Review

Uitsterven, drama of probleem?

Hoe zal de huidige generatie in de geschiedenisboeken van 3000 worden opgevoerd? Het is niet moeilijk om voor onszelf een mooie lijst samen te stellen. We hebben de ruimte in kaart gebracht, we hebben de gezondheidszorg en levensverwachting aanzienlijk opgekrikt, wetenschap en technologie zijn tot grote hoogten gestegen, computers en robots hebben ons veel werk uit handen genomen en de democratie heeft zich wereldwijd verspreid.

Joep Engels

Niet zo enthousiast, schrijft de vermaarde bioloog Edward O. Wilson in 'De toekomst van het leven'. We zien iets over het hoofd. Goede kans dat we over duizend jaar te boek zullen staan als de mensen die zich alleen bekommerden om hun eigen leven. Die de rest van het leven op aarde aan zijn lot overlieten. Sterker nog, dikke kans dat de mens in de 31ste eeuw vaak droevig of boos zal worden over de wijze waarop wij vele soorten hebben weggevaagd.

Wilson schetst een somber beeld over de toestand van de wereld. We zijn haar aan het uitputten. Vorig jaar bleek uit een studie van de Verenigde Naties dat we in 1978 het kritische punt zijn gepasseerd; sindsdien eigenen we ons meer toe dan de aarde oplevert. Op dit moment hebben we die drempel al met een factor 1,4 overschreden. En dan is er nog geen rekening mee gehouden dat we eigenlijk een deel van de natuur ongerept, en dus onproductief, zouden willen laten.

Wij, dat is het rijke deel van de wereldbevolking. Een manier bijvoorbeeld om de exploitatie van de aarde uit te drukken is de ecologische voetafdruk: de gemiddelde hoeveelheid productief land en ondiepe zee waarop elk individu beslag legt om te voorzien in zijn voedsel, water, huisvesting, energie, vervoer, handel en afvalverwerking. De gemiddelde aardbewoner heeft 2,1 hectare nodig, een inwoner van een ontwikkelingsland 1 hectare en een Amerikaan 9,6 ha. Als iedereen het Amerikaanse consumptiepatroon zou willen bereiken, hadden we nog eens vier aardes nodig.

Wilson illustreert zijn sombere schets met vele voorbeelden, waarbij de ontbossing een centrale rol speelt. Sinds homo sapiens is begonnen bomen te kappen voor zijn landbouw, is twee derde van het oorspronkelijke bos verdwenen. Vooral de laatste decennia gaat het rap: van alle bosgronden die in die tienduizend jaar van beschaving in gebruik zijn genomen, is een kwart sinds 1950 gesneuveld.

En de oerbossen vormen de thuishaven van de meeste soorten, betoogt Wilson. Hij schat dat jaarlijks van alle duizend planten- en diersoorten er één tot tien uitsterven. ,,Als we alle milieubehoudsinspanningen op het huidige niveau zouden bevriezen, kunnen we gerust stellen dat in 2030 een vijfde van alle soorten planten en dieren zal zijn uitgestorven of op het punt staat te verdwijnen. En aan het eind van de eeuw de helft.''

Volgens de Deense statisticus Bjorn Lomborg is dit een schromelijke, zo niet kwalijke overdrijving van de werkelijke problemen. Lomborg heeft zichzelf in 2001 op de wereldkaart gezet met zijn boek 'The Skeptical Environmentalist', waarin hij de vloer aanveegt met de doemscenario's die biologen en milieubeweging verspreiden. Het verdwijnen van de bossen en van de natuurlijke diversiteit is zo'n doembeeld dat volgens de Deen niet op reële cijfers is gebaseerd. Sinds 1950 is het totale bosoppervlak juist gegroeid, schrijft hij, en met dat uitsterven valt het ook wel mee: in 2050 zal niet de helft van alle soorten zijn verdwenen, maar minder dan één procent. Dat is geen drama, dat is hooguit een probleem.

Tja, hoe kan dat nou? Twee wetenschappers, die zich baseren op betrouwbare studies van respectabele instanties, komen tot volkomen tegenstrijdige conclusies. Edward O. Wilson is een vooraanstaand bioloog van Harvard, de grootste mierenkenner op aarde, gezaghebbend natuurbeschermer en 'uitvinder' van de sociobiologie en de biodiversiteit. De palmares van zijn opponent zijn een stuk korter: Lomborg is een voormalige Greenpeace-activist en hoofd van het Deense milieuplanbureau.

Maar je zou Lomborg ook de Pim Fortuyn van de milieuwetenschap kunnen noemen. Verkondiger van een boodschap die velen als muziek in de oren klonk. Iemand die een waarheid bracht waarvan anderen het bestaan al lang vermoedden, maar die ze nu eindelijk onder woorden gebracht zagen. En het moet gezegd, Lomborg heeft een punt: al sinds mensenheugenis wordt beweerd dat het fout gaat met de wereld, dat de voorraden opraken of dat de vervuiling ons de kop gaat kosten. Maar telkens blijft de voorspelde rampspoed uit. Waarna de doemdenkers weer met een nieuwe onheilstijding komen. Bovendien: als de Deen voorrekent dat alle inspanningen uit het Kyoto-protocol de opwarming van de aarde slechts zes jaar uitstellen, bekruipt je de twijfel. Kunnen we dat geld niet beter besteden? De media vonden het prachtig, maar de gevestigde wetenschap schoot in een stuip. Zelfs gedistingeerde bladen als Nature en Scientific American speelden in hun kritiek eerst op de man, dan pas op de bal. ,,Wie is die Lomborg eigenlijk?'', begon menigeen zijn beschouwing. ,,Ik loop nu al vele jaren mee in deze wereld, maar hem ben ik er nog nooit tegengekomen.'' Nu de kruitdampen wat zijn opgetrokken, worden de meer inhoudelijke bezwaren zichtbaar: Lomborg zou wat al te selectief gegevens hebben verzameld om zijn gelijk te bewijzen.

Is dat ook zo? Neem de rekenpartijen over het uitsterven van soorten. Lomborg wijdt een tiental pagina's aan het probleem, maar gebruikt een groot deel daarvan om zijn gram te spuien. Over de vaagheid van het begrip biodiversiteit, over de horrorscenario's dat de aarde tien- tot honderdduizenden soorten per jaar zou verliezen, en met name over het feit dat die scenario's, hoewel ze volgens hem niet op feiten zijn gebaseerd, toch de politieke agenda bepalen.

Veel harde cijfers zijn er niet, vervolgt hij dan, maar die paar geven een heel ander beeld. De officieel - door de Verenigde Naties - geregistreerde gevallen van uitgestorven vogels en zoogdieren laten zien dat soorten verdwijnen in het zeer trage tempo van 0,08 procent per tien jaar. En in Groot-Brittannië is sinds 1600 slechts 0,14 procent van alle insecten verdwenen. Lomborg combineert dergelijke cijfers en hanteert vervolgens de 'zeer extreme' factor van 55 waarmee het uitstervingstempo in de komende eeuwen zal toenemen. Zo komt hij op het genoemde percentage van 0,7 tot 2050.

Op dit ogenschijnlijk eenvoudige sommetje valt wel wat af te dingen. Zo wordt een uitgestorven vogel of zoogdier alleen in de VN-statistieken opgenomen, als de soort goed is beschreven en de dood van het laatste exemplaar is vastgelegd. De laatste trekduif bijvoorbeeld overleed in 1914 in de dierentuin van Cincinnati, maar dat lot is slechts weinig dieren beschoren. De meeste soorten leiden een anoniem bestaan: ze komen en gaan zonder door biologen te worden opgemerkt. Er zijn zo'n anderhalf miljoen soorten bekend, insecten met name, maar de schattingen voor het totaal lopen uiteen van twee tot honderd miljoen.

Lomborg wéét dat ook: voor zijn berekeningen gebruikt hij weliswaar alleen de bekende uitgestorvenen, maar die aantallen deelt hij door het geschatte totaal van dertig miljoen, en niet door het bekende aantal van anderhalf miljoen. Maar ja, de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze kritiek stamt van Thomas Lovejoy, tegenwoordig werkzaam bij de Wereldbank, maar in het verleden lange tijd voorzitter van het Amerikaanse Wereldnatuurfonds. En als iemand het, naast Wilson, moet ontgelden in het boek van Lomborg, is het Lovejoy wel. De Deen zal dus niet erg onder de indruk zijn geraakt van deze kritiek.

Dat was hij ook niet, toen een Deense commissie begin deze maand concludeerde dat zijn boek niet aan de wetenschappelijke standaardeisen voldeed. De Commissie voor wetenschappelijke oneerlijkheid kon hem geen misleiding of kwade opzet verwijten; het zou, volgens het rapport, ook onkunde of nalatigheid kunnen zijn. Hier past opnieuw een kanttekening: de commissie baseerde zich bijna geheel op de kritieken uit de Scientific American. Lomborgs reactie was dan ook voorspelbaar: vooringenomen en slecht onderbouwd.

Maar hoe rekent Wilson dan? Minder exact, in elk geval. Wilson probeert de lezer inzicht te geven in de volgens hem ingewikkelde berekeningen. Of beter gezegd, in de grove schattingen, zoals hij ook zelf toegeeft. Er zijn drie schattingsmethoden. De eerste is gebaseerd op een wet die ooit door hemzelf is geformuleerd en die een verband aangeeft tussen de grootte van een stuk natuur en het aantal soorten dat dit gebied kan bergen.

Bij de tweede methode bestuderen biologen de lijsten van bedreigde soorten en bekijken ze hoe snel een bepaald dier afzakt van veilig naar kwetsbaar en bedreigd. Dat geeft hun inzicht in het tempo van uitsterven. En ten slotte proberen ze met hun ecologische kennis van natuurlijke systemen de overlevingskansen te schatten. Omdat de drie methoden volgens Wilson tot ongeveer hetzelfde resultaat leiden, is de biologie vrij zeker van haar zaak.

Dat klinkt overtuigend, maar met het getal dat Wilson aan deze schattingen verbindt - jaarlijks sterft één tot tien promille van de soorten uit - zal de lezer meer moeite hebben. De bioloog rekent zo losjes uit de pols, dat we hem op zijn woord moeten geloven. Heeft Lomborg dan toch gelijk? Volgens de Deen is 'geloof mij nou maar' het belangrijkste argument van Wilson.

Dus wat moet je dan als lezer? Het probleem is dat beide boeken zich moeilijk laten vergelijken. 'The Skeptical Environmentalist' oogt als een wetenschappelijk werk, met bijna 3000 voetnoten en 75 bladzijden literatuurverwijzingen, maar is in feite een polemisch geschrift waarin Lomborg het gelijk van de milieubeweging probeert onderuit te halen. De nuance is echter ver te zoeken. Wie niet gevoelig is voor de tegendraadsheid van de Deen, gaat zich al snel ergeren aan zijn arrogantie. Op alles heeft hij een antwoord, twijfel kent hij niet. De overwegingen bijvoorbeeld om de bestaande biodiversiteit in stand te houden, loopt hij één voor één langs, waarna hij ze van tafel veegt. Zo zouden wilde dieren en planten het leven op aarde mooi maken. Maar ja, zegt Lomborg: dan hebben we het over de tijger of de walvis, en daar kunnen we nog wel wat voor bedenken. De vliegen of schimmels die voor de écht grote aantallen zorgen, interesseren ons niet. In het oerwoud als kraamkamer voor nieuwe medicijnen of als belangrijke factor op de economische markt, gelooft hij ook niet. Nee, een rationeel argument voor het behoud is volgens Lomborg niet te geven.

Het boek van Wilson daarentegen leest bijna als een roman, bevat niet meer dan 136 voetnoten, maar wordt geschraagd door de bestaande biologische kennis. Nu leven we in een tijdperk waarin het soms bijna abject lijkt om gevestigde ideeën aan te hangen, maar zeker in dit geval is het wantrouwen onterecht. Ondanks de vele onzekerheden is het overduidelijk dat steeds meer natuur moet wijken voor de mens en dat soorten en zelfs hele ecosystemen dreigen te verdwijnen. En het opvallende is: Wilson heeft het gelijk aan zijn zijde, maar mist de arrogantie van de Deen. Hij is in de eerste plaats begaan met het lot van de wereld. Voel de pijn in zijn hart wanneer een collega hem vertelt dat de grote ivoorsnavel is uitgestorven. Maar toch niet overal?, denkt hij bijna wanhopig. Zo'n man vergeef je zijn naïeve plan om het onheil te keren, je gaat hopen dat zijn optimisme enige grond krijgt.

Het aardse paradijs hebben we al lang achter ons gelaten, maar westerse toeristen denken dat ze er op Hawaii nog een glimp van kunnen opvangen. Niets is minder waar, schrijft Wilson. De vegetatie oogt wellicht uitbundig, maar in feite is het een veld des doods van biodiversiteit. Van de paradijselijke archipel zoals de Polynesiërs die in 400 aantroffen, is nauwelijks meer iets over. Bijna alle unieke soorten van destijds zijn verdwenen, het eiland wordt tegenwoordig bewoond door allerlei import.

Als we niet uitkijken, wordt dit het lot van de hele wereld. En rest ons niets anders dan een testament achter te laten waarin we ons excuseren voor de karige natuur. Sorry, wereldburger van het jaar 3000, we hebben er een zootje van gemaakt. Hier hebben jullie wat video's die een indruk geven hoe het ooit is geweest.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden