Review

Twee zeepjes voor Alberdingk Thijms tachtigste verjaardag

Na 'Helse liefde' tekende de Leidse archeoloog Frédéric Bastet (1926) in lichtvoetige en ironische stijl zijn jeugdherinneringen op aan Haarlem. Over Bastet zei de Haarlemse schilder H. F. Boot ooit: “Hij draagt te mooie jasjes, en die dassen, dat moet hij nog afleren. Die jongen moet van Couperus af. Hij heeft nog een lange weg te gaan. Anders wordt hij nog een echte Leienaar, en daar houden wij niet van.”

Boot, behalve schilder tevens classicus, had het goed gezien. Van Couperus is Bastet nooit meer helemaal genezen, getuige zijn biografie uit 1987. Dat Couperus bij hem nog steeds op de eerste plaats staat, blijkt ook uit het slot van 'De kat uit de boom', onlangs verschenen in de Muggenreeks - met 'muggen' worden Haarlemmers bedoeld. Daarin voert Bastet de lezer naar de crematie van zijn Haagse idool op 19 juli 1923, waarna hij het opschrift citeert dat de Romeinse grapjas Valerianus op diens stenen kist liet beitelen: “Ik ben ontsnapt, ontvlucht. Hoop en fortuin, de groeten. Niets meer heb ik met jullie te maken. Houdt nu maar anderen voor de gek.”

Net als in 'Helse liefde - Biografisch essay over Marie d'Agoult, Frédéric Chopin, Franz Liszt en George Sand' (1997) grossiert Bastet in zijn nieuwste boek opnieuw in rare gekken en excentriekelingen. Van de vier Duitse dienstbodes die ze thuis voor de oorlog hadden moesten er twee naar het gesticht. De laatste, Mathilde, geboren in Dortmund, had eerst bij een vriendin van zijn moeder in Aerdenhout gewerkt.

Ze was vreemd, werd toenemend godsdienstig en ging steeds slechter slapen. Ze kreeg hallucinaties, waarbij ze uit het gouden kruis van de koepel van de Sint-Bavo rook zag opstijgen. Op een koude novembernacht schoot Bastet wakker door onaards gekrijs. Mathilde had in een vlaag van godsdienstwaanzin met één been in de dakgoot gestaan om zo naar de hemel te kunnen vliegen. In zijn vader die haar wist terug te trekken, zag zij de duivel. Ze kreeg, een kalmerende injectie en werd per ambulance naar Vogelenzang gebracht.

Bastet lijkt over een nagenoeg feilloos geheugen te beschikken. Van al zijn klasgenoten weet hij de namen nog precies. Net als bij anderen treedt zijn geheugen in werking via associaties. Niet lang geleden zag hij zijn oude schoolgebouw terug in de oorspronkelijke staat. Ergens in de gang waren de zwarte haakjes van de kinderkapstokjes blijven zitten. “Ik voelde eraan. Onverwacht bracht het verborgen geheugen van de tastzin mij terug naar die verre tijd, toen ik er dagelijks een blauw gummijasje aan had opgehangen, dat ik mij niet meer herinnerd had voor ik de ijzeren krul van dit haakje weer voelde.”

Het is de vraag of Harry Mulisch, die een klas lager zat, echt last had van watervrees. Voor zijn geestesoog ziet Bastet de illustere Haarlemse schrijver met beide armen woedend om zich heen slaan in het Sportfondsenbad in het Frederikspark. Opvallender was de moeder van Harry Mulisch. Soms kwam ze hem in een twoseater van school halen. “Nu eens droeg zij kaplaarzen als de Gelaarsde Kat, dan weer lichtelijk voyante bontmantels of vossen. Ze was modieus geonduleerd en geverfd.”

Ontroerend-ingehouden schrijft Bastet over de oorlog, waarin zijn vier jaar oudere broer in 1944 naar Duitsland werd weggevoerd, waar deze aan dysenterie bezweek. Heel erg mooi is het citaat van Nicolaas Beets, die als student met vrienden van Leiden naar Haarlem placht te wandelen. Ruim een eeuw later, tussen 1948 en 1955, ging Bastet dezelfde weg van Leiden naar Haarlem en retour, zij het meestal per trein.

Sommige lezers zullen 'De kat in de boom' een onverdraaglijk boek vinden, met bovendien een hoog anekdotisch gehalte. Toch valt er veel te genieten. Niet iedereen verkeert in de betere 'krengen' en weinig mensen kunnen zeggen dat ze bij mevrouw Elisabeth Couperus-Baud op de thee zijn geweest.

Onvergetelijk is de tachtigste verjaardag, op 22 september 1944, van Karel Alberdingk Thijm, alias Lodewijk van Deyssel, volgens Bastet 'met de nek van een varkensslager'. De periode van de grootste schaarste was toen al aangebroken. Stadsgenoot Godfried Bomans gaf Thijm een allerkostbaarst geschenk: een stuk zeep. Ook van een andere vereerder kreeg hij 'zo een zeepje', meldt Bastet. Wat Thijm de oubollige dankbetuiging ontlokte: Ik geloof dat de heren mij om zeep willen brengen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden