Trends van 2017: Wie wonnen de prijzen en wat zegt dat?

Beeld Jorgen Caris

Schrijven is een vak waarin je nog op oudere leeftijd kunt uitblinken. Belgen zijn er beter in.

‘Ik vecht niet meer, ik hou ermee op’, laat Alfred Birney zijn alter-ego Alan aan het slot van ‘De tolk van Java’ verzuchten. “Nu kan ik eindelijk eens gewoon over de liefde gaan schrijven”, verzuchtte de schrijver zelf enkele maanden later in zijn ‘Tien Geboden’-interview. Na een heel oeuvre te hebben gebouwd op de (post)koloniale strijd was ‘De tolk van Java’ Birney’s eerste voltreffer. Niet alle critici omarmden het boek, zo vond Jaap Goedegebuure in deze krant dat de roman monotoon gewelddadig was. Maar de lezers oordeelden anders - het boek stond 22 weken in de bestsellerlijst - én Birney won de Libris Literatuurprijs omdat hij ‘een beklemmende, aangrijpende en literair voortreffelijke roman’ schreef ‘die niet alleen een besmette periode uit onze geschiedenis in een nieuw daglicht stelt, maar die ook de blijvende gevolgen van een burgeroorlog voor gewone mensen indringend belicht’.

Alfred Birney viel op in een boekenjaar dat verder traditioneel was, althans wat de winnaars betreft. Zo bleek het schrijven opnieuw een van de weinige beroepen waar je ook nog op vergevorderde leeftijd in kunt excelleren, en de Belgen deden dat - afgaand op de prijzen - nog beter dan de Nederlanders. Vlaming Jeroen Olyslaegers was met zijn 50 jaar de jongste winnaar van een van de drie grote literaire prijzen voor Nederlandse literatuur. Hij kreeg de Fintro-Literatuurprijs voor ‘Wil’, zijn monumentale roman over Antwerpse collaboratie tijdens en na de oorlog, waar hij ook nog de F. Bordewijkprijs voor won, en de Tzum-prijs voor ‘beste zin’. Vlaming Koen Peeters (58) won in november de ECI Literatuurpijs voor ‘De mensengenezer’, over een Vlaamse antropoloog die Congolese rouwrituelen bestudeert, daarbij gevoed door de vraag of mensen ‘een zinloze dood sterven of faustische wezens zijn’, zoals Rob Schouten het in deze krant formuleerde.

Oudere witte mannen

Oudere witte mannen wonnen ook de grote literaire prijzen in onze Europese buurlanden: George Saunders (58) de Britse Man Booker Prize met ‘Lincoln in the Bardo’, Robert Menasse (63) de Deutsche Buchpreis met ‘Die Hauptstadt’ en Eric Vuillard (69) de Prix Goncourt met ‘L’ordre du jour’. Paolo Cognetti (39) was met de winst van de Premio Strega voor ‘De acht bergen’ de enige jongere winnaar en ook de enige auteur wiens roman vervolgens in Nederland een grote bestseller werd; de romans van Robert Menasse en Eric Vuillard moeten hier nog in vertaling verschijnen.

In de VS leidde de roep om diversiteit in de literatuur wel tot bekroningen van jongere, niet-witte auteurs. Colson Whitehead (48) won na de National Book Award vorig jaar, dit jaar ook de Pulitzerprijs voor zijn slavernijroman ‘The Underground Railway’.

En Jesmyn Ward (40) kreeg voor ‘Sing, Unburied, Sing’ haar tweede National Book Award. Trouw-recensent Julie Phillips, die de roman al las, noemt het ‘een fantastisch mooi ontroerend boek’ over een 11-jarige jongen die met zijn verslaafde moeder op reis gaat om zijn vader op te halen uit de gevangenis. Volgens Phillips weet Ward alle emoties in balans te houden en op ‘Toni Morrison-niveau te schrijven over liefde en de last van de geschiedenis’. De vertaling verschijnt in april.

Lees ook de boekrecensies van Trouw. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden