Review

Te veel van het kwade

Kun je een roman schrijven over Auschwitz? Jonathan Littell probeerde het onlangs, met de roman ’De welwillenden’. En nu is er ’De apotheker van Auschwitz’, een gedetailleerd portret van de man die Mengele assisteerde. „Het is alsof de auteur dacht dat je van Auschwitz nog een tragedie moet máken.”

Dichten na Auschwitz, kon dat nog, vroeg de filosoof Theodor Adorno zich in 1949 af. Hij werd als het ware op zijn wenken bediend door Paul Celan, kind van Joods-Roemeense ouders die door de nazi’s werden vermoord. ’Der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau’, schreef de dichter in zijn beroemde, sobere ’Todesfuge’ uit 1952.

Poëzie kon dus. En proza? Was het mogelijk om over de Endlösung te schrijven alsof het een literair onderwerp betrof, kon een prozaschrijver wat Celan kon, namelijk het benoemen van de vernietiging, zonder dat de lezer omkwam in de moddertroep van de georganiseerde dood, terwijl hij tegelijkertijd begreep midden in de ingrijpendste gebeurtenis uit de gehele menselijke geschiedenis te zitten?

Het bleek te kunnen. Primo Levi’s ’Is dit een mens?’, en veel later ’Strepen aan de hemel’ van Gerhard Durlacher bewezen het. Beide overlevenden schreven even ongenadige als fijnzinnige portretten van het kampleven. Maar romans waren hun boeken nadrukkelijk niet.

Levi en Durlacher lieten de lezer op gedoseerde wijze kennismaken met de Duitse misdaadmachinerie, stap voor stap, op eenzelfde manier als die zich aan hen had geopenbaard. Kleine persoonlijke monumenten bij het grootste kwaad, zo kun je hun werk het beste typeren.

Na lezing deelde je hun verwondering evenzeer als het besef dat ze zich ter plekke nergens meer over verbaasden. Het raadsel werd, om met Harry Mulisch te spreken, vergroot. Je mocht er deelgenoot van zijn.

Bibliotheken zijn inmiddels vol geschreven over Auschwitz en Hitlers doodsindustrie. De historicus Saul Friedlander schreef het omvangrijke standaardwerk ’Nazi-Duitsland en de joden’, collega Martin Gilbert publiceerde een korter boek over hetzelfde onderwerp. Over Auschwitz verscheen in 2005 de heldere samenvattende geschiedenis van Sybille Steinbacher. En eerder – al in 1964 – deed Leon Poliakow op koele, zakelijke en daardoor des te indringender wijze verslag van de gebeurtenissen in Auschwitz in een gelijknamig boek.

Niet zozeer literaire, maar veeleer beschrijvende persoonlijke getuigenissen zijn er ook. Van het ontstellende ’Anus Mundi’ (’aars van de wereld’, zoals het kamp werd genoemd door een SS-Hauptscharfuhrer) van de Poolse overlevende Wieslar Kielar, tot en met de getuigenis van Shlomo Venezia, de gevangene die moest werken in het Sonderkommando van de dood. Zelfs het kwaad van Auschwitz heeft zijn eigen autobiograaf in de persoon van kampcommandant Rudolf Höss, die tijdens zijn gevangenschap zijn Führer welgevallig werk beschreef. Al deze boeken hebben één ding gemeen: ze helpen het onvoorstelbare voor te stellen. Wat bij Primo Levi in zekere zin een ’raadsel’ blijft, wordt met naam en toenaam genoemd. De verschrikkelijke feiten spreken zogezegd voor zichzelf, zonder dat je na lezing kunt zeggen ’dat je het nu ineens begrijpt’. Je weet het, niet meer en niet minder.

En de romanliteratuur die er lijkt te ontstaan? Het genre dat Jacq Vogelaar – vertaler van de nieuwste vernietigingsroman ’De apotheker van Auschwitz’ – in zijn nawoord beschrijft als een ’mengvorm van romaneske en documentaire technieken’? Voegt deze iets toe aan ’het raadsel’ en het ’feitelijk weten’?

Allereerst was er natuurlijk het boek ’De welwillenden’, over de massamoord in het oosten van Babi Jar tot Auschwitz, van de Joods-Amerikaanse schrijver Jonathan Littell. Het verpletterde de lezer onder een overstelpende hoeveelheid goed gedocumenteerde zogenoemde ’genormaliseerde’ misdadigheid tegen de mensheid, verpersoonlijkt in de gefingeerde persoon van de SS’er Max Aue, die zichzelf altijd weer weet te rechtvaardigen en wiens meest gewetensvolle daad is dat hij tegen het einde van het verhaal (nogal ongeloofwaardig) in Hitlers neus bijt. Maar werkelijks iets nieuws bracht het boek niet. Moordmachine noch daders werden er begrijpelijker door.

Het is te vrezen dat hetzelfde geldt voor de documentaireroman over Victor Capesius, de werkelijk bestaande SS-apotheker uit het Roemeense Zevenbergen. Het boek is geschreven door schrijver Dieter Schlesak, die net als de dichter Celan zijn wortels heeft in het voormalige volks-Duitse deel van Roemenië, dat het leeuwendeel aan mensenmateriaal leverde voor ’de grote actie’ in Auschwitz in 1944.

Schlesak heeft dan ook veel aandacht voor de vertrouwde positie die zijn hoofdpersoon moet hebben gehad voor de vele Joods-Roemeense kampslachtoffers die in betere tijden nog pepermuntjes bij hem hadden gekocht. En eigenlijk is dat meteen ook het beste aan het boek, want je realiseert je hoe ’de normalisering’ in de praktijk werkte, als je leest hoe Schlesak, geboren in hetzelfde Zevenburgse stadje als de auteur, meehielp bij de selecties op het perron.

Maar het grote probleem aan dit boek, gebaseerd op de stukken uit het Auschwitzproces van de jaren zestig, is dat de feiten overdonderen. Om niet te zeggen doodslaan, door de hoeveelheid en de gedwongen onwillekeurige volgorde waarin ze worden gepresenteerd. Eerst moet de lezer door een berg van moordellende heen, waarbij geen enkel detail over verbranding, vergassing, marteling, en andere mensonterende handelingen hem bespaard blijven. Vervolgens moet hij alle excuserende hersenspinsels vooraf en tijdens het proces verhapstukken van de hoofdpersoon en zijn alte Kameraden, die telkens weer worden afgewisseld met nieuwe vernietigingsscènes rond de crematoria, alsof de auteur bang is dat zonder de spanning verdwijnt en de lezer afhaakt.

En precies hier wreekt zich dat we van doen hebben met een soort roman die, net als ’De welwillenden’, de feiten voortdurend dramatiserend bij elkaar zet, en dat op zodanige wijze dat de lezer geen millimeter adem meer krijgt. Het is eenvoudig gezegd te veel van het kwade, gepresenteerd in een bijna overspannen regie van een auteur die ongetwijfeld uit de edelste motieven van geen ophouden weet. En dat terwijl je als lezer, juist bij dit vreselijkste onderwerp denkbaar, enige ruimte nodig hebt om te bekomen. Om even te denken. Ruimte die zowel de sobere geschiedschrijving, de onopgesmukte journalistiek als de memorieliteratuur van Levi en Durlacher boden.

Het is alsof de auteur dacht dat er van Auschwitz een tragedie moest worden gemaakt, terwijl zulks met gerust hart aan Auschwitz kan worden overgelaten.

Zijn streekgenoot Celan had het hem uit kunnen leggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden