Essay

Thierry, doe 's romantisch!

Decor voor Baudets favoriete opera: ‘Parsifal’ van Richrad Wagner Beeld Hollandse Hoogte / Lebrecht Music + Arts

Het romantisch verlangen past in een democratie  zolang het zichzelf niet al te serieus neemt. Een filosofisch advies voor Thierry Baudet, die de Romantiek met een Renaissancevloot de Nederlandse politiek in vaart.

Eind april. Mijn lief en ik fietsen langs de Elbe van Praag naar Hamburg, ruim 900 kilometer kou, regen en tegenwind. De Tweede Wereldoorlog is nog altijd tastbaar aanwezig. We bezoeken Terezín (Theresienstadt), het beruchte doorgangskamp naar de vernietigingskampen, en fietsen bedrukt door naar Dresden, dat kort voor het einde van de oorlog door een geallieerd tapijt van brisant- en brandbommen van de kaart werd geveegd. De wederopbouw van de barokke Altstadt is nog altijd niet voltooid.

’s Avonds lees ik in de krant de LPF-achtige ruzie binnen het Forum voor Democratie. Of de kritiek van Henk Otten in zijn beruchte NRC-interview op Thierry Baudets geflirt met het blank nationalisme, seksisme en samenzweringstheorieën van de alt-rightbeweging louter was bedoeld om de aandacht af te leiden van zijn ‘greep in de partijkas’ is moeilijk te zeggen, zonder grond is ze zeker niet.

In zijn bombastische overwinningsspeech na afloop van de Provinciale Statenverkiezingen op 20 maart vatte Baudet zijn gedachtengoed handzaam samen. De superieure, boreale samenleving wordt bedreigd door massa-immigratie die, als er niets gebeurt, leidt tot ‘omvolking’ en ‘de ondergang van het avondland’ (Spengler). Dit alles wordt volgens Baudet verergerd door het partijkartel van de politieke elite. Die verkwanselt Nederland aan de Europese Unie en geeft zich over aan ‘klimaathekserij’, wordt gedreven door een ‘ziekelijke afkeer van geborgenheid’ (oikofobie) en de eigen cultuur, en wordt gesteund door ontaarde, moderne kunstenaars en linkse intellectuelen (‘cultuurmarxisten’). De verkiezingsoverwinning luidt volgens Baudet een radicale ommekeer in. Hij eindigde zijn toespraak in een populistisch-messianistische toonzetting die herinnert aan Pim Fortuyns ‘De verweesde samenleving’ (2002): “Vandaag hebben we gekozen om weer te strijden, weer te dromen, weer te hopen, weer te vechten. Wij zijn naar het front geroepen. Omdat het moet, omdat ons land ons nodig heeft.”

Baudets uitspraken over de ‘homeopathische verdunning’ van het volk, zijn bewondering voor raciaal-nationalisten als Maurice Barrès, populisten als Trump en Orbán en de versiergoeroe Julien Blanc (‘Als een vrouw neen zegt, bedoelt ze ja’), ontmoetingen met de white supremacist Jared Taylor en de antisemiet Jean-Marie Le Pen en spreekbeurten op suspecte bijeenkomsten als de Vlaams-nationalistische IJzerwake completeren het beeld. Thierry bakt ze in vijftig tinten bruin – al reageert Baudet c.s. steevast als door een wesp gestoken op zulke metaforen. Forum voor Democratie zou juist openstaan voor een tolerant, democratisch Nederland, waar individuele eigenschappen bepalend zijn en niet sociale klasse, ras, geslacht of seksuele geaardheid.

Een dandy in de romantische traditie

We besluiten een paar dagen in Dresden te blijven. In de negentiende eeuw was het een van de centra van de Duitse Romantiek. De landschapsschilder Caspar David Friedrich maakte er naam en Richard Wagner schreef er niet alleen zijn eerste grote mythologische muziekdrama’s, maar nam als politiek activist ook deel aan de mislukte revolutie van 1848, waarna hij de stad moest ontvluchten.

Ook Baudet plaatst zichzelf in de romantische traditie. In ‘Conservatieve vooruitgang’ (2010) belijdt hij zijn liefde voor het romantische conservatisme, met zijn gevoelens van ontheemding en thuisloosheid en nostalgie naar een voorbije tijd. Ook door zijn liefde voor Wagner (‘Parsifal’ heet ‘het stuk der stukken’), zijn pianospel en romans presenteert hij zich als dandyeske kunstenaar die naadloos past in de romantische traditie, waarin kunst, religie en politiek zijn versmolten.

Precies die romantische erfenis, zo betoogde Arnold Heumakers in NRC, is het grote probleem bij Baudet, want ze keert zich tegen de fundamentele waarden van de Verlichting – vrijheid, gelijkheid en broederschap – en tegen moderne wetenschap en techniek. Sindsdien heeft de Romantiek de op de Verlichting gebaseerde moderne cultuur voortdurend als tegenstem begeleid en de twintigste eeuw heeft, aldus Heumakers, laten zien dat het daarbij verschrikkelijk mis kan gaan, zowel aan de verlichte als aan de romantische kant.

Het idee van de Romantiek als contra-Verlichting is niet nieuw. Het is met een vleugje Duitse zelfhaat ook verdedigd door Rüdiger Safranski in zijn boek ‘Romantiek. Een Duitse affaire’ (2007). Volgens Safranski loopt er een duidelijke lijn van het explosieve mengsel van kunst, religie en politiek van de Duitse Romantiek naar het nationaal-socialisme en andere gewelddadige politieke bewegingen. Waar het romantische verlangen naar een betere, heilvolle wereld van dichters als Novalis, Hölderlin en Schlegel volgens Safranski nog kan worden afgedaan als tamelijk onschuldige Schwärmerei, liep het volgens hem gruwelijk mis toen latere romantici als Marx, Wagner en Nietzsche dit verlangen in daden wilden omzetten. Vandaar is het volgens Safranski nog maar een kleine stap naar de ‘gestaalde romantiek’ (Goebbels) van het nationaal-socialisme.

De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog leken de Duitsers hardhandig te hebben gewekt uit hun romantische roes, maar volgens Safranski heeft de maatschappijkritische tegencultuur van de jaren zestig, die uitmondde in het terroristische geweld van de Rote Armee Fraktion, geleerd dat het romantische verlangen een blijvende bedreiging vormt van de in de verlichting wortelende democratische cultuur. De opkomst van nationalistische bewegingen en partijen als Pegida en AfD wijzen erop dat de dreiging er niet minder op is geworden. Vanuit Safranski’s perspectief maakt daar ook Baudets ‘alternatief voor Nederland’ deel van uit.

Op Safranski’s duiding van de Romantiek als contra-Verlichting is veel af te dingen, zeker bij vroege romantici als Caspar David Friedrich, de gebroeders Schlegel, Novalis, Hölderlin en Schelling. Zij waren rond 1800 allerminst gekant tegen de Verlichting. Ze absorberen juist met groot enthousiasme de revolutionaire denkbeelden die kort na de Franse Revolutie (1789) door Europa spoken. Ze bestuderen Spinoza en Rousseau en raakten in de ban van de verlichtingsfilosofie van Kant. Deze jonge romantici wilden ook in het nog altijd feodale Duitsland een politieke revolutie ontketenen.

De bloedige Jakobijnse terreur waarin deze revolutie ontaardde, maakte voor hen duidelijk dat een verlichte geest nog geen garantie is voor een betere wereld. Volgens hen was het echec veroorzaakt door het eenzijdige intellectualisme en nuttigheidsdenken van de Verlichting, dat er niet in was geslaagd de ‘zinnelijke driften’ van de mens in overeenstemming te brengen met de hooggestemde rationele idealen. Zij wilden daarom een esthetische politiek.

Als Safranski de Romantiek met haar hang naar het Absolute een voortzetting noemt van de religie met esthetische middelen, dan is daar iets voor te zeggen. Maar de romantici richtten zich niet op een bovenzinnelijke werkelijkheid, ze wilden juist het alledaagse door de artistieke verbeelding vleugels geven. En ze beseften dat de zucht naar het Absolute – in kunst, religie, politiek en liefde – snel uit de hand kan lopen.

Beeld Hollandse Hoogte

Enthousiasme en ironie

Daarom relativeerden ze hun hoge idealen, door er ironisch mee om te springen. Friedrich Schlegel zag in het romantische verlangen een eeuwig heen-en-weer tussen enthousiasme en ironie.

Zonder enthousiasme word je cynisch of nihilistisch, maar zonder ironische distantie lopen hoge politieke en religieuze idealen maar al te gemakkelijk uit op terreur. De romantische ironie is dus een veiligheidsventiel: ze drukt uit dat oneindige idealen een maatje te groot zijn voor de eindige mens.

De oproep van de romantici werd al snel overstemd door het tomeloze enthousiasme van de verlichte moderniteit – die niet uitblinkt in ironie. Het is precies op dit punt dat de reconstructie van de Europese geschiedenis door Safranski en zijn navolgers spaak loopt. Zeker, het seculiere heils­ideaal van Marx en het communisme werden mede geïnspireerd door het revolutionaire elan van de vroege Romantiek. Waar het Marx en zijn revolutionaire erfgenamen echter volledig aan ontbrak was het voor de vroege Romantiek minstens zo kenmerkende gevoel voor ironie. Daarom is het curieus dat Safranski in zijn boek Marx als romanticus opvoert.

De met Marx bevriende Heinrich Heine verdient eerder dat predicaat. Hoewel hij met Marx’ communistische idealen sympathiseerde, waarschuwde hij tegelijkertijd met vlijmscherpe ironie voor het gevaar van een overmaat aan enthousiasme. Zo liet hij een personage bij het verbranden van een koran zeggen: “Daar waar men boeken verbrandt, verbrandt men vroeg of laat ook mensen.”

Ook het nationaal-socialisme heeft weinig blijk gegeven van ironische zelfrelativering. En hoewel Safranski er terecht op wijst dat de tegencultuur uit de jaren zestig terroristische uitwassen heeft gekend, gebeurde dat ook daar juist waar de ludieke ironie verstomde en fanatiek enthousiasme de overhand kreeg. Ook in zijn seculiere gestalten gaat het streven naar het Absolute, wanneer dat niet door ironie in toom wordt gehouden, over lijken.

Met haar hang naar nieuwe bezieling in een postreligieuze wereld, zonder daarbij in fanatisme te vervallen, blijft de vroege Romantiek een inspirerend model voor de Europese cultuur, zeker nu daarin als laatste Grote Verhaal het neoliberalisme is overgebleven, met zijn platte nutsdenken.

Wat we vandaag van de vroege Romantiek kunnen leren is dat we als koorddansers het precaire evenwicht moeten zien te bewaren tussen enthousiasme en ironie.

Verder fietsend door het uitgestrekte natuurgebied langs de Elbe blijft de romanticus Baudet mij door het hoofd spoken. Aan enthousiasme ontbreekt het hem duidelijk niet. Maar hoe staat het met zijn romantische ironie? Die vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden. De ironicus zegt het tegenovergestelde van wat hij bedoelt, maar het is nooit volledig uitgesloten dat hij meent wat hij zegt. Dat is de kracht en tegelijkertijd het gevaar van de ironie.

Ironie is bij Baudet zeker niet afwezig. Wanneer hij ter verantwoording wordt geroepen vanwege zijn provocaties, dan noemt hij die ironisch of ontkent hij ironisch de strekking van zijn uitspraken. Volgens Max Pam moeten we Baudets geflirt met foute personen en ideeën daarom niet al te letterlijk nemen; ze staan in de traditie van literaire schrijvers als Gerard Reve. Heleen Mees stelt in de Volkskrant zelfs dat we Baudets gehele oeuvre moeten opvatten als een subversieve parodie op de bestaande machtsstructuren: “Zo gezien zijn Baudets opvattingen over klimaatverandering (een hoax) en de moderne architectuur (Rem Koolhaas is een misdadiger tegen de menselijkheid) subversieve daden van ironie en was zijn hele campagne een postmodernistisch schouwspel dat louter wordt opgevoerd om het volk de idee te geven dat er iets te kiezen heeft. Het is allemaal parodie. Baudet verzet zich niet tegen de Franse Revolutie en het gedachtengoed van vrijheid, gelijkheid en broederschap, hij steekt de draak ermee.”

Uit de bocht

Hoewel Pam en Mees hier een punt hebben, gaan ze toch wat al te nonchalant voorbij aan de serieuze dimensie van Baudets uitspraken. Sterker nog: in zijn overwinningsspeech zijn ironie en parodie ver te zoeken. Het is precies daarom dat die speech uit de bocht vloog.

Intellectuelen en kunstenaars mogen in hun enthousiasme schrijven wat ze willen, hoe smakeloos of stuitend het ook is. De gedachten zijn vrij. Voor een politicus ligt dat anders. Zeker de leider van de grootste politieke partij moet beseffen dat woorden consequenties hebben.

Bij Barförde vormde de Elbe eens de grens tussen Oost- en West-Duitsland. De boer bij wie we overnachten wijst op het platform van waaruit met scherp werd geschoten op iedereen die de communistische heilstaat wilde ontvluchten. Trau dich, Deutschland! schreeuwt een verkiezingsposter van AfD ons toe.

Het is de hoogste tijd, Thierry, voor een flinke dosis zelfrelativerende ironie. Je bent het je traditie verplicht. Sei doch mal romantisch!

Dit essay is een bewerkt hoofdstuk uit ‘Breng mij die horizon! Filosofische  reisverhalen’, dat op 29 mei verschijnt (Boom; 304 blz. € 24,90.) Jos de Mul presenteert dit boek op 4 juni. Zie demul.nl

Lees ook

De uil van Minerva en de boreale wereld: wat zei Baudet nou eigenlijk?

Bij de afgelopen verkiezingen gaf Thierry Baudet een opzienbarende overwinningstoespraak, die maar liefst twintig minuten duurde. In de bombastische stijl die we inmiddels van de Forum voor Democratie-leider kennen, sprak hij achtereenvolgens over de ‘uil van Minerva’, ‘beschavingsfamilie’ en ‘boreale wereld’. Wat betekenen die termen eigenlijk?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden