Review

Tegen de grammatica van alledag

’Poëzie, waanzin en melancholie’ is het thema van het 38ste Poetry International Festival, dat vandaag in Rotterdam van start gaat. De dichter Menno Wigman is al jaren gefascineerd door het verband tussen gekte en dichtkunst. Hallucinaties, pijn, visioenen: het lijkt ideaal poëtisch materiaal. Uit nieuwsgierigheid naar de ’lyriek van de kliniek’ verbleef Wigman drie maanden lang in een inrichting. En raakte een paar illusies armer.

Lang geleden vroeg een uitgever mij eens een aantal poëziemanuscripten te beoordelen. Een van de bundels die ik onder ogen kreeg had een kaft met een foto van twee blote borsten.

Vreemd, dacht ik. Vreemd ook dat deze bundel door een vrouw geschreven was. De bundel ging vergezeld van een brief waarin de dichteres vertelde dat ze een ’nietsontziende’ gedichtencyclus geschreven had over haar borstkanker. Verbaasd keek ik weer naar de kaft. Ik las tien, vijftien gedichten. Het deed pijn. Pijn dat deze gedichten zo echt waren. En pijn dat ze zo onvolgroeid waren dat ik ze met de beste wil van de wereld bij geen enkele uitgever durfde aan te prijzen.

Natuurlijk komt poëzie vaak uit pijn voort. Maar uit wat voor pijn precies? Als we dat zouden weten zou de poëzie al heel wat van haar mysterie verloren hebben. Goed, Byron kampte met een horrelvoet, Leopardi strompelde krom en scheef door zijn dagen, maar waarom dichten gebochelden niet beter dan een Nobelprijswinnaar die, ik noem maar wat, haar volmaakt onopvallende leven in een verveloos flatje in Krakau doorbracht? Homerus is wereldberoemd, John Donne en Jorge Luis Borges ook, en toch zou ik niet meer dan vier, vijf andere blinde dichters kunnen noemen. We weten van het naar tbc riekende sterfbed van Keats, bekend is ook Heinrich Heines ’matrassengraf’, maar al met al zijn hedendaagse dichters niet zieker of gezonder dan wie ook.

Wel of geen lichamelijke gebreken, het heeft, ben ik bang, weinig met grootse poëzie te maken. Anders wordt het wanneer we aan waanzin denken, aan geestelijke kwellingen, messcherpe visioenen, onnavolgbare hallucinaties of doffe, bijna toonloos voortzoemende depressies. Dichters en waanzin: al meer dan anderhalve eeuw lopen ze hand in hand door onze literatuurgeschiedenis heen – en door onze verbeelding.

In ieder geval door mijn verbeelding. In 2005 besloot ik de laatste maanden drie maanden van het jaar als writer in residence door te brengen in een leegstaand paviljoen op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder.

Wat ik daar wilde doen? Een eigen bundel afronden én op zoek gaan naar de poëzie van de bewoners van de inrichting. Nu heb ik altijd al een zwak gehad voor teksten met een vreemde kras erin, voor gedichten die volmaakt onverschillig tegen de grammatica van alledag indruisen – dus wat kon er mooier zijn dan mijn verblijf af te sluiten met een bloemlezing met ’lyriek uit de kliniek’?

Dat viel, eerlijk gezegd, niet mee. Omdat ik van afstand houd, en zeker van afstand in de tijd, wilde ik allereerst op zoek gaan in dossiers, uit nieuwsgierigheid hoe veertig, vijftig jaar geleden door patiënten werd gedicht. Al snel kreeg ik te horen dat zelfs justitie geen toegang tot patiëntendossiers heeft. Begrijpelijk. En daarbij: later vertelde een hoogleraar in de geschiedenis van de psychiatrie dat ik ook weinig zou aantreffen. Ooit had hij op goed geluk honderden dossiers doorgenomen en was daarbij maar een, twee gedichten tegengekomen.

Ãœberhaupt verdwijnen veel gedichten van patiënten geruisloos van de wereld. Anders dan met beeldende kunst – hoeveel galeries zijn er niet die louter art brut of outsider art aanbieden? – wordt met geschriften van patiënten allesbehalve behoedzaam omgegaan. En gooit een creatief therapeut niet alles weg, dan raken de dichters zelf, tijdens hun overplaatsingen, ontruimingen of zwerftochten, hun werk vaak kwijt. Of verbranden het, zoals twee inwoners van de Hoeve me vertelden.

Groot was mijn vreugde toen iemand me een aantal verhuisdozen vol oude afleveringen van de Gekkenkrant, Gek’ooit en het Bulletin van de Cliëntenbond bezorgde. In die strijdbare tijdschriften uit de gloriedagen van de antipsychiatrie doken herhaaldelijk gedichten van patiënten op. Natuurlijk hoopte ik op poëzie met onverwachte wendingen, grillig taalgebruik en vreemde, met niets te vergelijken beelden. Maar meer dan mij lief was stuitte ik op vlakke, ongeïnspireerde versjes en doffe rijmballen, op poëzie die vooral op poëzie wilde lijken.

Wat vooral in het oog sprong was dat heel wat gedichten door therapeutenjargon werden ontsierd. Dus wemelde het van woorden als ’pillen’, ’psychiater’, ’depressie’, ’isoleer’, ’maatschappij’ en ’eenzaamheid’. En vrijwel altijd rijmde `pijn’ op ’zijn’, ’pillen’ op ’willen’.

Vreemd, achteraf, dat ik zoveel meer had verwacht. Maar wie in een kliniek verblijft, werd me al snel pijnlijk duidelijk, kan onmogelijk de rust en afstand vinden om tot evenwichtig en waardevol werk te komen. En dan heb ik het nog niet eens over de medicatie. In een titelloos gedicht schreef een zekere Allesandre: ,,Op welk voetstuk / placht jij jezelf te zetten / dat je onze geest / met chemische wapens / naar de afgrond / van de apathie verbant?’’

Met die ’chemische wapens’ had ze een punt: meer dan ooit lijkt de psychiatrie een zaak van medicatie, en smoort juist die medicatie heel wat talent. Het duidelijkst zie je dat in de beeldende kunst: van de woeste, steevast aan horror vacui lijdende werken van Adolf Wölfli en August Klotz vind je vandaag de dag amper iets terug. Misschien dat je daarom sommige artistieke patiënten wel eens hoort praten over heimwee naar hun psychoses.

Terug naar Den Dolder. Het viel niet mee het vertrouwen van de bewoners te winnen. Trouwens: hoe vraag je iemand of hij gedichten schrijft? Maar hoe vaker ik in de kantine rondhing, over het terrein slenterde of de filmavonden bezocht, hoe meer mensen ik leerde kennen en hoe meer ik te lezen kreeg.

Natuurlijk verwachtte ik niet ogenblikkelijk een nieuwe Achterberg aan te treffen. Zo dichtte een donkerharige borderliner: ,,Dan ga ik snijden, krassen en branden, / het is maar wat is voorhanden.’’ Toch bleek er heel wat geschreven te worden. Op het eind waren er zelfs patiënten die om de dag een gedicht kwamen langsbrengen. Ontroerend was de inzet waarmee Peter van den Dolder (zie kader) vrijwel dagelijks nieuwe gedichten schreef.

Het meest onder de indruk was ik van een ex-patiënt die korte, indringende, vaak ongemeen geestige verhalen schreef over zijn tijd in Den Dolder. Maar hij was dan ook ontslagen en genoot op z’n minst enig overzicht. Waar het de meeste dichters eenvoudigweg aan ontbrak was de esthetische distantie, het vermogen om een eigen tekst in alle rust met de ogen van een ander te lezen. Toen een bewoonster hoorde dat ik wel eens anderhalve maand aan een gedicht werkte, keek ze me aan of ik gek was.

Uiteindelijk – laat ik eerlijk zijn – las ik vooral veel gewone gedichten, gedichten zoals er bij duizenden buiten de gestichtsmuren worden geschreven. Misschien, dacht ik aan het einde van mijn verblijf, bestaat er wel niets verontrustenders dan een gedicht van een gek dat niet gek is. En daar waren er heel wat van.

Waarom had ik ook zulke hooggestemde, naïef-romantische verwachtingen gehad? Als je goed kijkt naar de levens van Gerrit Achterberg, Jan Arends, Friedrich Hölderlin, Gérard de Nerval, Nicolaus Lenau, Jakob van Hoddis, Robert Lowell en John Berryman, zie je dat de meeste ’gestoorde’ dichters juist ondanks hun psychische verwarring grote kunst voortbrengen. En daarbij: hadden ze zich als dichter niet allang bewezen voor ze in de kliniek belandden?

Klinkt hier een teleurgesteld man? Ik ben bang van wel. Toch droom ik nog altijd van een royale bloemlezing met lyriek uit de kliniek, met poëzie die onvergelijkelijk in opstand komt tegen de orde van de wereld en die voorgoed met de grammatica van alledag afrekent. Uiteindelijk waren drie maanden toch te kort – al begrijpt u dat ik niet wist hoe snel ik de inrichting moest verlaten.

Trouwens, het niveau van het verzamelde materiaal mocht dan tegenvallen, mijn fascinatie voor waanzin blijft.

Misschien verwoordde niemand deze fascinatie treffender dan Arthur Schnitzler: ,,Stel je een normaal mens voor... heb je hem voorgesteld – goed! denk je een gesprek met hem in van een half uur... er komt niets ter sprake dat niet tot de simpele alledaagsheid behoort... je wordt ondergedompeld in banaliteiten – hij wordt gek. Plotseling is hij spits, amusant. Hij praat onzin – maar er zit originaliteit in, vaak misschien iets groots! Zijn geest spint draden tussen de meest uiteenlopende dingen, die hij vroeger met zijn armzalige gewone verstand niet met elkaar in verband had gebracht. Hij wordt fantasierijk – hij wordt bijna een dichter. De troepen zijn er, om het zo te zeggen... alleen de strategie ontbreekt’’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden