Review

Toen je mocht tonen dat je homo was

In een tijd dat homo's en lesbiennes zich op straat steeds minder vrij voelen, situeren twee Britse schrijvers, Sarah Waters en Paul Golding hun nieuwe romans in een liberaal verleden: de oorlog en de jaren zeventig van de 20ste eeuw. Maar emancipatieproza is dit niet: de romans overstijgen de provocatie en 'het jammerboek', zoals Gerard Reve het formuleerde.

Agnes Andeweg

In het centrum van Amsterdam werd vorig jaar de hoofdredacteur van een Amerikaans homoblad in elkaar geslagen toen hij met zijn vriend hand in hand over straat liep. Het imago van Nederland veranderde in één klap van homoparadijs naar een land waar je op je tellen moet passen. Maar de tendens was al langer voelbaar. Homoseksuelen klagen de afgelopen jaren vaker over een gevoel van onveiligheid; soms gaan ze maar liever wat onopvallender gekleed, om niet in het oog te lopen. Zo lijken opvallen en (on)zichtbaarheid na de vrije jaren zeventig voor homo's opnieuw een issue te zijn geworden.

Juist dit thema - in het recente en iets verdere verleden - speelt een prominente rol in de romans van twee Britse auteurs, Sarah Waters en Paul Golding. Waters voert haar lezers in 'De nachtwacht' terug naar het Londen van de Tweede Wereldoorlog; Golding in 'Het feest der zinnen' naar de Londense homoscene van de jaren tachtig. Wat hun romans bindt is het inzicht dat homoseksuelen het in de loop der tijd niet per se makkelijker hebben gekregen. En dat een liberale wetgeving weinig zegt over een tolerant klimaat, zoals het incident in Amsterdam aantoont. Paul Golding laat zien hoe het begin van de aidsepidemie - het lijkt alweer lang geleden - de verdraagzaamheid een grote slag toebracht. En Sarah Waters wijst er in haar roman op, dat homo's zich tijdens de oorlog betrekkelijk vrij voelden, al bleef homoseksualiteit voor, tijdens én na de oorlog even strafbaar.

Dat vrede niet automatisch meervrijheid met zich meebrengt, ervaart de lesbische Kay in 'De nachtwacht'. Het boek begint in 1947, maar Kay beleefde haar finest hour in de oorlog. Tijdens de bombardementen op Londen doorkruiste zij als ambulancechauffeur de nachtelijke stad. Tijdens haar werk, in de bioscoop, of gewoon op straat bleek het opeens mogelijk om andere vrouwen te versieren. Na de oorlog stort haar leven in: ze heeft geen werk meer, en geen vriendin. Op straat wordt ze om haar mannelijke kleding nageroepen: “De oorlog is voorbij hoor!“

Ook de andere hoofdpersonen - Viv en Helen, die samen op een relatiebureau werken, en Viv's jongere broer Duncan - kunnen hun draai niet vinden in het wezenloze, naoorlogse Engeland. Hun levens zijn voor altijd bepaald door de oorlog, toen alles zo intens beleefd werd ('we kunnen morgen wel dood zijn'), maar nu wordt de sociale orde weer in rap tempo hersteld. Duncan neemt in 1947 genoegen met een onbenullig baantje in een waxinelichtjesfabriek. De oorlog heeft hij grotendeels in de gevangenis doorgebracht; de reden daarvoor blijft lang verborgen, maar de hedendaagse lezer vermoedt dat het iets te maken heeft met homoseksualiteit.

Met 'De nachtwacht' begeeft Sarah Waters zich in een heel nieuwe historische periode. Eerder schreef ze drie veelgeprezen romans die ze situeerde de in Victoriaanse tijd: 'Fluwelen begeerte', 'Affiniteit' en 'Vingervlug'. Een tijd waarin seksualiteit, en zeker homoseksualiteit, zich afspeelde in het verborgene. Maar Waters maakte haar lesbische personages tot het vanzelfsprekende middelpunt van haar verhalen, en gaf deze doodgezwegen vrouwen alsnog een gezicht. Hoezeer ze zich daarmee ook keerde tegen de 19de-eeuwse moraal, ze bespeelt in deze romans wél alle 19de-eeuwse vertel-registers: het wemelt er van griezelige landhuizen, onechte kinderen, spiritisten en dramatische plotwendingen.

Vergeleken met de 19de eeuw, lijken de jaren veertig een grauwe tijd, die weinig anders kunnen verdragen dan een realistische verteltrant. Toch zet Waters haar affiniteit met het bovennatuurlijke opnieuw, en geraffineerd in. 'De nachtwacht' opent met een sessie bij een spirituele genezer, waarbij veelvuldig verwezen wordt naar H.G. Wells' 'Invisible man'. En met reden: want Kay, Viv, Helen en Duncan zijn na de oorlog in feite spoken van zichzelf geworden. Ze zijn als schimmen opgedoken in een naoorlogs heden, waarin ze niet passen. Wie ze werkelijk zijn, kunnen we alleen begrijpen als we hun verleden kennen.

Ook de opbouw van 'De nachtwacht' stemt met die gedachte overeen: het verhaal wordt achterstevoren verteld: van 1947 gaan we terug naar 1944, en vervolgens naar 1941.

Maar dat Waters, specialiste van het Victoriaanse tijdperk, de sfeer van de jaren veertig zo geweldig getroffen heeft, komt toch als een verrassing. Als Helen tijdens een bombardement dekking zoekt, ruik je de jute van de zandzakken waar ze tegenaan ligt.

Eén nadeel heeft Waters omgekeerde verteltrant wel: we komen niet te weten hoe het afloopt met Kay en de anderen. Maar wat 'De nachtwacht' vergeleken met Waters' vorige pageturners inboet aan spanning, wint het dubbel en dwars terug aan diepte. We lezen wél hoe Kay, Vic, Helen en Duncan zo geworden zijn als ze zijn, en hoe een tijdperk een leven kan bepalen.

Dat is ook zo in 'Het feest der zinnen', al bewegen de homo's in deze roman zich oneindig veel vrijer dan de lesbiennes in de jaren veertig. George, een ijdele jonge nicht, vult zijn leven met uitgaan en mannen versieren. Zichtbaarheid of onzichtbaarheid lijkt voor hem, begin jaren tachtig, nauwelijks meer een punt van zorg. Op straat wordt hij nog wel eens uitgescholden, en zijn eerste vriendje durft zijn collega's niet te vertellen dat hij homo is. Maar in de clubs en bars van Londen kan

George al zijn fantasieën uitleven, en daarvan doet hij gedetailleerd verslag. De titel, 'Het feest der zinnen', is wat dat betreft veelzeggend. Elk van de vijf delen is gewijd aan een van de zintuigen; Georges avonturen in nachtelijk Londen vallen onder 'Tastzin'.

Alles verandert als aids om zich heen grijpt: opeens worden homo's beschouwd als paria's. George ziet de flikkers om zich heen in het gareel schieten, 'zelfs onze kleren werden gewoner, heteroseksueler'. Ook binnen de homoscene worden nieuwe lijnen getrokken: de positieven en de negatieven, 'de hivs en de hiv-nots' komen tegenover elkaar te staan. Het schoonheidsideaal verandert mee. Dikke mannen, 'vetzakken' in Georges woorden, krijgen plotseling iets aantrekkelijks, want een slank postuur wordt geassocieerd met ziekte.

Georges' broer Kelly, met wie hij een haat-liefderelatie onderhoudt, blijkt met het virus besmet, en zijn beste vriend Matthew ook. George besluit voor Matthew te gaan zorgen, niet uit goedheid ('Spinazie, dat is goed'), maar omdat hem dat de beste vervulling lijkt van zijn eigen leven. Georges' breedsprakige verteltrant past zich daarbij aan. Plotseling worden zijn zinnen korter, kariger en efficiënt.

Zijn al te scherpe tong komt hem nu goed van pas in de gesprekken met een onafzienbare rij artsen en verplegers. Zijn campy humor zorgt ervoor dat het drama niet larmoyant wordt. Matthew's ziekbed en sterven zijn waardig tot het bittere eind. Georges' verslag ervan is zeer aangrijpend. Hun laatste uitstapje naar Venetië, waarbij George de inmiddels blinde Matthew rondleidt, snijdt door de ziel.

Des te schokkender om te lezen hoe George zich na de dood van Matthew en Kelly afreageert in weerzinwekkende seks. Hij wentelt zich letterlijk in zijn eigen stront - we zijn inmiddels bij 'Smaak' beland - nota bene met Kelly's vriendje. Met deze bondgenoot in ziekte en dood vindt hij een 'aards paradijs'. Golding wrijft het zijn lezers nog eens flink in: George is nooit uit geweest op onze sympathie, en is ook nu geen gelouterd man die zich eindelijk bekeert tot monogamie - eind goed al goed. De schrijver legt zijn tolerante en vrijzinnige lezer zo een pijnlijke vraag voor: waarom zou de afschuwelijke ziekte en dood van Matthew en Kelly hem of haar eigenlijk minder schokken dan

Georges seksuele uitspattingen?

Gerard Reve heeft eens gezegd dat er drie soorten literatuur over homoseksualiteit zijn: romans waarin het als pervers genot wordt voorgesteld, bedoeld om de kleinburgerlijke lezer te schokken; romans waarin homoseksualiteit verdedigd wordt (het 'jammerboek' aldus Reve), en romans die niets anders zijn dan pornografie. Zijn eigen werk oversteeg deze categorieën vond hij, omdat hij homoseksualiteit alleen als motief gebruikte om iets algemeners uit te drukken - de onmogelijkheid van de liefde, de onontkoombaarheid van de dood.

De romans van Waters en Golding horen thuis in de categorie die Reve eigenlijk voor zichzelf had gereserveerd. In 'De nachtwacht' is homoseksualiteit even verboden als natuurlijk. “Zij is er, net zoals de wind en de rege“, om Reve nog maar eens te citeren. Van een boodschap of moreel oordeel is geen sprake, of het zou juist de vanzelfsprekende aanwezigheid van homoseksuelen moeten zijn. 'Het feest der zinnen' zal de kleinburgerlijke lezer ongetwijfeld schokken, en het is vast óók pornografisch, maar bovenal is het een indrukwekkende roman over ziekte en dood. Die zijn zeldzamer dan je zou denken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden