Tien Geboden Wim Daniëls

Taalkundige Wim Daniëls: het woord flikflooien is te mooi om niet af en toe in de praktijk te brengen

Wim Daniëls Beeld Mark Kohn

Wim Daniëls (Aarle-Rixtel, 1954) is spreker, taalkundige en schrijver. Hij schrijft met name non-fictie, maar heeft ook een aantal jeugdromans op zijn naam staan. Onlangs verscheen bij Thomas Rap ‘Het dorp – een geschiedenis’. Daniëls reist door het land met zijn theatercollege ‘De wonderlijke wereld van de taal’.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“We kunnen het ontstaan van de wereld nog niet wetenschappelijk verklaren, maar ik vind het ook raar om te zeggen dat alles door iemand is geschapen. Ik kan dus geen antwoord geven op de vraag of God bestaat. Ik weet het niet. Er moet wel iets zijn, zeggen ze dan. Er gebeuren natuurlijk ook onbegrijpelijke dingen. Zo ben ik bijvoorbeeld in Lourdes van mijn aambeien ­genezen. Nee, écht! Ik had enorme aambeien, maar nadat ik er een beetje van dat ingestraalde water tegenaan had gekletst, waren ze binnen de kortste keren verdwenen. 

Ik zit je niet te dollen! Mijn vrouw was erbij, zij kan het bevestigen, maar goed, die zit nu in Amsterdam om het huis te poetsen van onze dochter die gaat verhuizen naar – ja, sorry, we dwalen af. Weet je wat ik een belangrijk woord vind? Vriendelijkheid. Als iedereen vriendelijk is voor elkaar, hebben we helemaal geen religie nodig.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Volgens mij wordt de naam van God vaak door gelovigen zelf zonder eerbied gebruikt, bijvoorbeeld door meneer pastoor die ons’ moeder – nadat ze twee kinderen was verloren – kwam vertellen dat het wel weer eens tijd werd dat er nog een kindje geboren zou worden. Dat was de wil van God. Ik heb in de loop der jaren een enorme aversie tegen die katholieke kerk gekregen, ook door alles wat ik in de Bijbel ben tegengekomen. 

Dit is een beetje een raar verhaal, maar ik zat in Aarle-Rixtel bij een voetbalclub, ASV ’33, en we kregen één keer in de twee jaar een sportkeuring, in Helmond. Ik lag daar op die tafel, de arts zei: ‘Blaas eens op je hand’, waarna ze in mijn onderbroek greep en zei dat ik voorhuidvernauwing had.

Daar ben ik toen aan geopereerd, vier dagen in het ziekenhuis gelegen, heel gedoe. Maar hoe kom ik hier nou op? O ja, en in die tijd las ik ook nog ­weleens in de Bijbel en daar kwam ik ineens die voorhuid weer tegen – wacht, ik pak die tekst er even bij, kijk, hier staat het, Genesis 17 vers 9 tot 14: ‘Voorts zeide God tegen Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden’. Ik was net geopereerd en dacht: dat moet natuurlijk verbánd zijn – ‘gij en uw nageslacht, in hun geslachten. Dit is mijn verbond: dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde...’ 

Dat gaat dan nog een tijdje zo door en dan, hier! Let op: ‘...en de onbesnedene, die het vlees van zijn voorhuid niet laat besnijden, die mens zal uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten.’ Uitgeroeid! En dan kun je zeggen: ja, maar dat moet je in z’n context zien, maar ik vind het echt verschrikkelijke teksten. Wil ik niks mee te maken hebben.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Doordat op zondag alles open is, zijn al die dagen nu zo gruwelijk op elkaar gaan lijken. Dat vind ik jammer. Ik hou van variatie. Vroeger kon ik me erg verheugen op de maandag: altijd weer een mooi begin.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader heeft 51 jaar bij dezelfde metaalfabriek in Helmond gewerkt. Daar deed hij het aller-, allervuilste werk dat er te bedenken was; niemand durfde in het hok te komen waar hij stond, omdat het er gewoon giftig was. Mijn moeder was als keukenmeisje bij de eigenaar van die fabriek, de familie Van Thiel, in dienst. Ze hebben elkaar daar, in het landhuis van de Van Thiels, leren kennen toen hij er op een dag iets moest afgeven. Mijn moeder heeft zich altijd achtergesteld gevoeld. Ze kwam uit een armoedig gezin. Haar vader was doodgraver, een beroep met een zeer ­lage status, waar zij zich enorm voor schaamde. Ze was ook erg zenuwachtig van aard, een zenuwachtige vrouw die met zichzelf vaak geen raad wist. 

Wim Daniëls. Beeld Mark Kohn

Ik had één zus die om een of andere reden geen contact meer met mijn ouders wilde hebben. Ze ging een dorp verderop wonen en liet nooit meer van zich horen. Geen idee waar de ruzie precies over ging, maar ik weet nog wel dat ik onvoorwaardelijk voor mijn ouders koos. Daar heb ik nu wel spijt van; ik had ook naar mijn zus moeten gaan, haar kant van het verhaal moeten aanhoren. Misschien heb ik in dat opzicht mijn ouders te veel geëerd. Ik had vooral met mijn moeder te doen, want naast het verdriet om dat gedoe met mijn zus, leed ze ook erg onder het feit dat ze twee kinderen had moeten begraven. Ik ben naar het jongetje, Wim, vernoemd. Hij is anderhalf jaar oud geworden. Na Wim kwam er nog een meisje dat al na een paar maanden overleed. Daarna werd ik geboren. De jongste van zes.

Er leek pas een einde aan mijn moeders verdriet te komen toen ze dement werd. Die periode, de laatste acht jaar van haar leven, is voor iedereen een geweldige zegen geweest. Ze stopte met huilen, maakte een blije, tevreden indruk. Ze is op haar 95ste gestorven. Verbazingwekkend oud voor iemand die zich altijd overal zo verschrikkelijk druk over heeft gemaakt.

Mijn vader was het tegenoverge­stelde: een losbol, een flierefluiter, een dorpsfiguur. Ze noemden hem Rooie Bart – vanwege zijn rode haar. Goeie vent, echt een goeie vent, maar er was nauwelijks een goed gesprek met hem te voeren; daar was hij te eenvoudig voor. Hij communiceerde niet. Hij riep dingen. Mijn vader is 82 geworden, ook best oud voor iemand die op z’n werk min of meer vergiftigd is. En ze wisten het, hè? Hij moest twee liter melk per dag drinken, ‘om het gif tegen te gaan’, maar goed, hij mocht niet klagen want de melk was gratis. 

Als ik één ding heb overgehouden aan mijn jeugd dan is het een sterke behoefte om op te komen voor mensen die worden uitgebuit, die vanwege hun eenvoud klein worden gehouden. Ik herinner me dat mijn moeder me een keer vertelde dat mevrouw Van Thiel vaak klachten had over het eten. Dan rinkelde ze met haar belletje en zei, zonder mijn moeder aan te kijken: ‘Dit is niet goed. Ga terug naar de keuken en maak het maar opnieuw.’ Ik zal het altijd opnemen voor mensen die zo gruwelijk slecht behandeld worden.”

V Gij zult niet doden

“Laatst hoorde ik weer iemand over zelfmoord praten. Dat vind ik zo’n naar woord. Ik heb, in mijn nabije omgeving, vaak te maken gehad met mensen die zichzelf, ten einde raad, van het leven hebben beroofd. Ik heb weleens overwogen om er een boek over te schrijven; om te proberen de onbegrijpelijkheid te vatten. Ook in mijn geboortedorp zijn behoorlijk wat zelfdodingen geweest. Je kunt je in zo’n omgeving ook geweldig eenzaam voelen, of uit de toon vallen. 

Ik heb, toen ik een jaar of twintig was, een tijdje naast twee excentrieke zusters, Janske en Drika, gewoond en hen zo goed mogelijk met van alles en nog wat geholpen. Toen Jankse in 1982 stierf, heb ik Drika moeten beloven dat ik haar later in het graf van haar zus en hun ouders zou laten begraven. Vijf jaar later was het zover, maar de pastoor zei dat het niet mogelijk was, omdat Janske te hoog lag. ‘Te hoog?’ vroeg ik, ‘maar ze werd toch in zo’n Dela-kistje begraven? Is dat niet al lang vergaan?’ Dat bleek precies het probleem te zijn: de doodgraver wilde liever het graf niet uitdiepen, omdat er van iemand die vijf jaar dood is, behoorlijk veel over is. Hij noemde nog een specifiek lichaamsdeel: de rug. Da’s heel taai spierweefsel, kennelijk. Nee, zei de pastoor, ze moest maar gewoon ergens anders worden begraven. Ik vroeg of ik het dan niet zelf mocht doen. Dat moest ik aan de burgemeester vragen, maar die zat in de trein en er was nog geen mobiele telefonie. Aangezien de begrafenis de volgende dag al zou plaatsvinden, stelden ze voor dat ik de commissaris van de koningin zou bellen. Die begreep het meteen. Ik kreeg toestemming, zo lang het hek ­gesloten bleef en de koster en iemand van de gemeente er maar bij aanwezig zouden zijn. 

Dus ging ik die avond, samen met mijn broer Henk en overbuurman Jos Hendriks, naar het kerkhof. Mooie vent, die Jos. Hij heeft nu trouwens COPD, dus hij heeft misschien niet lang meer te... Afijn, er hing een dichte mist, de klokken luidden en nadat we met z’n allen die gruwelijk zware steen hadden gelicht, ben ik in mijn eentje gaan graven. Eerst met een schop, toen met m’n handen. Op een gegeven moment stuitte ik op een schort en een paar halfvergane panty’s, waar de botten nog instaken. Ik schoof het zand, beetje bij beetje, weg en kwam toen bij haar hoofd. Ik herkende Jankse meteen, waarschijnlijk omdat ze bij leven ook al een beetje een doodshoofd had. Nadat ik alle botten in een vuilniszak had verzameld, groef ik op wat er nog over was van de vader en moeder van Janske en Drika en begon met het uitdiepen van het graf. Toen ik diep genoeg gegraven had, heb ik eerst de resten van de ouders ­teruggelegd en daarna het skelet van Janske weer zo goed mogelijk in elkaar gepuzzeld. Laagje aarde er overheen en klaar. 

Ik was tevreden, dankbaar dat ik dit voor Drika had kunnen doen, maar ik moet je eerlijk zeggen dat ik nog jarenlang nachtmerries van die avond op het kerkhof heb gehad.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Een jaar of zes, zeven geleden heb ik me laten uitschrijven uit de katholieke kerk. Dat moest ik doen bij m’n broer, want die zit in Aarle-Rixtel in het kerkbestuur. Kreeg ik zo’n officieel briefje waarin mijn vertrek ten zeerste werd betreurd. Ik had al veel langer moeite met het katholieke geloof, maar de directe aanleiding was het moment waarop in Reuzel, een plaatsje hier niet ver vandaan, prins carnaval Gijs d’n Urste, tijdens de carnavalsmis vanwege zijn geaardheid niet ter communie mocht gaan – hij was homoseksueel.

Voor mij was de uitschrijving een daad van verzet: ik wil geen lid zijn van een club die het waagt om homoseksualiteit nog steeds ‘onkuis’ te noemen.”

Wim Daniëls Beeld Mark Kohn

VII Gij zult niet stelen

“Nee, natuurlijk niet! Ik probeer juist rekening te houden met andere mensen, niemand te benadelen of lastig te vallen. Het is heel vervelend om te merken dat ik niet met iedereen op goede voet kan staan; dat voelt toch als een nederlaag. Ik verdien mijn brood als communicator, maar als het gaat over intermenselijk contact kan ik toch ook soms tekortschieten.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Ik spreek niet altijd de waarheid, zeker niet. Soms vertel ik iets zo vaak dat ik niet meer weet of het nou werkelijk op die manier is gebeurd. Ik hou er ook wel van een verhaal een beetje aan te dikken, maar ik zal nooit een ander gebruiken om daarmee de lachers op mijn hand te krijgen. Ik hoorde dat Ron Fresen, parlementair verslaggever bij de NOS, vorig jaar heeft gezegd dat hij nooit meer bij ‘De Wereld Draait Door’ zou aanschuiven als hij door Lucky TV nog één keer als ‘Clown Ronnie’ zou worden opgevoerd.

Nee, wat ik met het ‘Koningslied’ deed (Daniëls gaf een tekst­analyse in een uitzending van het tv-programma ‘Pauw & Witteman’ op 19 april 2013, AV) was iets anders. Dat ging echt om een volstrekt dwaze tekst: ‘de W van stamppot eten’? Hoe kom je op het idee? ‘Ik hou je veilig zo lang als ik leef’? Dat kan toch helemaal niet? Ik ben daarna vaak door programma’s gevraagd om teksten te bespreken, maar dat heb ik stelselmatig geweigerd. Ik leen me er niet voor om anderen belachelijk te maken. Ik wist op dat moment niet eens dat John Ewbank de tekstschrijver was.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Ha! Nu komen we bij een woord dat te mooi is om niet af en toe in de praktijk te brengen: flikflooien. Dat doe ik graag, flikflooien. Ik ben erg aanrakerig. Ook bij mannen. Die sla ik meestal op de schouder. ‘Flooien’ komt van vleien, beetje flirten, soms ook zoenen – als de ander daar net zoveel belangstelling voor heeft. Dat is in de beginperiode van mijn relatie weleens gebeurd, maar ik heb in de 45 jaar die mijn vrouw en ik nu samen zijn, nooit met iemand anders geslachtsgemeenschap gehad.

Ik heb niks tegen vreemdgaan – het zou raar zijn als je nooit meer verliefd werd, of geen seks met een ander zou willen hebben – maar tegelijkertijd ben ik toch blij dat ik mijn vrouw trouw ben gebleven, omdat ontrouw ook dingen stuk kan maken. Het is heel fijn en waardevol om er voor elkaar te kunnen zijn. We hebben elkaar nodig. Dat is mooi, toch? En het wordt in de loop der jaren eigenlijk steeds mooier.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Mensen kunnen me inspireren – misschien moet ik óók eens muziek gaan schrijven – maar ik ben nooit jaloers op wat een ander kan. Ik vind het fijn om te werken. Ik ben ook meer producent dan consument. Wat de psychologische verklaring van mijn werklust is? God, daar heb ik nooit zo over nagedacht. Ja goed, je zou inderdaad kunnen bedenken dat ik onbewust het idee heb dat ik moet doen wat mijn broer Wim nooit heeft kunnen doen, maar om nou te zeggen dat ik een of ander schaduwkind ben, of dat ik op aarde ben gezet om iets goed te maken of zo...

Nee, Arjan, jongen, ik geloof toch echt dat je nou zit te zoeken naar dingen die er niet zijn. Je kunt mensen ook dingen aanpraten hè? Kom, we gaan een boterham eten. Kaas of hagelslag? Koffie, thee? Eet je met mes en vork?”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden