Review

Tsjechov wordt verkeerd begrepen

Nederland houdt van Tsjechov. Maar wel om de verkeerde redenen, vindt slavist Hans Boland. Niet mededogen dreef hem, zoals iedereen beweert, maar haat - jegens de Russische maatschappij. Dat was al zo in zijn vroege verhalen die nu, niet geheel terecht, opnieuw vertaald zijn.

Hans Boland

Anna Achmatova moest niets van Tsjechov hebben. Vladimir Majakovski daarentegen had een mateloze bewondering voor hem. Omgekeerd zou Tsjechov (1860-1904) -mits hij lang genoeg geleefd had om de grote Russische dichters van de twintigste eeuw te leren kennen -de onopgesmukte, ingetogen poëzie van Achmatova ongetwijfeld hebben verkozen boven die van de barokke, onstuimige Majakovski.

Zoals elke grote schrijver is en blijft Tsjechov in de eerste plaats een raadsel, dat nooit eenduidig zal worden opgelost. Weinig auteurs werden en worden zo vaak misverstaan als hij. Het beroemdste voorbeeld daarvan, nog tijdens zijn leven, is de vermaarde regisseur Stanislavski, de eerste die in Tsjechov een geniaal toneelschrijver zag. Van zijn kant vond Tsjechov dat Stanislavski niets van hem begreep.

In ons land is het gezag van Tsjechov -overigens pas na de Tweede Wereldoorlog - onaantastbaar. Alleen Shakespeare wordt vaker opgevoerd dan hij, en zijn verhalen worden als maatgevend beschouwd. Maar of dat gebeurt op de juiste gronden, is de vraag.

,,De mens is naar mijn mening een weerzinwekkend wezen'', stelt een van de personages uit Tsjechovs vroegste verhalen, waarvan dezer dagen een nieuwe vertaling verschijnt. Rusland wordt er -heel herkenbaar- getekend als een poel van ellende. Er wordt honger geleden en af en toe komt er iemand voorbij die zijn jas over het naakte lijf draagt. Menselijke omgang wordt bepaald door rangen en standen, en buitenlanders worden aanbeden. Ieder gevoel van verantwoordelijkheid ontbreekt, corruptie is de norm: bij brand is de brandweer onbereikbaar, want Michaïl en Makar doen boodschappen voor hun bazen, Jegor assisteert de schoonzuster van de inspecteur van politie, en Nikita is gewoon dronken.

Ze zullen trouwens allemáál wel zat zijn geweest, want in Tsjechovs vroege verhalen is zelden iemand nuchter. Een Tsjechov-Rus werkt niet, maar ligt te dutten of zit te kaarten, poetst eindeloos zijn laarzen -zoals in onze dagen miljoenen Russinnen hun werkdag vullen met nagels lakken- of reageert zijn frustratie af met het doodmeppen van kakkerlakken.

Tsjechovs landgenoten classificeren het leeuwendeel van zijn korte verhalen als 'humoristisch'. Nederlanders zijn misschien gevoeliger voor de wrangheid ervan. De tragiek -of beestachtigheid- gaat kennelijk aan beide partijen voorbij. Indien de gemiddelde Rus werkelijk besefte, als Tsjechov, hoe ellendig zijn samenleving er aan toe is, zou die samenleving twee keer zo soepel functioneren. Op zijn beurt is de gemiddelde Nederlander amper bij machte de boosaardigheid van de door Tsjechov beschreven werkelijkheid te doorgronden, vanachter zijn comfortabele borreltafel of vanuit zijn veilige bed met gezondheidsmatras.

'Bij de vrouw van de adelsprefect' mag dienen als illustratie van het voorgaande. Het verhaal vertelt van een weduwe die ieder jaar op de sterfdag van wijlen haar echtgenoot een dodenmis houdt. Alle notabelen zijn hierbij aanwezig, niet uit respect voor de dode, maar vanwege de copieuze maaltijd die eraan vastzit. Drank echter komt er bij de weduwe niet in, want de overledene is daaraan ten onder gegaan. Zonder wodka eet een Rus niet lekker, en de gasten belazeren de weduwe dan ook onder haar ogen, door zich op gezette tijden terug te trekken in de stal, waar zij een drankvoorraadje hebben verborgen.

Een Rus slaat zich op de dijen bij dit verhaal... maar ik weet wel zeker dat hij verontwaardigd zou zijn als het door een buitenlander was geschreven. Een Nederlander schat hetzelfde verhaal in als een karikatuur of een fictieve situatie. Achmatova en Majakovski zouden het weer anders zien: zij zou er misselijk van worden omdat het over haar dagelijkse, onontkoombare, zieke omgeving ging, terwijl hij ervan zou genieten omdat literatuur zich in zijn ogen nooit genoeg met het vulgaire kon bezighouden.

Dikwijls wordt beweerd dat uit het werk van Tsjechov mededogen spreekt. Eerlijk gezegd bespeur ik daar weinig van. Zijn personages haat hij dan wel niet -hoewel hij ze ook bepaald niet liefheeft- maar wat hij wel degelijk haat, is Rusland, de Russische samenleving. Het is Tsjechov er altijd weer om te doen de vinger te leggen op leugen en hypocrisie. De wereld is daarvan doordesemd, maar je krijgt de indruk dat er nergens zo schaamteloos wordt gelogen en gehuicheld als in Rusland. Tsjechovs afkeer van zijn vaderland druipt er op elke pagina van af, en misschien doet hij daarom wel zo 'westers' aan.

Natuurlijk krijgt de lezer bij een verhaal als 'Oesters' medelijden met het hongerlijdende, hallucinerende kind dat walgt van oesters maar deze desondanks opslurpt. Toch wordt ons medelijden overstemd door weerzin jegens de grappenmakers die de oesters hebben besteld.

Overigens doet dit verhaal -een van de beste uit de hier besproken bundel- sterk denken aan het veel latere 'Slaap', waar een meisje van negen met het huishouden is belast en daarnaast ook nog moet babysitten, wat haar krachten zozeer te boven gaat dat ze begint te hallucineren en de baby uiteindelijk wurgt. We hebben medelijden met het meisje, maar meer nog gruwen we van de maatschappij die zo'n tragedie toelaat. Deze kil-analytische pen is precies dat wat Tsjechov groot maakt.

Van die grootheid blijkt echter nog niet veel in zijn vroege verhalen. Tsjechov zelf was wel de laatste die er artistieke waarde aan toekende. Hij schreef ze omdat het de makkelijkste manier was om geld te verdienen. Het zijn grotendeels draken met gedateerde grollen, een cabareteske clou en een afgezaagde moraal. Oubolligheid viert bijvoorbeeld hoogtij bij de keuze van de namen van zijn personages, als Poloemrakov ('Halfachterlijk') en Samopljoejev ('Zelfbespuger').

Daarnaast viel er aan Tsjechovs stijl, die wordt geroemd om zijn bondigheid en trefzekerheid, ten tijde van zijn jeugdzonden nog veel te schaven eer deze het peil van 'Zaal 6' of 'De dame met het hondje' zou bereiken. Bij een zin waarin 'doffe, betraande ramen', een 'dun, krakend gammel deurtje' en 'een van vochtigheid groen uitgeslagen belletje' worden samengeperst, is de ware Tsjechov ver te zoeken.

Gelukkig vinden we ook echt grappige verhaaltjes (als 'Een dochter van Albion', hoewel je een -hele of halve- Rus moet zijn om de portee ervan te vatten), aangrijpende scènes (als in het genoemde Oesters) en prachtig-simpele zinnen: 'De frisgewassen vensterruiten spelen schuchter met het ochtendzonnetje.'

Uiteraard kan men tegen de achtergrond van wat Tsjechov in zijn rijpe periode nog te bieden heeft, de schrijver veel van de onvolmaaktheden van zijn eerste werk vergeven. Vaak kun je met enige moeite best een diepzinnigheid of een verfijnd stijlkenmerk distilleren uit deze meer dan vijfenhalfhonderd pagina's. Maar dat lijkt me meer een taak voor de beroepsmatig geïnteresseerde, dan een geneugte voor de gemiddelde lezer.

De hamvraag is, of een nieuwe vertaling van deze verhalen noodzakelijk was. Misschien niet om hun intrinsieke waarde, als wel omwille van de volledigheid? Volledig is deze verzameling echter allerminst (zoals meer 'Verzamelde werken' in Van Oorschots Russische Bibliotheek verre van volledig zijn).

Misschien dan als alternatief voor de ietwat gedateerde en afgeraffelde vertalingen van Charles B. Timmer? Smetteloos is ook de nieuwe vertaling evenwel niet. Mijn voornaamste bezwaar is dat de vertalers zich soms niet voldoende 'loszingen' van de uitgangstaal. Zo heeft het Russisch minder snel dan het Nederlands last van woordherhalingen in een beperkt bestek: wanneer in drie Nederlandse zinnen achter elkaar het woord 'kales' wordt gebruikt (p.20), is dat lelijk, terwijl een Rus -ook een Russische stilist- zich daar niet zo snel aan zou storen. Ook een woordcombinatie als 'erg zelden' (p.29) is normaal Russisch, maar slecht Nederlands. Soms ook is het Nederlands weinig soepeler dan dat van Timmer: syntactische contructies als 'al kijkend naar' (p.52) of 'waarvoor ze zich eigenlijk schaamde uit te komen' (p.63) moeten toch beter kunnen. Van kleine lacunes in hun kennis van het Russisch zijn de nieuwe vertalers evenmin helemaal gevrijwaard: zo is een 'orlitsa' geen 'adelaartje' maar een '(wijfjes)arend' (p.474) en een 'tsvetok' niet alleen een 'bloem' maar ook een 'plant' (en een bloem kan niet bij de wortel worden afgebroken, p.412).

Het zijn maar kleinigheden, die deze uitgave zeker niet diskwalificeren. Maar ik vraag me af wat er tegen is om Tsjechov -voor het 'grote' publiek- een eeuw na zijn dood te beperken tot een of twee verhalenbundels en zijn verzamelde toneelwerk? Zou dat niet van meer eerbied voor de grote schrijver getuigen dan deze hulde aan zijn niemendalletjes?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden