In memoriam Jan Ruff-O'Herne

‘Troostmeisje’ Jan Ruff-O’Herne (1923-2019) verbond haar lot aan dat van vrouwen in alle oorlogen

Voormalige ‘troostmeisjes’ Jan Ruff O'Herne (links) en Yong Soo Lee op een bijeenkomst van Amnesty International in Washington D.C in 2007. Beeld AFP

Mensenrechtenactiviste en voormalig 'troostmeisje’ Jan Ruff-O’Herne is overleden. Ze was de eerste Europese vrouw die vertelde over de georganiseerde verkrachtingen door Japanse militairen.

‘Als je me maar geen bloemen geeft’, zei Jan Ruff-O’Herne op verjaardagen en moederdagen tegen haar twee dochters. Waarom, snapte niemand. Tot ze na vijftig jaar zwijgen als eerste Europese vrouw vertelde hoe ze tijdens de Tweede Wereldoorlog verkracht en misbruikt werd in een bordeel voor Japanse militairen in Nederlands-Indië. Haar naam deed er niet meer toe, op de deuren van de meisjes hingen namen van bloemen. De rest van haar leven zou Ruff-O’Herne zich inzetten om het lot van de zogeheten ‘troostmeisjes’, en dat van vrouwen in alle oorlogen, onder de aandacht te brengen. De mensenrechtenactiviste overleed maandag op 96-jarige leeftijd in het Australische Adelaide. 

Ruff-O’Herne werd geboren in 1923 en groeide op in Nederlands-Indië, als dochter van Nederlandse ouders. Later omschreef ze haar jeugd als idyllisch, in een fijne familie met liefhebbende ouders. Aan dat alles kwam een einde toen de Japanners in 1942 binnenvielen en Ruff-O’Herne met haar moeder en de kinderen terechtkwam in een Japans interneringskamp. Van haar vader werd ze gescheiden.

Toen in 1944 een truck met Japanse militairen het kamp binnenreed, werden alle jonge vrouwen op een rij gezet, zou ze later vertellen. Een voor een werden ze weggestuurd, tot er tien jonge meiden overbleven. Ruff-O’Herne, 21 jaar oud, was een van hen. 

Portret van Jan O'Herne, vlak voor de Japanse invasie in 1942. Beeld Wikimedia Commons. Australian War Memorial.

Wat er daarna gebeurde, heeft ze vanaf begin jaren negentig meermaals verteld. In haar eigen boek ‘Fifty years of Silence’ en de gelijknamige documentaire, op hoorzittingen, scholen en in televisieprogramma's: ze werd naar een koloniaal huis gebracht in Semarang, waar ze werd gefotografeerd en waar haar foto samen met die van de negen andere vrouwen op de muur werd gehangen. Het huis was nu een bordeel voor hoge Japanse militairen. 

‘Nee’ in alle talen

Over die eerste nacht dat ze verkracht werd, vertelde Ruff-O’Herne hoe ze ‘nee’ schreeuwde in alle talen die ze kende maar hoe de militair haar toch vastpinde op het bed. “Ik wist niet dat lijden zo groot kon zijn”, zei ze in 2001 in het Australische televisieprogramma ‘Australian Story’. “De tranen liepen over mijn wangen terwijl hij me verkrachtte. Het leek alsof het nooit zou stoppen.” Ze knipte al haar haren af in de hoop dat het haar onaantrekkelijk zou maken, maar die wanhopige actie had een averechts effect. “Ik werd er alleen maar een interessanter object van”, zei ze. Na drie maanden in het koloniale huis werd ze teruggebracht naar haar moeder in het interneringskamp. 

Bijna een halve eeuw zou ze zwijgen over wat ze had meegemaakt. Alleen haar man, een Britse militair die ze na de bevrijding van de Japanners ontmoette, wist van haar verleden. Het stel verhuisde naar Engeland, waar na een aantal miskramen bleek dat Ruff-O’Herne door de vele verkrachtingen een operatie nodig had om kinderen te krijgen. Die operatie onderging ze en het stel kreeg twee dochters. In 1960 verhuisde het gezin naar Australië.

Het zou tot 1992 duren voor ze haar zwijgen doorbrak. Op een bijeenkomst in Tokio over Japanse oorlogsmisdaden getuigden Koreaanse vrouwen over de verkrachtingen en gedwongen prostitutie. Ruff-O’Herne zag het op de televisie in haar woonkamer en wilde die vrouwen steunen, hun verhaal onderschrijven. Daarbij zag ze hoe in de Bosnische burgeroorlog verkrachtingen opnieuw ingezet werden als wapen. Na 1992 getuigde ze in 2000 voor een - door de Japanse regering  niet erkend - tribunaal dat de verkrachtingen en gedwongen prostitutie tijdens de oorlog onderzocht en in 2007 sprak ze voor het Amerikaanse congres.

Ruff-O’Herne wilde niet alleen een erkenning van de Japanse overheid voor het organiseren van de verkrachtingen, ze verbond haar verhaal aan dat van vrouwen in oorlogen wereldwijd. “De wereld moet dit weten, anders blijft het keer op keer gebeuren”, zei ze toen ze in 2001 door Nederland werd onderscheiden als ridder in de Orde van Oranje-Nassau, een van haar vele onderscheidingen. “Verkrachting wordt gebruikt als wapen in oorlogssituaties en dat moet voorkomen worden.”

Jan Ruff-O’Herne werd op 18 januari 1923 geboren in Bandoeng, Nederlands-Indië. Ze overleed op 19 augustus 2019 in Adelaide, Australië. 

Lees ook:

Als 14-jarige was Kim Bok-dong troostmeisje, als 86-jarige nog activiste voor misbruikslachtoffers
Naschrift: Haar droom bleek een illusie. Liefst was ze als een vlinder uit haar cocon gekropen, beginnend aan een leven vrij van strijd. De verschrikkingen uit het verleden hielden haar echter tot de laatste adem in een nachtmerrie gevangen.

Japan zegt sorry tegen troostmeisjes
Koreaanse ‘troostmeisjes’ - een eufemisme voor vrouwen die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog als seksslavin voor Japanse militairen werden ingezet - kregen in 2015  berouw en een hulpfonds van ruim 7,5 miljoen euro van Tokio. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden