Review

Tussen platte decorbouw en verrassende doelmatigheid

De laatste jaren is in Nederland door de bioscoopgigant Pathé een aantal megabioscopen uit de grond gestampt. Een kleine rondgang langs de architectuur van de bioscoopcomplexen, met als meest recente Pathé Munt in Amsterdam.

De bioscoop Tuschinski aan de Reguliersdwarsstraat in Amsterdam is met zijn interieur en exterieur in art-nouveau-stijl een parel in de Amsterdamse binnenstad. Een parel helaas, die in een steeds troebelere setting is komen te staan. Sinds een aantal jaren is de bioscoop in handen van de bioscoopketen Pathé, een bedrijf dat van filmkijken een lucratief massa-evenement heeft gemaakt. Pathé kon de allure van de oude bioscoop niet te grabbel gooien (als het bioscoopconcern dat al had gewild), want het hele gebouw staat op de Monumentenlijst. Tuschinski wordt nu gerenoveerd, dus blijft alle grandeur bewaard. Pathé wilde echter wel uitbreiden. Dat lukte achter Tuschinski, maar dan moest er wel een nieuwe entree aan de Munt komen. Het is daar dat Pathé gaat voor de platte, bordkartonnen grandeur.

Pathé zit in de filmbusiness. Wat is leuker dan een filmbeeld te bevriezen in steen? Een straatje dat oplost in het perspectief, als een decor voor spannende taferelen, de toegangspoort naar de verbeelding. Mooi in theorie, maar dan wel als het ook met zorg is uitgevoerd, zoals de Fransman Christian de Portzamparc dat zo fraai heeft gedaan bij het Cité de la Musique in het Parc de la Vilette in Parijs. Zijn spel met wijkende perspectieven, met de illusie van een groter 'beeld', werkt daar voorbeeldig. Zeker ook, omdat hij weet wat detailleren is.

De Portzamparc leek dus de ideale architect voor de ambities van Pathé aan de Munt. Of de Fransman nu te veel op afstand heeft gewerkt, te weinig budget had of zich er gewoon te gemakkelijk van af heeft gemaakt is niet te achterhalen, maar het is duidelijk dat je met een sterarchitect nog geen sterontwerp binnenhaalt. Portzamparcs in Parijs nog zo mooi uitgevoerde wijkend perspectief bestaat in Amsterdam uit drie stukjes muur die wel perspectivisch verkleinen (over een lengte van grofweg tien meter), maar die zo zieltogend in het vlak van de straatwand staan, dat ze geen moment de verbeelding prikkelen.

Het is ook een raadsel waarom gekozen is voor de 'dooie' grijsbruine baksteen waaruit de pui is opgemetseld. De drie muurtjes staan aan de voet van een groot, iets scheef geplaatst vlak erachter in dezelfde baksteensoort. Het enige dat werd gedaan om de monotonie van dit naargeestige grote vlak te doorbreken, was het aanbrengen van een patroon van lampjes die 's avonds de bioscoopgevel moeten laten opflakkeren. Het zijn er echter zo weinig, dat de uitstraling minimaal is. Dus moet het komen van een stuk of zes grote spots die met kleurtjes het vlak aanlichten en zo een theatraal gevoel moeten oproepen. Dat helpt een beetje.

Hoezeer Pathé in architectonisch opzicht gaat voor het snelle platte effect (gemaakt met de goedkoopst mogelijke middelen), blijkt uit het volledige gebrek aan interactie tussen de gevel en het interieur. De verwachting die het wijkende perspectief in de gevel oproept, krijgt binnen geen vervolg. Daar heerst de cultuur van triplex-wandjes die zijn gezaagd in vlotte vormen. Die moet de volstrekt utilitaire functie van de entreehal maskeren, maar het lukt niet om er ook een sfeervolle entree mee te maken. Uit alles blijkt dat de Pathé-organisatie met deze vestiging aan de Munt wel een soort Las Vegas-gevoel op wil roepen, maar er niet het budget voor over heeft gehad. Nog los van het feit dat de abstracte 'perspectief-gevel' niet fraai in de bestaande huizenrij staat.

Is deze misser aan de Munt representatief voor de architectonische attitude van Pathé? Nee, zeker niet. Vorig jaar werd in Amsterdam-Zuidoost een complex geopend dat weliswaar ook heel utilitair en basaal is opgezet, maar wel veel doordachter in elkaar zit. En vier jaar geleden werd in Rotterdam op het Schouwburgplein een bioscoop neergezet die architectonisch prachtig in elkaar steekt. Blijkbaar staat of valt het bij de architect van dienst die de opgave invult.

Frits van Dongen van de Architecten Cie maakte het Pathé-complex in Zuidoost, gelegen tegenover de zuid-entree van het Arena-stadion. Een 'domme' doos, bekleed met geperforeerde staalplaten. Niet bepaald glamoureus. De geraffineerde en prachtige zet die Van Dongen echter deed, was één majestueuze trap aanleggen, die het hele interieur domineert. Een trap van 52 aangelichte treden die als een showbizz-trap de bezoekers naar de zalen brengt. Om dit moment in alle glorie aanschouwelijk te maken, heeft Van Dongen een glaswand in de huid van de doos aangebracht, die precies de beweging van de trap volgt. Daarmee straalt deze tot buiten aan toe. Simpel, en ongetwijfeld goedkoop, maar van een oneindig sterkere allure dan het geveltje bij de Munt.

Zo is ook het eerder gebouwde bioscooptheater van Koen van Velzen in Rotterdam een mooi kunststuk. Ook dit gebouw is volledig utilitair, totaal gericht op de zo efficiënt mogelijke distributie van het publiek naar de films. De trappen en loopvlakken die hiervoor nodig zijn, heeft Van Velzen tot het hoofdthema van zijn ontwerp gemaakt, door ze als het 'cement' voor de zalen te gebruiken. Ze structureren het volume, zorgen voor helderheid en doen tegelijkertijd dienst als de ontmoetingsplekken en foyers van het complex.

De grillig gevormde zalen liggen hier doorheen en bepalen de vorm van het totale gebouw. Als bekleding koos de architect semi-transparante golfplaten. Het resultaat is een complex dat overdag een enigszins introverte sculpturale vorm heeft en 's avonds van binnenuit wordt aangelicht, waarmee het een baken in de stad is. Net na de bouw stond de bioscoop wat verloren bij de entree van het Schouwburgplein, maar een paar jaar later kreeg het als 'sokkel' een plein van het bureau West 8, waardoor het gebouw een stedelijke inbedding kreeg die het krachtige architectonische gebaar versterkte. Kom daar maar eens om aan de Munt.

Zowel Van Dongen als Van Velzen hebben de eis voor een efficiënt utilitair (en vermoedelijk goedkoop) gebouw in hun voordeel omgebogen. Hetzelfde heeft DPZ (een afsplitsing van Mecanoo) gedaan in Ede. Langs de A12 bouwen ze aan het bioscoopcomplex CineMec van de Belgische exploitant CinePolis, een concurrent van Pathé. Grillige, roodgekleurde dozen steken pontificaal naar buiten aan de snelwegkant. Het is duidelijk dat zich hier iets feestelijks afspeelt. Door de zalen zo manifest te maken, zorgt DPZ ervoor dat het complex een vanzelfsprekende identiteit krijgt. Achter de voorgevel aan de stadskant (een volledig met glas ingevulde boogvorm) zit de foyer. Het is een open 'plein' dat de zalen verbindt.

Interessant is de visuele overeenkomst tussen de uitpuilende zalen aan de snelwegkant van de bioscoop en de uitpuilende zalen van de Rusakov-club in Moskou, ontworpen door de Russische avant-garde-architect Melnikov in 1927-29. De Russische constructivisten dachten met een rationalistische aanpak van de architectuur een bouwstijl voor het volk te creëren. In zekere zin doet DPZ dat ook met haar bioscoop. Een gebouw voor het volk. Dienstbaar, maar met een duidelijk gezicht, zoals ook bij Van Dongen en Van Velzen. Zij hebben geen postmoderne poppenkast nodig als een slecht gedetailleerd en geproportioneerd decorwandje van baksteen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden