null Beeld
Beeld

BoekrecensieOnderzoeksjournalistiek

‘Tussen kunst en cash’ laat zien: het zijn net mensen, die kunstbobo’s

Er staan interessante ontdekkingen in dit boek over de rol van geld in de kunstwereld, maar soms neigt het naar sensatiezucht.

De auteurs van Tussen kunst en cash groeiden op tussen de kunst, zo melden ze in de eerste regels van hun boek. Pieter (1971) is de zoon van oud-museumdirecteur Henk van Os. De vader van Arjen (1957) was theaterdirecteur en leidde later een tentoonstellingsruimte voor vormgeving. Over de financiële kant van de kunst sprak men niet in de huizen Van Os en Ribbens. Pas toen ze voor NRC over kunst gingen schrijven en er in de kunstwereld mensen actief bleken te zijn die niet per se hun liefde voor kunst als belangrijkste drijfveer hadden, hadden ze hun niche gevonden.

Ze schrijven beiden regelmatig artikelen over die ándere kant van de kunst. Over de kant van het grote geld, van investeringen en handel in valse schilderijen, valse toeschrijvingen en mogelijk valsspelende directeuren. Saillante verhalen, soms van lange adem, soms met veel effect. Zo leidde het porren in de financiële administratie bij het Amsterdamse Stedelijk Museum ertoe dat directeur Beatrix Ruf onder druk haar ontslag indiende en kelderde de reputatie van kunsthandelaar Jan Six nog verder sinds NRC in april op de voorpagina kopte over ‘Rel nummer twee’, waarbij Six wordt beschuldigd van oplichting.

In dit boek staan dertien verhalen, grotendeels gebaseerd op artikelen die ze eerder schreven voor de krant, nu uitgebreid en geactualiseerd. Steeds stellen ze één personage centraal uit de complexe kunstwereldfamilie, belichaamd door één Nederlandse, meestal spraakmakende vertegenwoordiger. Hebzucht en ijdelheid regeren. Zo is er de kunstdetective Arthur Brand die via schimmige wegen gestolen kunst opspoort, de handelaar Jan Six die een partner belazerde. Iedere keer begint het duo met het beschrijven van de uiterlijke schijn, om na doorvragen te stuiten op misstanden.

Jan Six maakt een selfie voor Portret van een jongeman dat aan Rembrandt wordt toegeschreven.  Beeld ANP
Jan Six maakt een selfie voor Portret van een jongeman dat aan Rembrandt wordt toegeschreven.Beeld ANP

Deels nu bekende, maar nochtans verbazingwekkende verhalen. Het hoofstuk over Kim Loghies gaat over haar ‘boetiekmuseum’ Moco aan het Amsterdamse Museumplein. Loghies had met haar man jaren een galerie waar ze kunst in oplage verkocht; drukwerk van grote namen als Warhol, Picasso en Matisse. Een expositie van werk van street-art-kunstenaar Banksy in 2015 was zo populair dat het het paar op een idee bracht: ze openen een Banksymuseum.

Ze huurden een statig pand en noemden het het Moco Museum, een naam die lijkt op Amerikaanse grote museumnamen. Met Banksy en Warhol op het affiche en een riant advertentiebudget trekt het veel jongeren die zelden naar een museum gaan. Nu verdienen ze veel geld aan het tonen van ongeautoriseerde reproducties van Banksy en Warholaffiches. Een slimme niche, zo benadrukken Van Os en Ribbens: omdat hij zijn identiteit niet bekend wil maken, kan Banksy zijn auteursrecht niet claimen.

Macht en ijdelheid gaan al eeuwen samen in de kunstwereld

De opzet van het boek werkt goed, het is vlot en toegankelijk geschreven. En het is een boeiende invalshoek; kunst, geld, macht en ijdelheid gaan juist bij de beeldende kunst al eeuwen samen. Zakelijk volgt de lezer mails en wob-verzoeken en maakt kennis met de hoofdpersonen uit de Nederlandse kunstwereld (een namenregister was prettig geweest). De kunstwereld is geen prettige wereld. ‘Over Jan Six raakt het kunstwereldje intussen niet uitgepraat’, verzamelaar Bert Kreuk stelt dat mensen ‘in de kunstwereld’ regelmatig iets anders zeggen dan ze doen en een geraffineerde oplichter uit Wanneperveen legt ‘weer een andere zijde van de naïviteit in de kunstwereld’ bloot.

De mensen die de kunstwereld bevolken zijn net mensen, inclusief gebreken en listen. Zo ontdekten de twee dat de koninklijke familie 8,8 miljoen euro aan erfbelasting wist te besparen door kunst aan de Nederlandse staat te verkopen en ontdekte het duo een schimmige constructie achter kunstenaarscertificaten, diploma’s die kunstenaars voor 165 euro zouden kunnen helpen met hun carrière.

Toch zijn de schrijvers soms wel erg gretig. Het boek staat vol met beschuldigingen met naam en toenaam en met veel tranen: ‘Geheel overstuur moest ze urenlang huilen’; ‘Six tierde, huilde en in een poging zijn handelen te verklaren haalde hij er van alles bij’. En er zijn ‘boze media’, meestal de Volkskrant of Het Parool. Regelmatig rijst de vraag waarom de pijnlijke verhalen zo uitgebreid aan bod moeten komen. Zoals bij de weduwe van Constant Nieuwenhuys, die onenigheid over de erfenis zou hebben met de kinderen uit eerdere huwelijken. Niet erg smakelijk of nieuwswaardig.

De schrijvers staan nog pal achter hun heksenjacht

Uiterst kritisch was NRC op het doen en laten van Beatrix Ruf, de museumdirecteur die het verwijt kreeg haar neveninkomsten niet netjes te hebben opgegeven. Dit boek had een bredere analyse kunnen bieden, ook over de structurele misstanden bij het museum en de gemeente. Ruf werd gerehabiliteerd, maar de schrijvers staan nog pal achter hun heksenjacht.

De advertentie in Het Parool om Beatrix Ruf naar het Stedelijk Museum terug te halen. Beeld
De advertentie in Het Parool om Beatrix Ruf naar het Stedelijk Museum terug te halen.

De mensen die protesteerden tegen het plotselinge vertrek van Ruf noemen ze ‘ruffianen’. Een online petitie tegen haar vertrek werd ondertekend door iets meer dan zevenhonderd prominenten uit de internationale kunstwereld, maar de schrijvers tonen zich vooral verguld met een telefoontje van Ferd Grapperhaus die hen bedankt voor het openen van de ogen voor ‘allerlei misstanden’ bij het museum. Grapperhaus, voorzitter van de raad van toezicht van het Stedelijk, en Kajsa Ollongren, toen cultuurwethouder in Amsterdam, zaten al in de wachtkamer voor een ministerspost in Rutte III toen Ruf onder zware druk haar ontslag aanbood. Hoe die politieke druk heeft bijgedragen aan haar vertrek blijft onduidelijk.

Andere kunstjournalisten beschouwen de auteurs als gefnuikte kunstenaars

De vertellers zweven ver boven de wereld die ze beschrijven. Het boek is geschreven in de wij-vorm, dat maakt het nog afstandelijker. De auteurs hangen boven paniekerige museummensen, boven weduwes van kunstenaars die ‘af en toe uit de bocht vliegen als het gaat om auteurs- of zelfs persoonlijkheidsrechten’. En boven andere kunstjournalisten: dat zijn volgens de schrijvers ‘gefnuikte kunstenaars’ met een fixatie op artistieke prestaties, ‘anachronistisch’.

Belangrijke vragen, over de invloed van het geld op de positie en aard van de kunst, blijven onderbelicht. Wat betekent de nieuw vergaarde financiële kennis voor de positie van het Amsterdamse Stedelijk? Kan dat met de huidige constructie nog wel ‘het meest gezaghebbende museum voor hedendaagse kunst’ zijn, zoals de auteurs suggereren? Wat te zeggen over de invloed van privécollecties zoals die van Joop van Caldenborgh en zijn museum Voorlinden, en museum More in Gorssel?

Misstanden zoals rond de Oranjes, Jan Six, hebben al het nodige stof doen opwaaien, te veel stof soms; ze maken dit boek sappig voor iedereen die meer wil weten van de Nederlandse kunstwereld. Het is jammer dat daarbij de kunst soms zo ver uit het zicht is geschoven dat het lijkt of de twee niets met elkaar te maken hebben.

null Beeld
Beeld

Pieter van Os en Arjen Ribbens
Tussen kunst en cash. Hoe geld de Nederlandse kunstwereld corrumpeert
Das Mag; 312 blz. € 23,99

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden