Review

Theatrale flarden uit tien eeuwen drama

R.L. Erenstein (red.), Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam University Press, 916 blz. - ¿ 139,50.

De redactie noemt een dergelijke aanpak 'postmodern', wat hier bijna een synoniem dreigt te worden van 'gatenkaas'. Ik moet daar meteen aan toevoegen dat het boek, rijk geïllustreerd, je een schitterend mozaïek biedt van allerlei wetenswaardigs over het toneel in Nederland en Vlaanderen. Maar het blijft zappen, omdat elke bijdrage noodzakelijkerwijs aan een maximum aantal woorden was gebonden: ruimte voor dwarsverbindingen of voor een doorgaande analyse is er niet. Erenstein zelf spreekt van dunne lijntjes die zijn uitgezet en om nader onderzoek vragen.

Wat dat betreft is er een groot verschil tussen de eerste en de tweede helft van het boek. De eerste zestig bijdragen, tot ongeveer het midden van de vorige eeuw, stoelen vrijwel allemaal op het uitputtende onderzoek dat door de literatuur-historici al is gedaan. Hier zijn dan ook vaak Neerlandici aan het woord en de vraag, in hoeverre je van toneel kunt spreken, dringt zich op. Immers, de processies, blijde incomsten, tableaux vivants, esbattementen, sotternieën, vertogen en tafelspelen uit de late Middeleeuwen en vroege Nederlandse Renaissance vormen een bonte caleidoscoop van de spelende mens, terwijl Erenstein in zijn voorwoord zegt streng te selecteren en dat dat betekent: 'geen opera, geen dans, geen cabaret of wat dies meer zij'.

Maar natuurlijk heeft de redactie gelijk dat voor de vroegste periode de aandacht zo breed mogelijk op overgeleverde uitingen van die spelende mens wordt gevestigd. Het is opmerkelijk, vind ik, dat vrijwel alles wat over de eerste vijf eeuwen van de 'tien eeuwen drama en theater' te vinden is, zich heeft afgespeeld in de Zuidelijke Nederlanden. Boven de grote rivieren lijkt het, wat theater betreft, doodstil te zijn geweest. Pas met het (Latijnse) schooltoneel in de zestiende eeuw gaat Holland meedoen. Een poging zulke verschillen tussen Noord en Zuid te verklaren, ontbreekt; integendeel, met soms een overdaad aan vaktermen wordt de lezer zo diepgaand mogelijk geconfronteerd met het specialisme van een persoon die daar ook zoveel mogelijk over kwijt wil. Elk artikel bevat een opgave van uitgebreidere literatuur. Dat betekent dat het boek toch wel in de eerste plaats is geschreven voor de student theaterwetenschap.

Zo zal de lezer voor de zeventiende eeuw vergeefs zoeken naar een korte levensschets van Vondel of Bredero, of naar een karakteristiek van hun werk. Dat moeten we ons nog maar herinneren van school, evenals hoe dat ook al weer precies zat met die rederijkerskamers. Vondel wordt bedacht met een beschouwing van een van zijn onbekendste stukken, 'Gebroeders'; in de, lezenswaardige, beschouwing over Bredero's 'Moortje' formuleert R. van Stipriaan zo genuanceerd, dat ik nu nog niet weet of in zijn ogen de kluchten gereformeerde 'mommery' zijn of gemaskerde voortzetting van het paapse carnaval.

De Gereformeerde Kerk heeft het de tonelisten vaak knap lastig gemaakt in de zeventiende eeuw en later, zoals blijkt uit het artikel van Henk Duits naar aanleiding van 11 november 1621, toen de Amsterdamse kerkeraad bij de burgemeesters op de stoep stond. Lees daarna het artikel van Ben Albach over de eerste Amsterdamse actrice, Maria Nooseman. De bekende toneelfamilies Van Fornenbergh en Nooseman lieten zich lid na lid door hun calvinistische vrienden bekeren en zwoeren het toneel af. Geen wonder dat het toneel in Holland in de 18e eeuw zo saai is geweest, denk je dan - de eeuwige Pieter Langendijk daargelaten.

De tweede zestig bijdragen van het boek bestrijken een aanmerkelijk kortere periode, vanaf de tweede helft van de vorige eeuw. Het wordt pijnlijk duidelijk dat een theatergeschiedenis van de Nederlanden in de optiek van deze redactie geen geschiedenis van de acteurs is. Tot 1850 vind je soms individuele acteurs uitgetekend: de al genoemde Maria Nooseman, de 18e-eeuwse antipolen Jan Punt en Marten Corver (ook een bijdrage van Albach), mevrouw Ziesenis-Wattier uit de Napoleontische tijd, en de schilder-acteur Johannes Jelgershuis. Daarna zijn het alleen nog de toneelleiders, de regisseurs die aandacht krijgen. Als acteur die alleen maar gespeeld heeft, sta je hoogstens in een foto-bijschrift of, bij uitzondering, in de liefdevolle beschrijving door Hans van Maanen van het Werkteater. Het is de arrogantie van het regisseurs-, later dramaturgentoneel die de theaterwetenschappers hier parten speelt. Het is, om maar één voorbeeld te noemen, toch schandelijk dat de grand old lady van het theater, Mary Dresselhuys, bijna een eeuw op de planken, nergens wordt genoemd?

Maar terug naar het begin van 'het moderne theater'. Volgens Erenstein valt dat bij de zomerspelen in Laren op 25 en 26 juni 1907 onder leiding van Willem Rooyaards en Eduard Verkade. Dan is de grote Louis Bouwmeester toch minstens een wegbereider geweest. Maar ook de introductie van Ibsen bij het Nederlandse publiek door de Tooneelvereeniging op 29 maart 1889 zou je als het begin kunnen zien. In elk geval worden 'de groten' rond de eeuwwisseling: Bouwmeester, Herman Heijermans, Verkade en Rooyaards verbrokkeld en over meerdere bijdragen verspreid, behandeld. Dat komt deze fascinerende periode niet ten goede. Een ander probleem is, dat de kwaliteit van de schrijvers duidelijk wisselvalliger wordt. Er komen subjectievere bijdragen (wat soms wel de leesbaarheid verhoogt) en losse flodders, die irriteren. Zo lijkt Caroline de Westenholz in haar bijdrage over voordrachtsklunst en rhetorica (over Albert Vogel sr.) geen weet te hebben van de sterk opgebloeide monoloog in het moderne theater.

Hoe dichter je bij je eigen tijd komt, des te kritischer word je ten aanzien van de keuzen die gemaakt zijn. Toch denk ik, ook als ik mijn eigen subjectiviteit incalculeer, dat de behandeling van de periode na de Tweede Wereldoorlog ontstellende gebreken vertoont. Dat doet ernstig afbreuk aan je vertrouwen in de redactie. Om te beginnen: de twee grote gezelschappen die gezichtsbepalend zijn geweest in het toneel tot de vernieuwingen van de jaren zeventig, de Nederlandse Comedie (Amsterdam) en de Haagse Comedie, worden min of meer doodgezwegen. De Nederlandse Comedie komt vooral in zijdelingse schimpscheuten af en toe ter sprake. Wat je ook voor lelijks over dit gezelschap en haar directeur, Guus Oster, kunt zeggen: het is raar dat bij zoveel bijdragen over de naoorlogse periode geen stuk over dit gezelschap is opgenomen. Alleen al 'Wie is er bang voor Virginia Woolf?' in de vertaling van Gerard van het Reve en met Han Bentz van den Bergh en Ank van der Moer als George en Martha was een groot evenement en 'meetlat' voor de vele opvoeringen die daarna van dit stuk zijn gegeven. Maar er is veel meer repertoire dat ruim 25 jaar na de Actie Tomaat tegen het gezelschap (waar Erenstein aan deelnam) wel eens zonder omzien in wrok in een historisch perspectief gezet had mogen worden.

Bijna nog smadelijker vergaat het de Haagse Comedie: die wordt door Joost Groeneboer als staartstukje afgedaan naar aanleiding van de première van Shaws 'Candida' bij de Hagespelers op 7 maart 1908(!): 'Society-drama en Haagse stijl'. Hij draagt het gezelschap al in 1965 ten grave, hoewel de Haagse Comedie veertig jaar heeft bestaan en pas in 1987 werd opgeheven. En de Haagse Comedie was niet alleen maar society-drama: denk aan de legendarische 'Long day's journey into night' van Eugene O'Neill met Paul Steenbergen en Ida Wasserman.

Echt verbijsterd raak ik, als ik zie hoe de werkelijke theatervernieuwingen door de redactie voor een belangrijk deel worden genegeerd. Dat is des te opvallender, omdat de Vlaamse bijdragen, met name van Luk Vandendries, over het Kaaitheater, de 'Vlaamse Golf' van de jaren tachtig en Jan Fabre een goed 'dekkingspercentage' hebben. Er worden geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt, laat staan een stuk geschreven, over het Onafhankelijk Toneel en de zo invloedrijke Maatschappij Discordia. Theatergroep Hollandia wordt samengeveegd met zulke volstrekt onvergelijkbare grootheden als Tender (géén toneel), Bewth (géén toneel) en Dogtroep (vooral na het vertrek van Warner van Wely pure kermis). Dat gebeurt kennelijk omdat ze alle vier 'op lokatie' spelen - en van componist Paul Koek en Hollandia's muziektheater heeft schrijver Peter Eversmann kennelijk nog nooit gehoord.

De grootste gotspe is wellicht dat Toneelgroep Amsterdam en regisseur Gerardjan Rijnders, vooral zijn montage-voorstellingen en zijn politieke theater buiten beeld blijven. Dit zijn zulke gigantische blunders, dat ik maar verder zwijg over het ontbreken van Carrousel met z'n fijnzinnige esthetiek, over Carver ('Café Lehmitz', alweer van 1991), over de theaterhistorisch zo boeiende opkomst van de vrije produktie.

Over welke (nog bestaande) Nederlandse gezelschappen geeft het boek dan wel informatie? Mieke Kolk schrijft over Art & Pro van Frans Strijards: 'Postmodernisme en constructivisme'. Dat klinkt geleerd en gaat over 'De Kersentuin' van 1987. Maar Strijards heeft sindsdien al lang zulke ambities (als hij die al ooit had) teruggeschroefd tot onderhoudend en cynisch amusement.

Erenstein schrijft met dikke wolken wierook over De Appel en zijn leider Erik Vos. Dat is bedenkelijk voor de man die al huis-kroniekschrijver van het gezelschap is. Ik gun De Appel zijn succes bij het Haagse publiek, maar in tien jaar is het gezelschap nog nooit geselecteerd voor het Theaterfestival en dat is volkomen terecht.

De derde die een stuk krijgt is De Trust met artistiek leider Theu Boermans. Hier is vooral de ondertitel (van Max van Engen) verontrustend: 'De jongste generatie theatermakers'. Boermans is nog net niet bejaard, maar de jongste generatie? Johan Doesburg, Lidwien Roothaan, Marlies Heuer, Paul Feld, Koos Terpstra, Martin van Veldhuizen, Don Duyns, George van Houts en honderd anderen: sorry jongens en meisjes. Al worden jullie vijftig, jullie zijn nog lang niet aan de beurt.

Dit boek is zo stevig uitgevoerd, dat het gerust met een harde klap kan worden dichtgeslagen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden