Tussen leven en dood, sculptuur en design

In de Rotterdamse Onderzeebootloods is tot en met september werk van Atelier van Lieshout te zien. Bezoekers belanden in een absurdistische wereld vol immense machines en sculpturen van menselijke organen.

Anthony Fiumara

’Het is net Tate Modern aan de Maas’, had de enthousiaste medewerkster van Boijmans Van Beuningen aan de telefoon al gezegd. En inderdaad: de leegstaande Onderzeebootloods uit 1937, die het Rotterdamse museum samen met het Havenbedrijf deze zomer heeft ingericht als de grootste expositieruimte van Nederland (5000 vierkante meter), doet in al zijn industriële grandeur sterk denken aan de Turbine Hall van Tate Modern in Londen: een lichte kathedraal van staal, baksteen en beton.

Omdat Havenbedrijf Rotterdam een breder publiek in contact wilde laten komen met de haven, steekt het veel geld in de samenwerking met Boijmans. Het plan is om elke zomer een internationaal gerenommeerde kunstenaar uit te nodigen de Onderzeebootloods te vullen met een grote tentoonstelling.

Tot eind september is de loods decor voor ’Infernopolis’ van Atelier van Lieshout (AVL), die de grote hal daarmee meteen inwijdt als expositieruimte. AVL werd in 1995 opgericht door Joep van Lieshout (1963). De werkplaats maakt sinds die tijd werken die zich tussen beeldende kunst, design en architectuur begeven. Om maar een zijstraat te noemen: Van Lieshout ontwerpt volgend jaar de decors voor de Wagner-opera ’Tannhüuser’ in Bayreuth.

Van Lieshout werd bekend door zijn ontwerpen van tafels, stoelen, keuken- en toiletblokken van polyester: vaak modulair uit te breiden objecten die het midden houden tussen gebruiksvoorwerp en sculptuur. En die bovendien gemaakt zijn van goedkope materialen. Beroemd werden ook zijn ’mobile homes’, verplaatsbare wooneenheden.

AVL is gevestigd in een oude loods in het Rotterdamse havengebied, vanuit de Onderzeebootloods gezien aan de andere kant van de Maas. In de stad waar hij werkt, is hij geen onbekende. Zijn anarchistische, zelfvoorzienende minivrijstaat AVL-Ville (2001) overschreed de scheiding tussen kunst en werkelijkheid en werd door de gemeente ontbonden. En recent maakte hij ’Cascade’ voor Rotterdam: een zwarte zuil van gestapelde olievaten met druipende mensfiguren, als standbeeld op het Churchillplein.

Die rafelige grenzen tussen kunst en werkelijkheid (tussen goed en slecht, rationeel en irrationeel, zoals Van Lieshout zelf zegt) zijn ook onderwerp van ’Infernopolis’. Het begint al bij de titel: als woord koel-utopisch, maar als je beter kijkt, betekent het ’hellestad’. Iets soortgelijks is er aan de hand met de industrieel ogende installaties die de loods van wand tot wand vullen. De hal blijkt het decor voor bijvoorbeeld ’Cradle to Cradle’: machines bedoeld voor een volledige recycling van een werkgemeenschap van slaven.

Van Lieshout leidt vandaag zelf een besloten groep rond. „Je herkent hem zo”, zegt de suppoost bij de ingang. „Hij ziet er echt uit als een kunstenaar.” Van Lieshout vertelt dat hij de loods in vier afdelingen en thema’s heeft verdeeld, vijf als je de ’Heroic Entrance’ met het smurfenblauwe kanon, de zeecontainer-achtige koffiebar en het ’Modular Multi Women Bed’ (1998) meetelt.

De eerste afdeling wordt beheerst door de oorspronkelijk voor AVL-Ville ontworpen ’Technocraat’, een immense machine die biogas maakt van menselijke uitwerpselen. Duizend slaven liggen er op vlonders in een stellage, worden gevoed, gelaafd en tevreden gehouden (op de installatie kroont een gigantische alcoholtank) en staan in ruil daarvoor hun uitwerpselen af, die de installatie als een perfecte mensgestuurde recycle-installatie aan de gang houden.

In de Onderzeebootloods wordt de ’Technocraat’ bevolkt door Keith Haring-achtige anonieme mensfiguurtjes, sommigen met slangen in hun achterste. Het rondgeleide gezelschap wordt er ongemakkelijk van en een beetje giechelig. De kunstenaar legt uit dat hij de positie van de mens als radertje in een machine aan de orde wil stellen in zijn werk: „De ’Technocraat’ is een afspiegeling van de maatschappij waar we ook allemaal ons rolletje vervullen. Gelukkig worden de slaven regelmatig uitgewisseld.”

In de tweede afdeling staan het menselijk lichaam, de dood en de voortplanting centraal. Zo is de infostand ’Darwin’ een sterk uitvergrootte spermacel: „’Darwin’ gaat over voortplanting, maar ook over natuurlijke selectie. Van de miljoenen zaadcellen is er maar een de gelukkige. Dat natuurlijke proces vindt ook op sociaal niveau plaats, tussen bedrijven, mensen landen en volkeren. Op een ander niveau wordt het door dictators gebruikt, om bijvoorbeeld de übermensch te maken. Natuur en on-natuur gaan door elkaar heen lopen. Dat is een punt dat ons allemaal aangaat.”

Via andere uitvergrootte units zoals de ’Barrectum’ (een bar in de vorm van een endeldarm), de ’Bikinibar’ (een liggende vrouwenromp met bikini) en ’Wombhouse’ (een woonunit in de vorm van een baarmoeder, met wc en minibar in de eileiders) loopt Van Lieshout naar zijn mummi-achtige en mensvormige meubelsculpturen van polyurethaan-schuim.

De fascinatie voor het menselijk lichaam en zijn organen komt op een wat meer morbide manier tot uiting in ’Cradle to Cradle’ (naar de duurzaamheidsfilosofie van William McDonough) – ook een onderdeel van Slave City, een model voor een slavenstad annex concentratiekamp waarin de mens op een klimaatneutrale manier enorme winsten maken.

De mens is er een product geworden, die uiteindelijk in de enorme gehaktmolen achterin de loods tot nieuwe grondstof wordt gerecycled: „Met de jaarlijkse winst van 8,7 miljard kun je leuke dingen doen. Dat is slecht, maar het heeft ook utopische kanten. Die tegenstelling zie je in veel van mijn werk.” Wijzend op de rij stijlvol vormgegeven anatomietafels met opengesneden lijken: „Als je één gezonde slaaf zou doden voor orgaandonatie, kun je daar 2,7 mensen mee redden. Als je dat van een afstand bekijkt, denk je: waarom zou je het niet doen?”

De beeldengroep ’Nieuwe Culturen’ is zijn recentste werk. De sculpturen zijn heroïsche monumenten voor een toekomstige wereld. Bij Van Lieshout is het ruiterstandbeeld een kraker met een gasmasker op, molotovcocktail in de aanslag. Eromheen dood en verderf: een oude man probeert zijn hachje te redden, een moeder met kind slachten een paard om aan eten te komen.

Een ander beeld is er eentje van een mens wiens buik door een kogel uit elkaar spat: hij houdt een lampenkap vast en hangt daarmee niet alleen tussen leven en dood, maar ook tussen sculptuur en design. Van Lieshout sluit af: „De tijd waarin we nu leven is de beste sinds mensenheugenis. In de westerse landen is bijna iedereen rijk en gezond en gelukkig. Iedereen heeft de mogelijkheden zichzelf te ontplooien. De vraag is hoe lang dat nog gaat duren en met wat voor snelheid we met zijn allen, al voortplantend en overconsumerend, tegen een muur aan lopen. We spelen met vuur.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden