Stille, zomerse dagen voor de grote storm

Een grote tuin omgeeft het huis van de Finzi-Contini's. ( Foto Jacques-Henri Lartigue. Uit 'Autochrome' (1980), Editions Herscher, Parijs.)

Als de Joden van het Italiaanse Ferrara in 1938 uit de plaatselijke tennisclub worden gezet, stelt een rijke Joodse familie haar privébaan open. Voor de jonge verteller uit de meesterlijke roman ’De tuin van de familie Finzi-Contini’ gaat er een wereld open van liefde en weelde.

’We boften wel met het jaargetij. Tien, twaalf dagen lang hield het weer zich voorbeeldig in die soort van magische stilstand, van zacht glazige, lichtende roerloosheid waardoor de herfst bij ons zich vaker kenmerkt. In de tuin was het warm: bijna zomers.’ In Giorgio Bassani’s meesterlijke vertelling ’De tuin van de familie Finzi-Contini’ (1962) lijkt de tijd voortdurend stil te staan, als in deze magische nazomerdagen.

We schrijven Ferrara, 1938. Het is de stilte voor de verwoestende storm die binnenkort over heel Europa zal razen. Voor de verteller staan dit en de volgende jaren vooral in het teken van een episode uit zijn persoonlijke leven: zijn bijzondere en intieme vriendschap met de mooie en bizarre Micòl, dochter van de welgestelde Joodse familie Finzi-Contini.

De vaak pijnlijke herinneringen aan deze eenzijdige liefde worden behoedzaam afgetast en naar boven gehaald. Aanleiding is een bezoek dat de verteller in 1957 bracht aan een Etruskische necropolis. Daar herinnert hij zich spontaan het pompeuze familiegraf van de Finzi-Contini’s op de Joodse begraafplaats in Ferrara, een herinnering die wordt vergiftigd door de gedachte dat geen enkel familielid dat hij voor de oorlog heeft leren kennen in dat graf een laatste rustplaats kreeg.

Door de obsessie met de herinnering en de ongrijpbare (ge)liefde doet Bassani’s roman soms sterk denken aan Marcel Prousts ’Op zoek naar de verloren tijd’. Niet alleen Marcels fascinatie met de jonge Gilberte Swann schemert in Bassani’s vertelling door, maar ook de ’Vita nuova’, het liefdesverhaal van de jonge Dante en Beatrice. Zoals bij Proust en Dante liggen ook de wortels van Bassani’s liefdesgeschiedenis in de kinderjaren: als jongen voelde de verteller zich al sterk aangetrokken tot Micòl. Zijn vroegste herinneringen liggen in de synagoge waar hij telkens ongehoorzaam achterom keek naar de intrigerende Micòl en haar rijke familie. Ook bij de zegening bleef hij stiekem naar haar loeren, vanonder zijn vaders talliet, terwijl Micòl en haar broer teruggluurden, ’tussen de kieren van hun gordijn door’. „En ze lachten en knipoogden me beiden merkwaardig uitnodigend toe: vooral Micòl.” Na een serieuzer ontmoeting buiten de synagoge, op een junimiddag in 1929, duurt het tot het fatale jaar 1938 voordat hun levens zich opnieuw kruisen.

Na de invoering van de fascistische rassenwetten ontvangen de Joodse leden van de Ferrarese tennisvereniging Eleonora d’Este een voor een een opzeggingsbrief van de voorzitter. De rijke Finzi-Contini’s vangen de verbannen tennissers op in hun villa, de magna domus, die omgeven is door een parkachtige tuin met tennisbaan. Boven de schijnbaar zorgeloze partijtjes van de veelal studerende jongelui pakken donkere wolken zich samen: de rassenvervolgingen worden grimmiger, de oorlogsdreiging groter. Over de ongewisse toekomst van de Joodse tennissers wordt niet veel gezegd. Dit stukje aards paradijs lijkt afsloten van de harde buitenwereld, die zich slechts af en toe laat zien en voelen, bijvoorbeeld wanneer een locale partijbons de Finzi-Contini’s sommeert hun tennisbaan te sluiten.

Net als de overige delen van de cyclus ’Het verhaal van Ferrara’ concentreert ook dit verhaal zich vooral op het leven van enkele individuen die door de geschiedenis worden gemarginaliseerd en tot eenzaamheid gedreven. De onbeantwoorde liefde tussen de verteller en Micòl laat een schrijnende pijn achter. Ondanks zijn verliefdheid en avances, weert zij hem telkens wreed af. „Het heeft toch geen zin”, verwijt ze hem, wat de verliefde jongen niet begrijpt. „Ze keek me aan met iets van een glimlach rond haar mond.” Het wordt nooit duidelijk of de mysterieuze Micòl eigenlijk op iemand anders verliefd was of dat zij voorvoelde dat er geen plaats was voor hun liefde vanwege het onheil dat haar en haar familie ging treffen.

De geschiedenis verijdelt iedere mogelijkheid om de onzekerheid weg te nemen. In de herfst van 1943 worden alle Finzi-Contini’s naar Duitsland gedeporteerd. Niemand keert terug, ook Micòl niet. De laatste blik op Micòl is gericht op haar haar, dat de verteller onverwacht omschrijft als ’asblond’, een subtiele en lugubere toespeling op het lot dat haar te wachten staat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden