Szczepan Twardoch: ‘Fictie is een goede manier om de waarheid te beschrijven’.

SchrijversinterviewSzczepan Twardoch

Szczepan Twardoch: ‘Ik werd schrijver omdat ik er overal uit werd geschopt’

Szczepan Twardoch: ‘Fictie is een goede manier om de waarheid te beschrijven’.Beeld Zuza Krajewska

De Poolse bestsellerauteur Szczepan Twardoch schreef een vervolg op De koning, opnieuw een verhaal over gangsters, maar nu tijdens de oorlog, in het getto van Warschau. ‘Niet schrijven over de Holocaust was een laffe uitvlucht.’

Het is warm in het piepkleine cafeetje aan het hipste plein van Warschau. Szczepan Twardoch draagt een T-shirt dat zijn getatoeëerde boksersarmen goed doet uitkomen, maar als hij praat is hij minder macho dan het beeld dat hij van zichzelf creëerde in de media. Twardoch was fotomodel voor Mercedes voordat hij in eigen land met zijn ook in deze krant geprezen sombere roman De koning (2016) uitgroeide tot bestsellerauteur. Dit meeslepende verhaal over de machocultuur in de vooroorlogse Poolse onderwereld werd in Polen bewerkt tot een televisieserie. De in 1979 geboren Poolstalige Sileziër Twardoch publiceerde onlangs een vervolg, dat volgende week in Nederlandse vertaling verschijnt. Het zwarte koninkrijk speelt zich af in de ruïnes van Warschau aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, tijdens en na twee opstanden: de Joodse opstand in het getto in mei 1943 en de opstand van Warschau ruim een jaar later.

Waarom schrijft u over de oorlog en de Holocaust?

“Dat is toeval. De koning ontstond uit de research die ik deed voor een eerder boek. Daarbij stuitte ik op Tata Tasiemka, een vooroorlogse gangster uit Warschau. Uit zijn biografie heb ik het fictieve personage van Kum Kaplica gecreëerd. Toen ik De koning af had, was ik niet van plan een vervolg te schrijven. Ik was er trots op dat ik een boek had geschreven over de Holocaust zonder de Holocaust ook maar te noemen.”

Waarom?

“Dat leek me een literair hoogstandje. Maar daarna stelde ik me de vraag: Waarom schrijf ik niet rechtstreeks over de Holocaust? Ik had het idee dat je daar geen fictie over mócht schrijven, dat dat een literair taboe was. Toen bedacht ik me dat het eigenlijk helemaal geen literair hoogstandje was, maar een literaire uitvlucht, een laffe uitvlucht.”

Hoezo laf?

“Het is laf om eromheen te schrijven. Dus besloot ik toch over de Holocaust te schrijven. En zo ontstond Het zwarte koninkrijk. Ik kan me niet voorstellen dat iemand tien jaar na de Holocaust daar fictie over zou schrijven, maar nu was er genoeg tijd verstreken.”

Maar de Poolse rol bij de Jodenvervolging ligt ­gevoeliger dan ooit.

“Het feit dat Polen een slechtere pr begint te krijgen dan Duitsland als het gaat over de Holocaust en antisemitisme, laat zien dat er over die pr niet goed is nagedacht. Dat verzet in Polen om deze onderwerpen te beroeren zorgt ervoor dat die stereotypes aan Polen blijven kleven.”

U draagt daar een steentje aan bij door te schrijven over Duitse wreedheid, Poolse boosaardigheid…

“en Joodse lafheid. Dat heb ik niet bedacht, dat zei Calek Perechodnik in het fantastische dagboek dat hij schreef tijdens de oorlog. Hij was een Poolse Jood die de Holocaust van nabij gadesloeg en zelf uiteindelijk omkwam. Dat waren zijn woorden. Woorden met een enorme poëtische zeggingskracht, waarmee hij uitdrukte wat dat enorme ongeluk over ons afriep.”

Hoe zijn de reacties op Het zwarte koninkrijk?

“Uit de rechts-patriottische hoek kwam felle kritiek; hoe ik het in mijn hoofd haalde om die Warschause kinderen te laten zien die bij de poorten van het getto stonden om Joden te beroven, of af te persen. Maar dat heb ik niet bedacht. Het boek is fictie, maar ik heb heel erg mijn best gedaan om de wereld van die tijd historisch zo precies mogelijk weer te geven. Er is enorm veel literatuur over het Joodse Warschau tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat beeld van die kinderen die staan te wachten buiten het getto komt in de herinnering van veel ooggetuigen terug. Zo was het. Waarom zou ik daarover zwijgen?”

Misschien doet het extra pijn omdat u zichzelf etaleert als niet-Pool.

“Ik ben geen Pool. Ik ben een Sileziër die in het Pools schrijft. Ik voelde me dan ook verplicht om ook over het aandeel van Sileziërs in de Holocaust te schrijven, die in Duitse uniformen deden wat Duitse soldaten deden. Niet toevallig dat die Silezisch-Duitse soldaat in het boek uit mijn eigen dorp komt. Mijn beide opa’s zaten in de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Opa Oskar was ergens in Nederland gestationeerd, bij zo’n tweederangseenheid die bunkers moest bewaken. Hij werd door de Amerikanen krijgsgevangen gemaakt en kwam in 1946 terug naar huis. Hij heeft heel veel geluk gehad.”

In uw boek heeft de Silezische soldaat Jorg Konopka minder geluk. Is er een personage met wie u zich het meest identificeert?

“Elk personage ben ikzelf, want de enige menselijke ervaring waaruit ik kan putten is mijn eigen ervaring. Ik heb geen toegang tot andere mensen. We zitten allemaal in zekere zin hermetisch afgesloten in onszelf. We vormen in onze hoofden modellen van andere mensen met wie we relaties aangaan. Maar alle personages, ouderen, kinderen, vrouwen en mannen moet ik bij het schrijven kneden uit mezelf.”

Waarom schrijft u niet in het Silezisch?

“Er is nauwelijks een Silezisch lezerspubliek. Het ­Silezisch is nog niet gestandaardiseerd. Bovendien was mijn hele schoolopleiding in het Pools, daardoor is Pools de taal van mijn literaire verbeelding. De Poolse literatuur gaat terug tot in de vijftiende, veertiende eeuw. Het Silezisch daarentegen heeft niks; het is een niet-gestandaardiseerde streektaal. Sileziërs moesten altijd hun taal opgeven om hogerop te komen. Eerst voor het Duits, nu voor het Pools. Tweetaligheid is een onderdeel van de Silezische identiteit. Mijn grootouders spraken Silezisch en Duits. Maar ik wil dat mijn boeken ook in het Silezisch verschijnen. Dat zijn heel kleine oplagen. Ik verdien er niks mee, maar op die manier creëren we een norm voor de taal.”

Waarom houdt een Sileziër zich bezig met ­Warschause Joden?

“Ik ben geïnteresseerd in veelzijdige etnische identiteiten. Niet politiek, maar emotioneel. Dat is iets wat mensen die zijn opgegroeid in een eentalige, mono-etnische samenleving niet begrijpen, zo’n gecompliceerde minderheidsidentiteit. Door mijn eigen ervaring voelt de identiteitskwestie van Poolse Joden voor mij vertrouwd. Er was niet één Jodendom in Warschau. Je had Joden die zichzelf als Polen van Joodse komaf zagen. Er waren er die zich gewoon Pool voelden. Dan had je nog de religieuze Joden die geen enkele band met Polen voelden. Dan waren er nog de zionisten die naar Palestina wilden emigreren en de socialistische Bund die de toekomst van de Joden juist in Polen zag. Door te schrijven over Warschause Joden en Silezische Sileziërs vertel ik niet alleen hun verhalen, maar schrijf ik over de menselijke conditie, over wat het is om als mens te worden meegesleurd door de geschiedenis. Het klinkt misschien banaal, maar dat is mijn thema: de mens die wordt meegesleurd door de geschiedenis.”

Zou u schrijver zijn zonder die meervoudige identiteit?

“Dan was ik een andere schrijver. Lang niet iedereen is geïnteresseerd in etnische kwesties. Mijn obsessie op dat punt maakt me ook kwetsbaar, want ik schrijf in wezen altijd over hetzelfde.”

‘Het klinkt misschien banaal, maar dat is mijn thema: de mens die wordt meegesleurd door de geschiedenis.’  Beeld Zuza Krajewska
‘Het klinkt misschien banaal, maar dat is mijn thema: de mens die wordt meegesleurd door de geschiedenis.’Beeld Zuza Krajewska

Hoe bent u eigenlijk schrijver ­geworden?

“Ik werd er overal uitgeschopt. Schrijven was het enige dat overbleef. Tijdens mijn studie werkte ik bij de wegenbouw. Ik verfde bushokjes. Ik heb allerlei bedrijfjes opgericht die allemaal failliet gingen. Schrijven was een hobby, maar op een gegeven moment begon ik ermee te verdienen. Eigenlijk wilde ik wetenschapper worden, aan de universiteit blijven, promoveren. Ik wilde me bezighouden met ideeëngeschiedenis, maar op de universiteit wilden ze me ook niet. Toen ben ik nog twee jaar reporter geweest voor een lokaal radiostation en schreef ik wat voor verschillende kranten.”

Die zorgvuldige documentatie en nauwkeurige beschrijvingen geven uw boeken soms een ­reportage-achtig karakter.

“Nee, nee, ik schrijf fictie. Ik houd niet van reportages en die hele zogenaamde Poolse reportage-school. Reporters verzinnen hun verhalen net zo goed als romanschrijvers, maar ze doen alsof dat niet zo is. Dat is niet fair. (lachend:) Laat de feiten nooit een goed verhaal in de weg staan.”

Kun je de werkelijkheid beter beschrijven in fictie dan in reportages?

“Ja, fictie is een goede manier om de waarheid te beschrijven. Dat is ook wat me het meest interesseert in literatuur; een waarheid uitdrukken die je op een andere manier niet onder woorden kunt brengen. Een goede roman raakt op een onuitsprekelijke manier aan dingen die je niet discursief kunt vatten in de taal van wetenschap, artikelen of essays.”

Die waarheid is bij u wat sombertjes. Het lot is blind. God bestaat niet. Er is goed noch kwaad.

“Boven mijn bureau hangt een citaat uit Macbeth: ‘Life Is a Tale. Told by an Idiot. Full of Sound and Fury. Signifying Nothing.’ Dat is een van de mooiste gedachten over de wereld die ik ken.”

U krijgt nogal eens het etiket nihilist opgeplakt.

“Door de aandacht te vestigen op de fundamentele zinloosheid van het menselijk bestaan, zie ik waarde, vooral in kleine dingen. Want zelfs als we vinden dat het leven betekenisloos is, kunnen we best genieten van eenvoudige dingen zoals de zomer die in dit deel van Europa aanbreekt na zes maanden winter, een goed glas wijn en het gezelschap van vrienden. Daar heb je geen hogere en grotere zin voor nodig.”

Men vindt u ook macho. Net als de hoofdpersoon in De koning en Het zwarte koninkrijk, de Joodse bokser en crimineel Jakub Szapiro.

“Ik begon te boksen toen ik De koning schreef, want ik wilde weten hoe dat voelt. Toen ik het boek af had, bleef ik boksen, alleen stapte ik al gauw over op kickboksen. Sommige van mijn personages staan dichter bij me dan andere. Szapiro staat me na. Tot op zekere hoogte natuurlijk. Ik leef niet van geweldpleging.”

Szapiro is een stoere macho, maar de sterke ­personages in Het Zwarte Koninkrijk zijn ­vrouwen.

“Dat element zit al in De koning. De sterke mannelijke hoofdpersoon is eigenlijk zwakker dan elk van de drie vrouwen met wie hij een relatie heeft. Alle drie zijn ze in staat hem te manipuleren. In Het zwarte koninkrijk besloot ik dat element verder uit te werken. Szapiro bouwt zijn hele gevoel van eigenwaarde als mens en als man op geweld en overwinningen. Maar dan opeens staat hij tegenover een meedogenloze kracht die veel sterker is dan hij. Wat kan hij dan nog doen? In zo’n situatie redden vrouwen zich veel beter. Dat is niet alleen mijn intuïtie, het blijkt ook uit al die herinneringen en dagboeken uit het getto. Mannen gaven het eerder op en stortten sneller in. Vrouwen waren in die situatie psychisch sterker. Ze hadden de kracht om door te gaan, om te leven, niet alleen voor zichzelf.”

Misschien is dat wel precies de reden: vrouwen leven minder vaak alleen voor zichzelf.

“Ja, deze roman is een deconstructie van viriele mannelijke kracht, die er gaaf uitziet, maar die vaak slecht afloopt.”

Bevat het boek ook een waarschuwing voor ­toekomstige oorlogen?

“Voor mij staat het buiten kijf dat een nieuwe oorlog mogelijk is. Oorlog voeren zit diep in de menselijke natuur. Mensen voeren oorlog, omdat ze mensen zijn. Na vrede kwam altijd oorlog. Er is dus geen enkele reden om te geloven dat het nu anders zou zijn. Het was geloof ik Einstein die zei: ‘Hetzelfde herhalen en een ander resultaat verwachten is een symptoom van waanzin’.”

Misschien evolueert de menselijke natuur en worden we verstandiger?

“Ik hoop dat ik ongelijk heb. Ik hoop dat het niet zover komt tijdens mijn leven, of tijdens het leven van mijn kinderen.”

null Beeld
Beeld

Szczepan Twardoch
Het zwarte koninkrijk
Vert: Charlotte Pothuizen.
Nieuw Amsterdam; 320 blz. € 22,99

Lees ook:

Jesmyn Ward: ‘Schrijven was iets waar ik voor wegliep, totdat mijn broer stierf’

Zes maanden na haar afstuderen wordt de 19-jarige broer van Jesmyn Ward doodgereden. ‘Ik wilde schrijven over ons verdriet, maar ook over de blijdschap toen – dat we elkaar hadden.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden