld met enkele nieuwe verhalen in beeldende bewoordingen laat zien waarom de Nederlandse democratie niet werkte. En, voeg ik er aan toe, ook na opkomst en ondergang van Fortuyn nog steeds niet werkt. Het is frappant dat zowel Tjeenk Willink als Van Westerloo voor dit niet-functioneren op eenzelfde oorzaak wijst. In de woorden van Tjeenk Willink: ,,We zijn in Nederland altijd goed geweest in het omgaan met conflicten en emoties. Samenspraak en evenwicht zijn twee kenmerken van het 'poldermodel'(...) de Nederlandse vorm van democratie. (...) Maar voor samenspraak is tegenspraak nodig en voor evenwicht, tegenwicht. Zonder tegenspraak en tegenwicht kapseist deze Nederlandse vorm van democratie. Toen de verzuilde structuren afbrokkelden, hebben we nagelaten doelbewust te zoeken naar tegengeluiden, en hebben we niet doelbewust het eigen tegenwicht gecreëerd.''

Ook Van Westerloo signaleert het volstrekt ontbreken van tegenspraak en tegenwicht. Hij heeft er ook een verklaring voor: Nederlandse politici zijn gedwongen te praten met de mond vol meel. Zij moeten er continu voor zorgen de coalitie overeind te houden, welke dan ook, de eigen ministers te ontzien en voor het overige te wheelen en te dealen tot ze geel en groen zien. In zo'n klimaat is het onmogelijk om in gewoon Nederlands tot uitdrukking te brengen wat je op je lever hebt.

Het overtuigende bewijs voor deze stelling ontvouwt Van Westerloo in een nog altijd indrukwekkende reportage over zijn ervaringen met de PvdA-fractie van Ad Melkert, waar hij twee maanden mocht meelopen. Een enkel citaat: ,,De minste beweging die ik maak, moet ik afstemmen met 86 anderen. Ga je buiten je boekje, dan stuurt Melkert Sharon Dijksma of Ferd Crone op je dak. Alsjeblieft! Geen standpunten innemen die buiten de mainstream vallen''(kamerlid Rik Hindriks). Of deze : ,,Neem de wachtlijsten in relatie tot de hogere welvaart. Dat beestje wordt niet bij zijn naam genoemd. Borst en dat departement aanpakken, daar rust taboe op. De hypotheekrente? Niet over praten! Ook niet over de inkomenspolitiek, dat de gaten alleen maar groter worden. En niet over de onderwereld, waarvan de macht die van justitie ver te boven gaat''(Rob van Gijzel). In dit klimaat van de-macht-moeten-ontzien is negentig procent van de energie naar binnen gericht en verlopen alle vergaderingen voorzichtig en behoedzaam.

Van Westerloo's speurtocht wordt hilarisch als hij de Eerste Kamer aandoet. Voornaamste doel van dit orgaan is wetten goed tegen het licht te houden, de samenleving te behoeden voor ondeugdelijke wetten. Dat gebeurt dus niet. Zoals senator Van Thijn het onnavolgbaar onder woorden brengt: ,,We houden hier prachtige debatten op niveau. Maar als puntje bij paaltje komt gedragen we ons net zo politiek als de Tweede Kamer. Dan stemmen we voor waar we tegen zijn en tegen waar we voor zijn. Persoonlijk vind ik dat heel frustrerend.''

Den Haag, denk je dan hoopvol, staat ver van de burger af, maar dat is in de gemeenten wel anders. Maar ook dit onderdeel van Van Westerloo's speurtocht is ontluisterend. In de gemeenten wordt de burger al even slecht vertegenwoordigd. Was de raad van Arnhem ooit samengesteld uit onder meer een journalist, een postbezorger, een bankwerker, een bouwkundig aannemer, een kantoorbediende, een schilder, een inspecteur van de krant, een conducteur, een metselaar, een banketbakker.... en voor het overige uit precies twee ambtenaren. Inmiddels zijn het overwegend ambtenaren of mensen die toevallig weinig om handen hebben. En omdat ambtenaren van de gemeenten niet in de raad mogen, bevolken die de provinciale staten en de ambtenaren van de provincie de gemeenteraad.

Omgekeerd benoemen politici weer ambtenaren op topposities. Geen wonder dat deze volksvertegenwoordigers gemiddeld drie keer zoveel verdienen als het gemiddelde in Arnhem, en op plaatsen wonen waar zij weinig last hebben van de problemen waar de gemiddelde Arnhemmer wel door geplaagd wordt.

Politieke partijen vertegenwoordigen geen massabeweging meer. Dat gemis wordt royaal gecompenseerd door de macht die zij uitoefenen als politiek/ambtelijke elite. De meeste ambtelijke topposities zijn politieke benoemingen, en ambtenaren weten dat. Op jonge leeftijd zijn ze vaak al actief in de partij, die hen op dat moment de beste carrièremogelijkheden belooft. Zo ontstaat een gesloten cultuur waar voor gewone burger geen doorkomen aan is.

In een fraai slothoofdstukje suggereert Van Westerloo dat dit bolwerk misschien door de nieuwe generatie politici geslecht gaat worden. Hij sprak met een elftal jonge kamerleden, 'jonkies' zoals hij ze noemt, die niets moeten hebben van de oude politiek. De één wil het aantal kamerzetels terugbrengen tot 75 en het politieke debat beperken tot de hoofdzaken (Mark Rutten, VVD). De ander wil invoering van een districtenstelsel en een gekozen minister-president (Boris van den Ham, D66). Een derde wil gewoon kunnen zeggen wat hij op zijn lever heeft, en een vierde wil tachtig procent van zijn tijd het land in trekken.

Wat ze bovenal willen is lef, ambitie en politiek leiderschap. En allemaal hebben ze lak aan de bestaande politieke scheidslijnen. 'Wat mij betreft, blijft er niet veel anders over dan sociaal-liberalen aan de ene kant en liberaal-socialen aan de andere kant' (Ayaan Hirsi Ali, VVD). 'Wat overblijft is de koopman en de dominee. Dan krijg je aan de ene kant de VVD en de PvdA, de kooplui-partij, en aan de andere kant de dominees die letten op de ethische kant van het verhaal, D66 gek genoeg, en wij en de ChristenUnie en dat soort partijen' (Nicolien van Vroonhoven, CDA). Volgens Martijn van Dam (PvdA) kun je de progressieve vleugel van de VVD en de liberale van de PvdA makkelijk in elkaar schuiven.

Maar of van zulke partijvernieuwing de oplossing verwacht moet worden voor het probleem dat Van Westerloo zo kernachtig in kaart heeft gebracht, is de vraag. Hier openbaart zich ook zwakte van zijn boek. Hij laat voortreffelijk zien dat de volksvertegenwoordiging nauwelijks een volksvertegenwoordiging genoemd mag worden. Maar hoe dat precies komt, en wat je er aan kunt doen, komt niet uit de verf. De politicologen en bestuurskundigen, die hij aan het woord laat, wijzen erop dat departementen tegenwoordig zijn uitgegroeid tot beleidsfabrieken waarin ambtenaren permanent in debat zijn met grote delen van de samenleving op alle mogelijk terrein. Vandaar dat deze ambtenaren - en soms terecht - denken beter op de hoogte te zijn wat er gaande is dan kamerleden. Vandaar dat de Kamer zich gemakkelijk laat meezuigen in het ambtelijke circuit en bijbehorende jargon. Maar daarmee onttrekt de politiek zich onherroepelijk aan de waarneming van de burger.

Een volksvertegenwoordiging zal daarom het politieke debat over hoofdlijnen moeten aangaan. En dat kan alleen maar als de politiek in de woorden van Tjeenk Willink bewust naar tegenspraak en tegenwicht zoekt. De burger kan niet kiezen. De burger wil vaak alles tegelijk: drie keer per jaar op vakantie vanaf Schiphol én de luchthaven groen en geluidsarm houden. Tolerant en vriendelijk zijn tegen vreemdeling, maar de problemen van hun aanwezigheid niet accepteren. Enzovoorts.

Om in die dilemma's een marsroute uit te stippelen is politiek leiderschap nodig. Maar ook politieke partijen om dat leiderschap ideologisch te toonzetten. Kortom, er moet weer politiek in plaats van bestuurlijk worden nagedacht. En daarvoor zijn echte politieke partijen broodnodig. Maar de 'jonkies' zijn stuk voor stuk zo postmodern dat ze deze vehikels van het politieke denken met een gerust hart bij het oud schroot denken te kunnen zetten. Ik betwijfel of zij met al hun enthousiasme Van Westerloo's probleem kunnen oplossen.

Tijdens deze lange, onzinnige kabinetformatie heb ik uit het jonkieskamp geen woord van protest vernomen. En straks duiken ze gewoon onder het pluche, of roepen maar wat in de oppositie. Van een zoeken naar tegenspraak en tegenwicht is geen sprake.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden