Column

Theo Sontrop was mijn literaire vader

Rob Schouten Beeld Maartje Geels

Eind maart 1976, ik was net 22, student te Amsterdam, viel op mijn deurmat in Uilenstede een brief van het literaire maandblad Maatstaf - de weken daarvoor had ik aan een paar tijdschriften, Tirade, Maatstaf, Hollands Maandblad, mijn gedichten gestuurd. De vraag luidde of ik er nog meer had en of ik misschien met mijn oogst wilde langskomen. Ondertekend: Th.A. Sontrop.

Even later stond ik voor zijn bureau aan de Amsterdamse Singel. Omringd door prenten van Joost Roelofsz, Peter Vos en Paul de Lussanet zat daar een kleine gestalte met een onverwacht bronzen bariton die mij volkomen overdonderde. Hij vroeg mij niet wat ik gelezen had, maar citeerde naar hartelust regels van Oscar Milosz, Charles Cros, Jules Laforgue, schrijvers die ik uiteraard kende als mijn broekzak. Niet dus. Ik snelde naar huis om de lacune te dichten.

Theo Sontrop werd mijn uitgever, mijn literaire vader. In de jaren zeventig en tachtig was hij toonaangevend uitgever van de Arbeiderspers, ontdekker van schrijvers als F.B. Hotz, Joost Zwagerman, Anna Enquist. Maar vooral stond hij bekend om zijn scherpe tong, de bon mots die hij om zich heen strooide: "Ik wantrouw iedereen boven de 1.67." 

Heere Heeresma vergeleek hij met Attila de Hun: "Waar hij zijn voet gezet heeft daar zal geen gras meer groeien." Harry Mulisch liet hij eens een half uur in een zijkamertje wachten. Samen met Martin Ros - hij de erudiet en Feingeist, Ros meer van de gestampte pot - maakte hij de Arbeiderspers groot. Een uitgever van de oude stempel die wel riep dat het hem om kopers en niet om lezers ging maar die intussen zijn schrijvers als geen andere koesterde, niet door ze op het verkeerde gebruik van punten en komma's te wijzen maar door ze met zijn immense belezenheid door de literatuur van eeuwen te gidsen. Van niemand heb ik zoveel geleerd als van Theo Sontrop. 

Zelf stamde hij uit het Utrechtse kringetje van Jan Emmens, William (later Dirkje) Kuijk, Alain Teister, hij was redacteur van Propria Cures, woonde een tijdje op het roemruchte Jagtlust van Fritzi Harmsen ten Beek (waar de vlammen reeds 'naar buiten kolkten toen de dichter Theo S., gelijkvloers, iets bijzonders had menen op te merken, de sofa nog met een emmer had weten te doven, deze, om uit te stinken, op het balkon had gezet, en op de lege plaats een cahierblaadje op de vloer had neergevlijd met de mededeling: brandje geblust. T.' Gerard Reve, 'Op weg naar het einde').

Ja, Theo schreef ook gedichten, heel mondjesmaat, in pierdunne bundeltjes als 'Langzaam kromgroeien' en 'Marmerkijker', hoogst exclusieve, verfijnde miniatuurtjes. Een pastiche op het werk van Lucebert belandde zelfs nog abusievelijk in diens verzameld werk. Begin jaren negentig werd hij door de leiding van het WPG-concern onder curatele gesteld en uitgerangeerd, een oneervol einde van een groot uitgever. Hij vertrok naar Vlieland. Een paar jaar geleden trof ik hem daar nog aan, voor zijn huis de planten begietend. Op zijn veertigste zag hij er uit als zestig en op zijn tachtigste zag hij er nog steeds uit als zestig. Afgelopen zondag overleed hij daar, 86 jaar oud.

Lees de columns van Rob Schouten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden