Review

Vagebond vertelt, braverik noteert

Met zijn magistrale roman ’Anna’ over een dienstmeisje uit Boedapest rond 1920 heeft de Hongaar Dezsö Kosztolányi (1885-1936) drie jaar geleden ook in Nederland grote indruk gemaakt. Nu verschijnt er een tweede boek van hem in vertaling, en opnieuw mag je van een meesterwerk spreken. Péter Esterházy’s veel geciteerde uitspraak dat Kosztolányi ’de elegantste van alle Hongaarse schrijvers’ is, en ’de grote meester van Sándor Márai’, lijkt bepaald niet overdreven.

Achttien qua toon en verteltrant sterk verschillende verhalen heeft Kosztolányi verzameld in ’De bekentenissen van Kornél Esti’, drie jaar voor zijn vroege dood verschenen. In de inleidende raamvertelling wordt bericht dat er in 1885 in Boedapest twee personen op dezelfde dag en zelfs hetzelfde uur zijn geboren, ’in alles één en in alles anders’.

Het gaat om de hoogst onbetrouwbare vagebondschrijver Kornél Esti en om een anonieme ik-verteller, naar eigen zeggen een burgermannetje dat bang is voor Esti en zich gelijktijdig tot hem aangetrokken voelt. Al gauw wordt duidelijk dat het hier om één en dezelfde persoon gaat, om een afsplitsing of misschien een ironisch spelletje met de identiteit dat enigszins aan de Portugees Fernando Pessao doet denken.

Op hun veertigste besluiten beide gewezen ’schoolkameraden’ een boek te schrijven, het boek dat de lezer net ter hand heeft genomen. Esti heeft heel wat bonte avonturen meegemaakt, ook de ’pleziertjes van het lichaam’ leren kennen; en tegenover zijn brave opponent, die alles opschrijft, bericht hij hierover met zichtbaar genoegen. Veel verhalen spelen zich af in het koffiehuis (door Kosztolányi ergens ’de kerk van de journalist’ genoemd) of op reis in het buitenland, want Esti is een internationale flaneur die zich met zijn speelse en gretige geest in heel Europa thuis lijkt te voelen.

De verhalen laten een duidelijke ontwikkeling zien. Uit de eerste hoofdstukken, waarin Esti’s eerste schooldag en een Italiaanse reis na het eindexamen worden beschreven, blijkt dat deze provinciale leraarszoon aanvankelijk geplaagd werd door nerveuze tics en angsten en dat hij om zijn onbeholpenheid werd uitgelachen. Later ontwikkelde hij zich tot een kosmopoliet en bekende schrijver, die ’op de poorten van het bestaan bonkt en het onmogelijke probeert’. Je zou Esti natuurlijk ook een alter ego van Kosztolányi kunnen noemen.

Opvallend is de grote variëteit van deze verhalen. Nu eens gaat het over een kleptomane vertaler, of over een vrekkerige oude boer die op slinkse wijze de bruidsschat van zijn dochter terugkrijgt. Dan weer vertelt Esti over een urenlange nachtelijke conversatie met een Bulgaarse treinconducteur, hoewel hij slechts vijf woorden van die taal beheerst. Eén hoofdstuk bestaat grotendeels uit een dialoog tussen Esti, die een net voltooid gedicht van ’blijvende waarde’ wil voorlezen, en een vriend die juist wil vertellen over zijn doodzieke zoon. In het misschien wel mooiste fragment vertelt Esti (de naam betekent in het Hongaars ’avondlijk’ of ’tot de avond behorend’) op ironische wijze over zijn ervaringen met Duitsers en in Duitsland, waar orde en discipline hoog genoteerd staan en de bevolking ontwikkelder is dan elders. ,,Na het gymnasium gaan ze naar de universiteit, maar ook dan zijn ze nog niet klaar met hun studie, en ik vermoed dat ze zich na de universiteit inschrijven bij het universum.’’

Aparte vermelding verdient Kosztolány als taalvirtuoos: hij formuleert uiterst trefzeker, soms heel beeldend en aforistisch, dan weer met grappig-filosofische uitweidingen. Meestal heeft hij maar weinig woorden nodig om iemand te portretteren; in dit opzicht doet hij aan zijn tijdgenoten Joseph Roth en Arthur Schnitzler denken. Ook in de uitstekend leesbare Nederlandse vertaling van Mari Alföldy valt er heel wat van zijn stijl te genieten, al is de woordkeus (’om er horendol van te worden’, ’je bent geen steek veranderd’) af en toe iets te populair.

Hopelijk volgen er meer Kosztolányi-vertalingen. De historische roman ’Nero’, die Thomas Mann tot een hymne verleidde, of de roman ’Leeuwerik’ mag de Nederlandse lezer niet worden onthouden. Dezsö Kosztolányi is een schrijver van wie je nooit genoeg krijgt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden