Review

Ulbricht moest maar niet te lang stilstaan bij de pro-DDR-resolutie van de PvdA

Op 8 mei 1969 hadden de journalisten Han Lammers (De Groene), Kees Tamboer (Het Vrije Volk), Sytze van der Zee (Algemeen Handelsblad) en ondergetekende (De Tijd) in Oost-Berlijn een uniek, want kritisch vraaggesprek met Walter Ulbricht, staatshoofd en communistisch partijchef van de Duitse Democratische Republiek (DDR). Voornaamste onderwerp: het neerslaan van de Praagse Lente, een klein jaar eerder, waarbij Ulbricht een hoofdrol had gespeeld.

Daags voor het interview sprak Lammers met twee hoge medewerkers van de internationale afdeling van het centraal comité van de Oost-Duitse communistische 'eenheidspartij'. Naar eigen zeggen om een boodschap over te brengen van het PvdA-partijbestuur waarvan hij, als vooraanstaand Nieuw Linkser, lid was.

Zonder zijn drie collega's daarover te hebben geraadpleegd bracht Lammers echter ook het interview ter sprake. Volgens hem zou Ulbricht er goed aan doen niet al te lang stil te staan bij de recente resolutie van het PvdA-congres waarin was aangedrongen op erkenning door Nederland van de DDR. Anders kreeg, aldus de inschatting van Lammers, de PvdA nog meer last van 'reactionaire' kritiek in eigen land. En dat zou de zaak geen goed doen. Ulbricht nam, zo bleek de volgende dag, de wenk ter harte.

Deze dubieuze actie van Lammers staat te lezen in de boeiende dissertatie 'Nederland en de DDR' van de jonge Utrechtse historicus Jacco Pekelder. Hij schetst daarin de betrekkingen - economisch, politiek, kerkelijk en individueel - tussen Nederland en de DDR in de periode 1949-1990. Een halve eeuw waarin sommigen de Oost-Duitse 'arbeiders en boerenstaat' geleidelijk als voorportaal van het sociale paradijs gingen zien, terwijl anderen zich (te) lang vastklampten aan het Koude Oorlogsbeeld van de DDR als één brok rood-fascistische ellende.

Al waren in die tijd ook kritische geesten - Blaisse (KVP), Bruins Slot (ARP) en Van der Stoel (PvdA) als eersten - die doorhadden dat geen van beide percepties spoorde met de, als gebruikelijk, heel wat complexere realiteit. Hun gelijk vormt de afsluiting van het boek.

Lammers - momenteel plaatsvervangend burgemeester van Groningen - was eind jaren '60 het prototype van een pro-DDR-stroming die in kringen van Nieuw Links, PSP, CPN en progressief-christelijk Nederland (zie Trouw van 12 juni) nogal wat (luidruchtige) aanhang had. Men hield er een sterk geïdealiseerd beeld van de DDR op na dat bij een enkeling zo ver ging dat hij/zij het systeem omhelsde.

Wie kennisneemt van uitspraken van prominente PvdA'ers als Han Lammers, Jan Nagel en Ien van den Heuvel, of van de PSP'er Fries de Vries kan slechts de verbijstering van Pekelder delen: “Hoe was het mogelijk dat weldenkende mensen in een vrij westers land als Nederland waardering konden opbrengen voor het Oost-Duitse bestel?” Willoos liet men zich allerlei nonsens op de mouw spelden. En dus werd de bouw van de Muur in 1961 'een historische noodzaak' genoemd.

Al lijken de psychologische verklaringen die Pekelder voor dit uitschakelen van het gezonde verstand aandraagt iets te gemakkelijk, dat neemt niet weg dat er bij sommigen een samenhang viel te constateren tussen idealisering van het vreemde (Oost) en diffamering van het eigene (West).

Dit leidde ertoe dat een deel van links wel de forse splinters in het eigen oog ontwaarde, maar de balk in dat van de ander met een wel zeer ruime mantel der liefde bedekte. Zo kwalificeerde Lammers het wetgevingsproces in de DDR als “een andere vorm van democratie” en noemde ds. Bé Ruys, predikante in Oost- en West-Berlijn, de Russische inval in Tsjechoslovakije “een lastig bedrijfsongeval”.

Een en ander vormde eind jaren '60 de ideologische basis voor intensieve pleidooien om de DDR ook de jure te erkennen. Al hanteerde een beweging als Nieuw Links ook pragmatische motieven, neergelegd in de uitspraak dat het bestaan van twee Duitse staten voor Europa veiliger was dan één.

Ter rechterzijde bood het politieke spectrum een ander beeld. Daar bleven de christelijke partijen en de VVD tot het eind van de jaren '60 ongevoelig voor de argumentatie van mensen als Blaisse en Bruins Slot dat betere relaties met de DDR ook de bevolking daar ten goede zouden komen.

Wat sterk meespeelde was het feit dat de meerderheid in het Nederlandse parlement geen conflict met Bonn wilde. Want tot het moment (eind '69) waarop sociaaldemocraten en liberalen daar de macht overnamen beschouwden de regerende christendemocraten elke erkenning van de DDR als een vijandige daad jegens de eigen Bondsrepubliek.

Ook de SPD van Willy Brandt wenste niet dat men West-Duitsland voor de voeten liep. Dat ervoer de PvdA nadat, als gezegd, het partijcongres onder druk van Nieuw Links een resolutie had aangenomen die erkenning van de DDR door Nederland bepleitte. Een woedende brief van Brandt, op dat moment (maart 1969) minister van buitenlandse zaken, aan de Parteigenossen in Holland was het voorspelbare gevolg.

Het is de gematigde buitenlandexpert Max van der Stoel geweest die de PvdA-fractie in de Tweede Kamer afhield van de heilloze weg naar overhaaste erkenning van de DDR, zoals het eigen partijbestuur dat wilde en PSP en CPN in het parlement steeds opnieuw probeerden af te dwingen.

Dankzij Van der Stoels tactisch inzicht kon het idee van erkenning langzaam rijpen, met name bij de partijen die daar eerst niets in zagen. Zodat, in het kielzog van Brandts breed opgezette Ostpolitik, de grote meerderheid van beide Kamers ten slotte (januari '73) het aanknopen van formele diplomatieke relaties met de DDR goedkeurde.

Pas na de erkenning van de DDR bloeiden de relaties echt op. Er kwam een (nogal dubieuze) vriendschapsvereniging, de politieke contacten namen toe en Nederlandse christenen reisden met wagonladingen richting DDR om er te dialogeren met Oost-Duitse, vooral protestantse zustergemeenten.

De slechte mensenrechtensituatie in Oost-Europa en het, na de Russische inval in Afghanistan (1979), weer oplaaien van de Koude Oorlog, verhinderden dat ook op het officiële vlak de betrekkingen tussen ons land en de DDR bloeiden. Zo werden de culturele contacten door Den Haag bewust op de waakvlam gehouden. Een officieel bezoek van Honnecker aan Nederland, juni '87, bracht daar nauwelijks verandering in.

De Wende in '89 overviel de Nederlandse ambassade in Oost-Berlijn evenzeer als die van vrijwel alle andere westerse landen. De codeberichten aan Den Haag bewijzen dit. Dat Pekelder er goed gedoseerd gebruik van maakt vormt een van de vele positieve kanten van zijn helder geschreven boek. Al klinkt hier en daar een zweem van onhistorische ergernis in zijn werk door, toch laat de jonge historicus door de bank genomen vooral de (vele) bronnen spreken, officiële, maar gelukkig ook die uit particuliere hand.

Zo komt Pekelder tot een levendige en toch gedetailleerde analyse van de beeldvorming over de DDR in een tijd die al eeuwen geleden lijkt, maar in feite handelt over 'de dag van gisteren'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden