InterviewThomas Rosenboom

Thomas Rosenboom is een gelukkig mens, eindelijk

Thomas Rosenboom: ‘Ik had het idee dat ik mezelf moest versterken; wat ik was, dat was op zich niet voldoende. Ik moest er voortdurend iets bovenop doen.’Beeld Mark Kohn

Romanschrijver Thomas Rosenboom is al een aantal jaren ‘met pensioen’. Maar voor een boekje over de wandeling die hij al een kwart eeuw dagelijks maakt, was hij wel te porren. ‘Van schrijven krijg ik maagpijn, spierpijn, hyperventilatie en verkramping.’

De schrijver draagt sneakers onder zijn streepjespantalon. Klaar voor een stevige wandeling door de ­binnenstad van Amsterdam. Die begint en eindigt voor zijn huis op de Oudezijds Voorburgwal; zo’n 8 kilometer langs grachten, pleintjes en monumentale panden.

Al 24 jaar maakt Thomas Rosenboom (64) deze cirkelvormige wandeling, elke dag; meer dan achtduizend keer passeerde hij dezelfde bruggen en bomen. In ‘De grote ronde’, dat vandaag verschijnt, beschrijft hij wat hij meemaakt onderweg. Wandelaars en fans van de schrijver kunnen met dit boekje in zijn voetsporen treden. Rosenboom heeft geen bezwaar tegen extra drukte op zijn stoep: “Mensen die van lezen houden zijn altijd leuk, aardig, beleefd”.

Voor de echte fans is dit 74 pagina’s tellende werkje waarschijnlijk feestelijk én teleurstellend tegelijkertijd. Feestelijk omdat ze weer eens iets nieuws van Rosenboom kunnen lezen; zijn laatste roman ‘De rode loper’ verscheen in 2012. Teleurstellend omdat dit géén grote roman is, geen vergelijk met bestsellers als ‘Gewassen vlees’ en ‘Publieke werken’. Zo’n grote roman zal er waarschijnlijk ook niet meer komen, onthult de schrijver tijdens de wandeling. De aandrang is weg. Op z’n 64ste is hij zo’n beetje met pensioen.

Een soort obsessie

Decennialang werd Rosenboom voortgedreven door een tomeloze ambitie, hij wilde excelleren als schrijver. “Ik was in mijn jonge jaren heel fanatiek, ik wilde winnen van wie dan ook, anderen overtreffen in de literatuur.” Dat lukte aardig: na zijn debuut in 1983 had hij ­algauw hoge oplagecijfers en lovende kritieken. Rosenboom is de enige schrijver die twee keer de Libris Literatuurprijs kreeg.

Maar vanzelf ging dit allemaal niet, vertelt hij aan het begin van de ronde in het anders zo liederlijke Wallengebied. Daar is het nu relatief rustig: seksshops zijn dicht, toeristen zijn schaars, Rosenboom hoeft niet naar de grond te kijken om plakkaten braaksel of weggeworpen pakjes mie te ontwijken. 

“Schrijven ging moeizaam, van het begin af aan. Het gaat bij mij gepaard met maagpijn, spierpijn, hyperventilatie en verkramping. Ik heb schrijven ook altijd als een lichamelijke beproeving gezien. Als ik een dag geschreven heb, kan ik daarna alleen nog maar op de bank liggen met de tv aan en het ­geluid uit, want zelfs het geluid is me dan al te veel. Dan heb ik ook geen ­enkele behoefte meer om ’s avonds ­iemand te zien of iets te ondernemen.

“Ik zag er iedere dag tegenop. Ik heb nooit gedacht: ik ben een natuurtalent, wat ik doe zal wel goed zijn. Ik dacht ­altijd: ik moet boven mijn macht ­grijpen, want als ik dat niet doe schiet ik tekort, dan verlies ik alles wat ik tot nog toe heb opgebouwd. Iedere zin moest kloppen.

“Ik wil er niet mee koketteren, ik voel me een bevoorrecht mens, maar het is zwaar werk, ja, een soort obsessie. Je valt ermee in slaap, wordt ermee wakker. Ik kon het schrijven ook maar vier uur per dag volhouden, had geen reden om ’s ochtends op te staan. Toen dacht ik: laat ik maar gaan lopen. Dat gaf mijn dagen structuur. Zo is het gekomen. Ik ben altijd blijven wandelen.”

Enorme geldingsdrang

Uitgeverij Van Oorschot wist kennelijk van zijn dagelijkse ronde en vroeg hem om een bijdrage aan hun wandelserie. Dit boekje hoefde hij niet ‘uit zijn ziel te halen’, zoals hij zelf zegt. “Maar ik had die buikpijn en spierpijn tijdens het schrijven wéér, met dezelfde intensiteit. Dat nog eens vier jaar te moeten verduren voor een roman, daar zou ik erg tegenop zien.”

Die roman was wel in de maak, vertelt Rosenboom in de buurt van het Centraal Station. Na De rode loper werkte hij aan ‘De Mondriaan’, waarin de hoofdpersoon het moest opnemen tegen een machtig museum. Meer wil hij er niet over kwijt, maar trouwe ­lezers kunnen wel gissen naar het ­verloop: de bikkelharde maar ongelijke strijd zou ongetwijfeld ellendig zijn ­geëindigd voor de held. Zo gaat het in het genadeloze universum van de schrijver: zijn personages willen iets heel graag, ze vechten ervoor, maar krijgen het nooit. Hun krachtsinspanningen hebben meestal een averechts effect, namelijk hun eigen ondergang.

De Mondriaan zou zijn beste werk zijn worden, daar was Rosenboom van overtuigd. Vier hoofdstukken had hij al af, het schema voor de rest lag klaar. Maar hij strandde erin. Door lichamelijk ongemak – een aandoening aan zijn ogen – en ‘onrust in zijn privéleven’. 

“En daarna … ja … ik weet het niet. Ik heb natuurlijk het grote geluk gehad dat ik voldoende succes heb beleefd als schrijver. Ik heb genoeg lof gekregen voor de rest van mijn leven, dat geeft een zekere vrijheid. De enorme geldingsdrang die ik had, is weggevallen. Ik ben blij dat ik het niet meer hoef te doen.”

Rosenboom staat even stil. Hij kijkt uit over ’t IJ achter het station, zijn ­favoriete plek in Amsterdam. Elke dag spoedt hij zich hierheen, naar het water, waar het lichter is dan in de binnenstad en minder benauwd, hij kan er ­vrijer ademen. En als kind was hij al dol op boten, een liefde die hij soms ook in zijn romans uitleefde. “Kijk eens”, wijst hij, “wat een mooi jacht daar aankomt. Die lijn die vanaf de boeg omlaag gaat. Dat heet de zeeg.”

Nee, ander werk zoeken, omdat het schrijven hem zo zwaar viel, dat heeft hij nooit overwogen. Wel heeft hij er ooit serieus over gedacht om vrijwilliger te worden op de Henri Dunant, een boot van het Rode Kruis voor zieke mensen. “Ik zag die boot een keer ­aanmeren in de haven van Vlieland en personeelsleden duwden de zieken met bed en al de kade op, naar het dorp. Toen voelde ik een soort van jaloezie: dat zou ik ook wel willen doen. Die mensen vormden echt een groep en het was volkomen duidelijk dat het belangrijk was wat ze deden.”  

Ontspanning uit de fles

Vaak heeft Rosenboom naar een groep verlangd, naar ergens bij horen. “Ik heb nooit met iemand samengewerkt, collegialiteit ken ik eigenlijk niet, daar heb ik een heel hoge dunk van. Het heeft me altijd geweldig geleken om collega’s te hebben.”

Als schrijver is hij de eenling, realiseert hij zich ook tijdens zijn wandelingen: “Mensen zullen wel ­denken: loopt-ie weer, geen koffer, niks bij zich. Moet die man niet naar kantoor.”

Na zijn schrijfuren, ’s avonds laat, ging hij vroeger naar het café om andere eenlingen te ontmoeten: in De Pels in de Huidenstraat, daarna door naar De Doffer. Zijn wandelroute scheert erlangs. “Er waren veel rokers onder mijn vakgenoten en ook veel drinkers en kroeggangers.” De ontspanning na eenzame arbeid kwam uit de fles.

Ook die kroeguren liggen nu achter hem, want Rosenboom heeft een beter alternatief: huiselijk geluk. Ruim vier jaar geleden trouwde hij met Blandine, een docente filmwetenschap aan de universiteit. “Ik heb wel eerder een vriendin gehad, maar dat maakte me toen niet gelukkig omdat ik nog die strijd moest leveren op het gebied van de literatuur.” 

Een harmonieuze verhouding, samenwonen, het huishouden doen terwijl zij werkt, de planten verzorgen; het is nieuw voor hem en het bevalt hem ‘enorm’.

“Het heeft lang geduurd, maar ik ben een heel gelukkig mens. Ik ben helemaal niet meer fanatiek, ik ben een veel plezieriger mens geworden om mee om te gaan.” Met roken is hij inmiddels gestopt en hij drinkt ook minder.

Opengescheurde zakken, vieze dozen, iets voorbij de cafés ligt veel vuilnis op straat. Maar de redding is nabij: jonge mannen in mouwloze shirtjes – de spierbundels mooi geëtaleerd – keilen de troep al in de vuilnisauto. “Moet je kijken hoe die jongens dat tegenwoordig doen”, zegt Rosenboom bewonderend. “Ze hebben een coole zonnebril, een baard, ze zijn jong en sexy om te zien. Ik vind het knap hoe vuilnismannen zich hebben geëmancipeerd. Het was een vak waar iedereen een beetje op neerkeek en nu denk je: wauw, wat een show.”

Provinciaal in de hoofdstad

Om de hoek op de Prinsengracht begint Rosenboom te gniffelen, een voorpret die algauw aanzwelt tot bulderend ­gelach. Hij wijst op een houten schutting, waarop een graffiti-artiest zich met zwarte verf heeft uitgeleefd in een wellicht poëtisch of filosofisch bedoelde tekst: ‘Some day the bleeding will end’ – op een dag zal het bloeden stoppen.

“Die man is dichter of zo, ik erger me aan hem, hij dringt zich op, zijn ­teksten zijn zo pretentieus. Maar kijk, er is iemand anders die zijn spreuken belachelijk maakt, met rode verf.” ­Onder het zwart staat in rode letters: ‘Then I know I’m pregnant’ – als het bloeden stopt, zal ik wel zwanger zijn. De schrijver ligt helemaal in een deuk.

Verder gaat het, langs het Amstelveld en andere pittoreske plekjes. Maar verwacht van Rosenboom geen lofzang op Amsterdam. “Ik kwam hier meer dan veertig jaar geleden vanuit Nijmegen en heb duidelijk gevoeld dat geboren hoofdstedelingen op mijn provinciaalse afkomst neerkeken. Dat dedain heb ik altijd stug beantwoord met antipathie mijnerzijds. Het is een mooie stad, maar om er nou van te ­houden ... Bij iemand die heel erg mooi is, of ontzettend rijk, denk je toch ook: jij kunt wel zonder mijn liefde, je bent al zo ­bevoorrecht.”

Zo nadert de schrijver, langs de Amstel, weer het beginpunt van zijn tocht. Met schrijven is hij gestopt, al houdt hij een slag om de arm: “Ik ben gestopt zoals het ook kan stoppen met regenen”. Met wandelen gaat hij door. En verder? Verveelt hij zich niet?

Welnee. Hij kan uren uit het raam kijken, of zitten op een stoeprand of steiger. Lezen, beetje mijmeren, klusje doen in huis. “En ik kijk iedere middag naar ‘Married with Children’. Ik heb alle afleveringen allang gezien, maar ik vind het zo’n heerlijke serie.”

Vroeger ging Rosenboom naar het ballet en het theater, de hoge cultuur die je bij een literaire sterauteur verwacht. “Ik zou nooit over Married with Children verteld hebben en ik zou ook niet overdag de tv aan hebben gezet. Dat vond ik net zoiets als overdag drinken, het hellende vlak.

“Waarmee ik niet wil zeggen dat ik vroeger een fake figuur was, ik vond ­ballet en theater ook echt interessant. Maar ik had het idee dat ik mezelf moest versterken; wat ik was, dat was op zich niet voldoende. Ik moest er voortdurend iets bovenop doen.” 

Een vermoeiende manier van leven, zo kijkt hij erop terug. Met als resultaat een literair oeuvre dat stáát. Daaraan hoeft hij niets meer toe te voegen; dat besef voelt voor hem als een bevrijding.

Thomas Rosenboom, de schrijver

Thomas Rosenboom (1956) studeerde cum laude af in de Nederlandse taal- en letterkunde. In datzelfde jaar debuteerde hij met de verhalenbundel ‘De mensen thuis’ (1983). Zijn eerste roman was ‘Vriend van verdienste’ (1985), met ‘Gewassen vlees’ (1994) en vooral ‘Publieke werken’ (1999) brak hij door naar een groot publiek. Voor beide boeken kreeg hij de Libris Literatuurprijs. ‘Publieke werken’ werd in 2015 verfilmd. Zelf is Rosenboom het meest ­gesteld op ‘Zoete mond’ (2009), omdat die roman een wat zachtere sfeer heeft. “Bij andere boeken had ik het gevoel dat ik zat te hameren, er zat zo’n hamerslag in.”

Meer om mee te wandelen

Thomas Rosenboom, ‘De grote ronde. Een wandeling’. In de serie Terloops van uitgeverij Van Oorschot, 12,50 ­euro. In dezelfde serie is net ‘De 3 bestaat niet’ van Gerbrand Bakker verschenen, over wandelen in de Eifel.

Lees ook:

De coronathriller die er nooit zal komen

De coronapandemie is gouden materiaal voor een spannend boek. Thrillerauteurs zitten vol ideeën, maar ze hebben gek genoeg geen zin om er iets mee te doen. Voor de echte coronathriller is het nog te vroeg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden