Bodil de la Parra.

InterviewSolo

Theatermaker Bodil de la Parra hoorde van klasgenootjes: ‘Bij jullie thuis is het niet pluis’

Bodil de la Parra.Beeld Diederick Bulstra

Voor haar solovoorstelling Dagen van Rijst dook theatermaker Bodil de la Parra als een detective haar Indo-Chinese verleden in. ‘Ik hou ervan in spel even mijn oma te worden, mijn tantes, mijn oom. Dan voel ik ze beter.’

Jowi Schmitz

Haar zoektocht begon in de nieuwbouwflat in de Amsterdamse wijk Osdorp, waar ze opgroeide. Bodil de la Parra (58) woonde daar met haar vrijgevochten ouders, haar Indo-Chinese grootouders, en hier en daar een oom. ‘Bij jullie is het niet pluis’, werd er door klasgenootjes met behoudende ouders gefluisterd.

In Dagen van Rijst speelt ze een dochter die de flat van haar moeder leegruimt, omdat ze gaat verhuizen naar iets kleiners. Tijdens het opruimen stuit ze op herinneringen, op verloren gewaande Chinese tradities. Ze ontdekt dat haar moeder altijd veel verhalen heeft weggelaten. Nu zijn er alleen nog fragmenten over. Brokstukken verleden, soms raadselachtig, allemaal schreeuwend om uitleg. Hoeveel kan ze nog reconstrueren? En: zitten die brokstukken ook in haar?

Waarom gaat u voor uw tweede solovoorstelling weer terug naar uw roots?

“Misschien omdat ik zoveel roots héb. Mijn familie is een smeltkroes van culturen. Na de brand in ons familiehuis in Suriname dook ik in mijn vaders verleden wat leidde tot de solovoorstelling Het Verbrande Huis (2018). Later schreef ik er een boek over, met dezelfde titel. Het ging over de geschiedenis van de De la Parra’s, van oorsprong Sefardische Joden, in Suriname. Dit keer begon ik bij mijn Indo-Chinese moeder en weer is het een zelf geschreven en gespeelde solo geworden. Dat moet blijkbaar, om de zoveel tijd. Dan kom ik iets tegen en dan begint het te kriebelen.”

Waardoor begon het precies te kriebelen?

“Aanleiding was de voorstelling Gouwe Pinda’s, die ik maakte met Nadja Hüpscher en Esther Scheldwacht. We spelen in dat stuk onze eigen versies van onze Indische moedertjes, met al hun typische Indonesische gewoontes. Tijdens het maken hadden we het veel over onze achtergrond waardoor ik me meer en meer ging realiseren dat het Chinese deel van mijn moeder eigenlijk nooit eerder ter sprake was gekomen.”

Waarom niet?

“Misschien omdat het ook een pijnlijk verhaal is. Chinezen hebben altijd al te maken gehad met uitsluiting. Ze werden in voormalig Nederlands-Indië gediscrimineerd. Dat heb ik bij het maken van deze voorstelling pas ontdekt. In de jaren vijftig werden Chinese scholen afgeschaft, moesten Chinezen verplicht Bahasa Indonesia gaan spreken. Ook werden ze aangemoedigd om hun familienaam in een meer Indonesisch klinkende naam te veranderen. Zogenaamd om de integratie te vergroten, maar een Chinees gezicht wordt er niet minder Chinees van. Ze werden altijd opnieuw buitengesloten.”

En uw moeder heeft er nooit over verteld?

“Ik kwam een keer een familiefoto tegen – dat zit ook in de voorstelling – en op die foto staan wel achttien Chinezen, allemaal familie. Wist ik niks van. Op de achtergrond stonden Chinese karakters die aangeven dat we afstammen van een rijke Chinese familie met een welvarend bedrijf. Ik vroeg mijn moeder ernaar. ‘Wist je dat dan niet?’, zei ze. Alsof ze daar al heel vaak over had verteld. Zo deed ze bij wel meer ontdekkingen, vooral pijnlijke, alsof alles al gezegd was.”

Dus dat deel van uw geschiedenis bleef verborgen, wat merkte u als kind dan wel van uw Chinese achtergrond?

“Er was het eindeloos rochelen van oma, tot echt alle fluim uit haar keel was verdwenen. Ze gokte ook, zoals heel veel Chinezen gokken. Want ze geloven dat als ze goed leven, ze uiteindelijk beloond worden. Dus dan geeft het niet als je eerst wat geld verliest; later krijg het je wel terug.

Zorgen voor elkaar, dat was ook heel vanzelfsprekend in mijn familie. Ik had een oom die tot zijn veertigste vrijgezel was, en die kwam dus elke avond bij oma eten. Kassian, hij heeft nog steeds geen vrouw, zei ze dan. Alsof je dan dus ook niet voor jezelf kunt koken.”

Hoe is uw geschiedenis herkenbaar voor uw publiek?

“Mijn stuk is niet groter dan het is: het is een solo, van mij, over mijn familie, heel persoonlijk en kwetsbaar. Ik hou ervan in spel even mijn oma te worden, mijn tantes, mijn oom. Dan voel ik ze beter. Ik kruip in de huid van mijn geschiedenis.

Maar het is tegelijk ook het verhaal van alle migranten. Die kwamen allemaal ooit ergens vandaan, kwamen allemaal ooit op een plek terecht waar een nieuw leven werd opgebouwd, een plek waar ze raar en anders en ‘niet pluis’ werden gevonden. Ze gingen weg uit hun thuisland opdat hun kinderen het beter zouden krijgen, en precies die intentie levert op zoveel manieren een complexe situatie op. Ik blijf erdoor gefascineerd. De offers die werden gebracht, maar ook de druk op de kinderen, die werden opgezadeld met culturele verwachtingen die ze niet altijd begrepen.

Dramatisch, vind je niet? Dat voel ik elke keer als ik het probeer voor me te zien: Al die mensen uit verschillende tropische landen die mijn familie vormen. Soms rijk, soms arm, met z’n allen in een Osdorpse flat in een koud land. Dat heeft iets symbolisch. In alle landen bestaan dat soort flats; plekken waar mensen aanspoelen, en soms blijven tot het einde van hun leven.”

In Osdorp spoelden meer Indonesische families aan, toch?

“Dat klopt. Dat was tegelijk ook fantastisch. Hart van de wijk was Toko Bandung. Daar kochten mijn moeder en oma alle kruiden die ze nodig hadden. Sereh, djintan, laos. Speciaal voor dit doel was er een platte vijzel helemaal uit Indonesië met ze meegereisd. Zo konden ze een beetje van hun vroegere thuis naar Nederland halen.”

Is die toko er nog steeds?

“Ja, maar de oude bewoners sterven uit en daardoor verandert de winkel ook. Laatst ging ik er voor mijn moeder, die tot op de dag van vandaag in Osdorp woont, op zoek naar bepaalde kruiden. Bleken die schappen leeg. Ze worden nog wel gebruikt, die kruiden, maar zaten verwerkt in afhaalmaaltijden, dát is waar nu publiek voor is. Het verleden begint dus ook hier te verdwijnen. Des te belangrijker om die verhalen nog te vertellen.”

Dus eigenlijk draagt u met uw verhalen bij aan het historisch besef van uw publiek.

“Dat hoop ik, maar dat weet ik pas zeker als er publiek ís en het me lukt om de mensen te raken. Van mijn vorige solo, van Het Verbrande Huis, weet ik dat het kan werken. Onlangs ging dat stuk in reprise en kwamen er na afloop Surinamers naar me toe om te vertellen wat ze over hun eigen cultuur hadden geleerd. Mensen weten zoveel níet. Dan zijn ze op hun vijfde naar Nederland gekomen en nooit meer echt naar Suriname terug geweest.”

Komt uw moeder kijken?

“Helaas is ze ziek. Maar ik denk wel dat ik het verhaal aan haar voor ga lezen. Ze zal trots zijn, maar ze zegt vast ook: ‘Hoe kóm je erbij? Daar klopt helemaal niets van, dat weet je toch?’”

Dagen van Rijst gaat door in de vorm van twee première-matinees, 4 en 5 december om 14:30 uur in de Meervaart, Amsterdam. De tournee staat gepland van 8 tot en met 27 februari.

Lees ook:

Die bruine in Osdorp, die witte in Paramaribo

Bodil de la Parra gaat op zoek naar haar Surinaamse afkomst. Ze vindt ook een verhaal over slavernij waar ze niet op zat te wachten.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden