Review

Tegen het zoveelste dorp in de polder

A. J. Geurs: Woningbouw in Flevoland. Walburg Pers, Zutphen; F 29,50.

Weliswaar zijn er in Almere ook wel meergezinshuizen neergezet, lage flats en etagebouw, maar laagbouw was toch favoriet. Daarmee werd een traditie voortgezet die in de hele geschiedenis van de inpoldering van de Zuiderzee terug te vinden is, schrijft drs. A. J. Geurts in 'Woningbouw in Flevoland', deel 59 in de serie van het Sociaal-Historisch Centrum voor Flevoland.

Die traditie hangt samen met de voorkeur van de Rijksdienst IJsselmeerpolder (RIJP), die vond dat met huizen-met-tuintje het beste woonklimaat werd geschapen. Dit leidde wel eens tot conflicten. In Lelystad, dat eerder op de tekentafel lag dan Almere, begon de RIJP meteen met laagbouw. Toch was, bij wijze van compromis, een deel van het woningbouwtype wat afwijkend uitgevoerd, met platte daken. “Architecten en stedebouwkundigen wilden niet dat door traditionele huizenbouw Lelystad het aanzien van het zoveelste dorp in de polder zou krijgen. Daarom waren ze fel gekant tegen woningen met spitse daken en rode dakpannen, die voor het 'nieuwe land' zo kenmerkend waren”, schrijft Geurts.

De RIJP verzette zich tegen de in de jaren zestig gangbare trend van de hoogbouw. Volgens directeur dr. W. M. Otto moest tegemoet worden gekomen aan de wens van de gewone man, die zich door de woningnood in flats had laten 'chanteren'.

De inpolderaars zijn nimmer vernieuwende geesten geweest op het gebied van woningbouw en volkshuisvesting. Geurts laat zijn beschrijving van de Flevopolders voorafgaan door een terugblik op de (voor de oorlog ingepolderde) Wieringermeer. De Delftse professor dr. M. J. Granpre Moliere, door de toenmalige directie van de Wieringermeer ingehuurd, vertegenwoordigde een stroming die het platteland prees boven de stad. De IJsselmeerpolders, meende hij, droegen ertoe bij “de verzwakking van de volkskracht door toenemende 'versteedsching' en industrialiseering te beperken en hopelijk te neutraliseren.”

Dit traditionele denkpatroon is ook terug te vinden in de Noordoostpolder (NOP), waar Granpre's Delftse school eveneens de boventoon voerde.

Nagele

Alleen Nagele toont een afwijkend beeld. Daar mochten vertegenwoordigers van het 'Het Nieuwe Bouwen' aan de slag. De ontwerpers ontkenden de tegenstelling tussen stad en platteland en baseerden zich op een maatschappijvisie zonder klasseverschillen. De Amsterdamse architectengroep 'De 8' en de Rotterdamse groep 'Opbouw' ontwierpen zowel het dorpsplan als de huizen: toentertijd zeer moderne woningen met platte daken, in clusters rond een groene ruimte. Stedebouwkundigen en architectuurhistorici beschouwen Nagele volgens Geurts als een wezenlijke bijdrage tot een vernieuwing van de dorpsgemeenschap in de tweede helft van deze eeuw.

Na de Wieringermeer en de NOP kwamen de Flevopolders aan de beurt. Hier deed zich een nieuwe ontwikkeling voor. Naast de agrarische belangen kwam de behoefte op om een overloop te vinden voor de bevolkingsgroei. Lelystad moest uitgroeien tot 100 000 en het toekomstige Almere tot 250 000 inwoners.

De prognoses van toen (20 miljoen Nederlanders in 2000) werden echter achterhaald en bovendien kwam er een nieuwe kijk op de ruimtelijke ordening. De tendens naar een 'compacte stad' deed zijn intrede. Zeg maar: meer mensen op een kluitje, waardoor de trek naar 'buiten' afnam. Kortom, de doelstellingen voor Lelystad en Almere staan op een laag pitje. Een deel van de huurdersproblemen in Lelystad is daar ook uit te verklaren.

'Neem je moeder mee'

Belangstelling voor de polders was er wel. Zeker in Almere, waar meteen al 20 000 woningzoekenden waren ingeschreven. Toen de minst urgenten moesten worden afgevoerd, leidde dat tot felle protesten. De toewijzing bracht ook problemen mee. In Lelystad waren het aanvankelijk juist de lagere inkomensgroepen en ouderen die het lieten afweten. Daarom kwam Almere met de leuze 'Kom naar Almere en neem je moeder mee'. Er was nauw overleg met Amsterdam en de 'stadsvernieuwingsurgenten' kregen voorrang bij toewijzing van een huis in de polder.

Een groot deel van het boekje is gewijd aan de omstandigheden waarin de woningbouw zich ontwikkelde. Aanvankelijk onder de RIJP en met rijksgeld; later, onder invloed van bezuinigingen, onder rijkswoningbouwstichtingen, die geld moesten lenen op de kapitaalmarkt. Allengs is dit genormaliseerd en zijn er gewone woningbouwcorporaties actief.

Het is een geschiedenis van strijd. Lelystad werd in eerste instantie ontworpen door prof. C. van Eesteren (Delft), maar hij werd aan de kant geschoven en de RIJP zelf nam her roer over. Lelystad kreeg de naam 'geen stad maar een bedenksel van ambtenaren' te zijn.

De nafase van de inpoldering komt bij Geurts nauwelijks aan bod. De vernieuwende bouwplannen die inmiddels in Almere van de grond zijn gekomen, vielen kennelijk buiten het bestek. Zo rept Geurs met geen woord over de experimentele Bloemenwijk en de Filmwijk, die een belangrijke rol speelden als buitenexposities van de Nationale Woningraad (NWR)/BouwRai van de afgelopen jaren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden