Ingmar Heytze

Essay Ingmar Heytze

Vaderen en dichten: de vijand van het scheppend vermogen

Eerst de verwondering, dan het vers. Is daar nog tijd voor als dichter-en ouderschap samenkomen, vraagt Ingmar Heytze zich af, of bijten ze elkaar?

 Als dichter ben ik vrij jong begonnen, op mijn vijftiende. Tot het vaderschap kwam ik dan weer rijkelijk laat: ik was 43 toen ik mijn oudste dochter voor het eerst in mijn armen hield. Ik heb me lang afgevraagd of ik wel kinderen op de wereld wilde zetten. Toen ik niet ver van het besluit af zat, was ik een paar maanden lang slecht gezelschap in de kroeg. De vraag nam me zo in beslag, dat ik het nergens anders meer over kon hebben. Van elke vader in mijn vriendenkring wilde ik weten hoe het dan was, of ze ook zo hadden getwijfeld, of ze er spijt van hadden, of ze het opnieuw zouden doen, of niet.

Met zes jaar vaderschap onder mijn riem begrijp ik dat er geen antwoord is op zulke vragen. Het ouderschap is niet aan of af te raden. Het verandert je niet op magische wijze in iemand anders. Je slaat een bepaalde weg in en laat een andere weg links liggen, niet meer en niet minder. Het is een van de weinige dingen die je leven weliswaar volkomen veranderen, maar die je net zo goed kunt doen als laten, omdat je toch niet weet wat je mist tot je vader of moeder bent.

Ingmar Heytze (‘1970) schrijft poëzie, dag­­-boe­ken en columns. Hij de­bu­teerde in 1997 met ‘De allesvrezer’. De oud-stadsdichter van Utrecht speelt in een band.

Over naar de poëzie. Die schiet er sterk bij in. Kleine kinderen, zeker als je er meer dan een hebt, zorgen nu eenmaal dat je jezelf niet meer kunt horen denken – er gaan dagen voorbij dat mijn vrouw en ik niet verder komen dan monosyllabische instructies naar elkaar blaffen bij wijze van gesprek. Bovendien kan ik niet multitasken: als ik tegelijk probeer te dichten en te vaderen ben ik ofwel een slechte vader ofwel een slechte dichter, en waarschijnlijk allebei tegelijk.

Niet dat ik denk dat moeders dat wel kunnen. Het gedicht ‘Moeder’ van Annie M.G. Schmidt begint als volgt:

Mijn bladerloze schaduw mijdt het water
Ziezo hè hè, de eerste regel staat er.
en speurt de witte angst van eeuwen later
Ga weg! Ga spelen met je transformator!
Je ziet toch dat je moeder zit te dichten.

Het gedicht loopt niet goed af. Tenminste, voor de dichter. Die deelt weliswaar nog een paar flinke sneren naar haar kind uit (“Je moeder zou een Shakespeare kunnen zijn. / Ze is het niet. Dat komt door jouw gedrein.”), maar zodra het kind moet huilen wint de moeder: “…Gevallen met je beer? / Je moeder komt ... na na ... daar is ze al. / Wees nou maar zoet – ’t genie staat weer op stal.”

Eerst de verwondering, dan het vers

Dit gedicht staat in de bundel ‘Huishoudpoëzie’ uit 1957. Het is vrij lang enig in zijn soort geweest. Er is genoeg poëzie waarin het ouderschap een rol speelt, maar ik ken geen gedicht uit de vorige eeuw waarin een moeder zo ronduit toegeeft dat haar kind de vijand is van haar scheppend vermogen. Pas dit jaar kwam ik iets tegen dat erop leek: Rosa Schogt, dit jaar gezegend met een poëziedebuut (‘Dansen te ontspringen’) én een tweeling van nog geen negen maanden oud, schreef deze herfst in een Facebookpost:

Dingen die ik me afvraag sinds ik baby’s heb:
Waarom zijn de meeste rompertjes wit, en niet mosterdgeel?
Waarom hebben babykleertjes zakken of een gulp?
Waarom zakken babysokjes altijd af?
Waarom sluiten niet alle rompertjes op dezelfde manier?
En waarom, oh waarom, wordt er bij babykleertjes niet veel vaker klittenband gebruikt?
(Ooit wordt dit wellicht een gedicht. Nu is het enkel verwondering boven de commode.)

Het gaat natuurlijk om die laatste zin. Eerst de verwondering, dan het vers. Als er ooit nog eens tijd voor is. Intussen is de post een duidelijke aanzet tot dat gedicht, zoals de dichter zich ook wel realiseert. Het voornemen tot een gedicht is al meer dan de helft ervan.

Kunstenaars in het algemeen, en dichters in het bijzonder, zijn tweeslachtige types. Enerzijds leven ze voor hun kunst, wat romantisch over zou kunnen komen, anderzijds – of eigenlijk: in het verlengde daarvan – zijn het berekenende wezens: alles wat ze meemaken, zien ze op zijn minst óók als persoonlijk experiment waar ze profijt uit kunnen trekken voor hun kunst.

Moeders en vaders

Hagar Peeters verklaarde in de ­Poëziepodcast van Daan Doesborgh: “Je bent waarschijnlijk een figurant in je eigen leven. Maar als je opschrijft wat je ziet (…) maak je je rol toch weer groter doordat je het zwart op wit laat bestaan, als iets blijvends, terwijl jij verdwijnt.” Het leven verdichten is een slimme manier om het een ­zekere vorm van zin te geven, en in één moeite door je eigen bestaan een beetje belangrijker te maken.

Het is natuurlijk een onuitstaanbare generalisatie, maar moeders lijken in gedichten bijna automatisch bezig te zijn met hun kinderen. Ze zien de wereld door kinderogen, ­maken zich zorgen om hun kinderen, liefkozen ze. Ze verwonderen zich vast ook nog wel over het moederschap, maar de focus ligt op het kind zelf. Vasalis (1909-1998) begint haar klassieker ‘Thuiskomst van de kinderen’: “Als grote bloemen komen zij uit ’t blauwe duister”.

Dichtende vaders zijn net zo goed met hun kinderen bezig, maar toch ook voor een groot deel met zichzelf. Ze kunnen er klankrijk over dreinen dat hun plaats in de mooiste, centrale cosy seat van het universum nu wordt gevuld door hun nageslacht. Waar een moeder voelt dat ze voortaan ‘wij’ is, is de vader eerder een vreemde voor zichzelf. Althans – laat ik voor mezelf spreken – zo ervoer ik het. Dat ging na een paar jaar ook wel weer over, al word ik nog weleens in paniek wakker van de vraag waar ik aan begonnen ben. Maar dan pak ik de bundel ‘Dit en alles en heel het heelal’ van Pim te Bokkel, die met liefde over het vaderschap dicht en toch geen blad voor de mond neemt: “Terwijl ze huilen registreren we hoe mooi het was. // Ik ben de vader die ik had.” Of ik vind troost in de bundel ‘Wake’ van Kurt de Boodt, die met gevoel voor sterfelijkheid dicht: “Je maakt geen kind om langer te leven,… (…) / Je maakt een kind om het af te geven.”

Het persoonlijke algemener maken

Je eigen kind is een onvermijdelijk, maar ook gevaarlijk onderwerp om over te dichten. Dichters behoren hun emoties te wantrouwen. De lezer moet huilen, jij niet. Je schrijft het gedicht voor je kind niet alleen voor dat kind, maar ook voor mensen die zichzelf, hun partner en hun (al dan niet aankomende) kind erin willen herkennen. Een gedicht is per definitie een gemeenplaats – het raakt iets universeels aan op een unieke manier. Het persoonlijke zit hem niet in de inhoud, maar in de vorm – iedereen wordt geboren en gaat ook weer dood, en als we maar ver genoeg uitzoomen op het aardse gewemel, maken we in de tussentijd grotendeels dezelfde dingen mee. Wat een gedicht over al deze dingen uniek maakt, is nooit wát je erover schrijft, maar hóé. De kunst is dus om het persoonlijke algemener te maken, in plaats van het algemene persoonlijk – want dan heeft een ­lezer er geen boodschap aan, tenzij de lezer bovenmatig in jou als persoon geïnteresseerd is. Maar zelfs een dichter heeft maar één biologische moeder.

Voor wie wil weten hoe je het strikt persoonlijke volkomen universeel kunt maken: Erik Menkveld schreef het even universele, opgewekte als ontroerende gedicht ‘Alles mag je worden’.

Het springzaad knapt, de brempeulen
knallen open en jij ligt er in je wieg
als een popelend boontje bij.

Alles mag je worden van mij: zeeman,
boswachter, archeoloog. Of –
als je leven ingewikkelder loopt –

gesponsord ontdekker van aangroei
werende stoffen voor scheepsverf,
alleenstaand paddenstoelenfotograaf,

pacht- en beestenlijstenonderzoeker
van verdwenen Drentse keuterijen…
Behalve ongelukkig. Beloofd?

Dat had makkelijk mijn dierbaarste gedicht over vaderschap kunnen zijn. Maar mijn favoriete dichtende vader is een ­tobbende volwassene, die twijfelt wanneer hij zijn zoon zal moeten vertellen hoe onvermijdelijk het ongeluk is in dit ­leven. Over die twijfel schreef F. Starik (Songloed) het mooiste vadergedicht dat ik ken.

Het evangelie van Starik
Ik moet mijn zoon nog zeggen
dat hij moet leren op zichzelf
te staan, ik moet hem uitleggen

je komt alleen, je gaat alleen
en onderweg zijn vele wegen
maar die gaan nergens heen.

Twaalf is hij. En grijnst verlegen. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden