Review

Toen Schumann stierf vroeg zijn bedroefde verpleger: 'En ik?'

"Wat een akelige winter heb ik achter de rug, met gedachten die me op de rand van wanhoop brachten", schrijft de Duitse componist Robert Schumann in 1845 aan zijn vriend en collega Felix Mendelssohn. Inmiddels gaat het een stuk beter. De muziek is weer in hem gaan klinken en hij hoopt spoedig weer helemaal de oude te zijn.

Toch is bij de romantische componist Schumann (1810 - 1856) niet slechts sprake geweest van een onbeduidende verkoudheid van de ziel of een simpele winterdepressie. De geromantiseerde biografie van Peter Hürtling, die in 1992 een gevoelig portret schilderde van Franz Schubert (1797-1828), biedt behalve een aangrijpend verhaal genoeg stof voor een scherpzinnig debat over de vraag aan welke stoornis Schumann precies leed volgens moderne inzichten in de psychiatrie.

Al sinds de puberteit had Schumann last van ernstige stemmingswisselingen, maar in 1854 kreeg zijn ziekte een boosaardige wending. Volgens zijn vrouw Clara Wieck, de gevierde pianiste met wie Schumann tegen de wil van haar vader in 1840 trouwde, veranderden de engelen die hem in een februarinacht vriendelijk hadden toegezongen tegen de ochtend in duivels die hem de afschuwelijkste muziek ten gehore brachten, schreeuwend dat hij een zondaar was die onmiddellijk in de hel moest worden geworpen. Schumann krijste het in doodsnood uit van de angst voor de monsters die hem met hun klauwen te grazen wilden nemen. Er waren twee artsen voor nodig om de gekwelde componist te bedwingen.

De dagen daarna had hij extreme stemmingswisselingen. Op 27 februari 1854 wierp Schumann zich in de Rijn; kort daarop werd hij in het krankzinnigengesticht opgenomen. Hij stierf er op 29 juli 1856 door voedselweigering en hoge koorts, na dagenlange afwisseling van agitatie en uitputting zonder ook maar iets te zeggen.

Bijzonder is de gekozen opzet waarin Schumanns leven vóór de opname in elk volgende hoofdstuk wordt afgewisseld met gedragsobservaties tijdens zijn laatste twee levensjaren in het gesticht, gezien door de ogen van de verpleger Tobias Klingelfeld die vaak dag en nacht in een kamer met Schumann doorbrengt tot hij er bijna gestoord van wordt. Dit maakt het boek even actueel als herkenbaar.

Doordat de auteur kon putten uit het medisch dagboek van de toenmalige gestichtsarts maakt het een authentieke indruk. "Waarom herhaalt u wat ik zeg?", vraagt Schumann bijvoorbeeld aan Klingelfeld. "U weet toch dat ik een echo in mijn oor heb en een zoemtoon daarbij hoor. Het is de hel, zeg ik u. En de pillen, die dokter Peters me daarvoor geeft, zijn puur vergif."

Robert Schumann was de jongste van vijf kinderen, met een sterk familiaire belasting voor psychiatrische aandoeningen. Zijn vader August was behalve vertaler, schrijver, redacteur van historische werken, uitgever en boekhandelaar, zelf manisch-depressief. In het geboortejaar van Robert kreeg zijn vader een zenuwinzinking waarvan hij nooit meer geheel herstelde. Zijn moeder Johanne Christiane leed aan terugkerende depressies waarin zij stil was en tot niets kwam. Zijn oudste zuster Emilie pleegde suïcide, evenals een neef van vaderskant. Van zijn acht kinderen verbleef zijn zoon Ludwig ruim dertig jaar in een gesticht; zijn zoon Ferdinand was verslaafd aan morfine.

Al vroeg in zijn studententijd krijgt Schumann last van stemmingsstoornissen. Met achttien jaar schrijft hij: "Vaak voel ik mij of ik dood ben, alsof ik gek word." Het jaar daarop legt hij een tomeloze energie en werklust aan de dag, zijn gedachten verlopen ineens razendsnel, zoals voorkomt bij manische patiënten. Hij zit dan boordevol muziek, met materiaal voor wel honderd symfonieën.

Aan de hand van een grafiek met het wisselend aantal composities tussen 1829 en zijn dood toonden de psychiaters Eliot Slater en Alfred Meyer aan dat Schumann gedurende het jaar 1844 een paranoïde depressie doormaakt - de akelige winter waarover hij Mendelssohn schrijft inbegrepen - en dat zijn productie na zijn opname in 1854 in het gesticht volledig tot stilstand komt. Gedurende de jaren 1840 en 1849 krijgt zijn productiviteit reusachtige vleugels, wat past bij langdurige hypomane (licht-manische) episoden. In 1840, het jaar waarin hij Clara huwt, componeert hij maar liefst 130 liederen, waarschijnlijk uniek in de geschiedenis van de muziek.

Wat deze statistiek echter niet laat zien is dat Schumann in 1833 ook al een ernstige depressie heeft moeten doorstaan. "De angst kreeg mij zo in de greep, dat troost, gebed of afleiding niet meer hielpen. Nergens hield ik het thuis meer uit. Mijn adem stokte als ik me bedacht hoe mijn hersenen verlamd raakten. Ik was bang een eind aan mijn leven te zullen maken."

Bovendien werpen zijn buitensporige alcoholmisbruik en syfilisbesmetting in zijn studententijd een geheel ander licht op de latere extreme achterdocht en vervolgingswaan in het gesticht. Sommige onderzoekers menen dat de componist ten slotte leed aan dementia paralytica of neurolues, het eindstadium van syfilis. Volgens de Duitse psychiater Moebius en de Nederlandse psychiater Van der Drift was bij Schumann sprake van schizofrenie.

De splijting in de expansieve Florestan en de ingetogen, melancholieke Eusebius duidt in elk geval niet op schizofrenie, ook al wil een hardnekkig misverstand dat met schizofrenie een gespleten persoonlijkheid wordt bedoeld. Typische voor schizofrenie is in plaats van gespletenheid het feit dat je stemmen hoort. In zijn in 1834 opgerichte Neue Zeitschrift für Musik duikt overigens heel kort een zekere Jonathan op, die bekvecht met Florestan en die de tegenpolen moet neutraliseren.

De drie figuren wijzen evenmin op MPS, een meervoudige persoonlijkheid. Naar mijn idee zijn de afsplitsingen pseudoniemen, zoals Kierkegaard die gebruikte in zijn geschriften. Alleen deed Schumann dat niet om zich te verbergen, maar om zich juist te manifesteren. Hoewel Schumann behalve een contactstoornis ook enige tijd last van stemmen heeft gehad, komt zijn psychiatrische stoornis net als bij zijn vader volgens moderne diagnostische criteria het dichtst in de buurt van manisch-depressieve ziekte, thans bipolaire stoornis genoemd.

Hürtling schildert een overtuigend tijdsbeeld waarin we kennismaken met beroemde componisten zoals Chopin en Brahms. De dood ligt voortdurend op de loer. Zo ligt Schumanns zuster Emilie als een uit een sprookje gevallen prinses op het tuinpad, even nadat zij uit het raam de dood ingesprongen is. Een jaar later overlijdt zijn vader aan tuberculose. Schubert, Schuncke en zijn beste vriend Mendelssohn sterven jong. De meeste indruk maakt echter de tactvolle en toegewijde manier waarop Clara achter die grote tobber blijft staan, ook als hij in 1850 dirigent wordt in Düsseldorf, waarvan de lezer al bij voorbaat verwacht dat hij het niet redt.

Klingelfeld verdient een gouden lijstje, wat een geduld heeft die man. Op hem richt de geesteszieke immers al zijn luimen en achterdocht. Net zoals bij het beroemde geval-Schreber zou je met Freud kunnen spreken van een overdrachtspsychose. Alleen betrekt Schreber de psychiater Flechsig in zijn waansysteem, op afstand. Schumann richt zijn paranoïa op de verpleger die voortdurend in zijn nabijheid verkeert. Het ontroerende is dat tussen patiënt en verpleger een sterke band is ontstaan. Als Schumann sterft overmant Klingelfeld een grote droefheid, waarop deze begint te huilen. "En ik? vraagt hij aan zichzelf en aan de dode."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden