Essay

Stichters van ons land? Nederland is helemaal nooit gesticht!

Willem van Oranje

De laatste woorden van de stichters van Nederland, Willem van Oranje en Johan van Oldenbarnevelt, confronteren ons met land en volk die er niet waren.

Grenzen komen tot stand door oorlogen. Ze worden bevochten of afgedwongen. Het zijn de voldongen feiten, al dan niet gevolgd door dictaten of moeizame onderhandelingen met als doel een nieuwe status-quo veilig te stellen. In het beste geval zijn grenzen het resultaat van een tot rust gekomen, gestolde geschiedenis.

Hoe kunstmatig tot op grote hoogte alle grenzen zijn - ook de ’natuurlijke’ grenzen - laat Hans Dijkhuis zien in zijn boek ‘De verdeelde aarde. Hoe de grenzen in de wereld kwamen’. Hij brengt vooral het cultuurlijke kluwen in kaart. De Staat, Het Volk, De Godsdienst, De Taal. Nergens vallen die vier precies of zelfs maar enigszins samen. Elke zuiverheid in dezen is een fictie.

Mij gaat het hier nu alleen om dit ene land. Dit Nederland. Het is een godswonder dat het überhaupt bestaat. Wat immers, om het in de taal van de negentiende-eeuwer Jan Blanken te zeggen is ‘de Physique Existentie dezes Lands’? Deze eerste inspecteur-generaal van de waterstaat ontwierp de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Want laten we wel wezen: veel meer dan een lage delta van een stuk of drie riviermondingen is dit land niet. Een afdoend gebergte als de Pyreneeën is hier nergens te bekennen.

Duitse deelstaat

Desondanks bestaat het, Nederland. Als een niet zo grote, toch tamelijk zelfstandige wig tussen drie andere, veel forsere staten van Europa. Maar daar heb je het gedoe alweer: eigenlijk moet ik dan zeggen: taalgebieden. Laten we België niet uitvlakken. Alle respect, voor het land dat de meer of minder formele hoofdstad van de Europese Unie herbergt.

Johan van Oldenbarnevelt

Maar veel fantasie vergt het niet om je voor te stellen dat Nederland ook best een Noord-Frans departement had kunnen zijn, of een Duitse deelstaat. Even aangenomen dat de geschiedenis wat anders was verlopen. In elk geval is Nederland - met het gewicht van het enkelvoud - van vrij recente datum. Voordat de Napoleontische troepen hier arriveerden was het nog een Republiek der - meervoud - Verenigde Nederlanden. Een republiek die strikt genomen - namelijk erkend door de omliggende staten - pas aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog tot stand kwam.

Het land is daarna nog één keer veelbelovend aangegroeid. Maar het intermezzo van ons Verenigd Koninkrijk (het huidige Nederland plus België) heeft maar heel kort geduurd. Dat Koninkrijk, beraamd door de geallieerde overwinnaars van Napoleon, heeft het niet gehouden. Ik vind dat jammer. Ik had graag wat bergen, hoe laag ook, binnen de grenzen gehad. En trouwens ook wel wat meer Bourgondische allure en goede manieren. Ik was graag een Belg geworden, een Nederbelg.

Lukraakheid 

Nederland is geëindigd als enkelvoud. Het oude meervoud klinkt alleen nog door in hoe de omringende talen ons land noemen: Netherlands, Niederlande, Pays Bas.

Als de geschiedenis iets leert, is het wel de enorme lukraakheid waarmee zij verloopt. Het is het toeval dat regeert, dat de doorslag geeft. Wie er even een historische atlas bij pakt, zal het direct zien, hoe onvast en hoe kunstmatig de grenzen zijn, en altijd al geweest zijn.

Er is een onoverbrugbaar verschil tussen elk gegeven moment, elk ‘nu’ van vroeger en de al te keurige latere ordening van de geschiedschrijving. Zij kan niet anders dan een vervalsing zijn, een gezichtsbedrog dat het moet hebben van de terugwerkende kracht. Het is bij de gratie van die terugwerkende kracht dat het verleden de weg wijst naar die toekomst waarin wij, de geschiedschrijvers en hun lezers, ons immers al bevinden - veilig en wel.

In die laatstgenoemde zin, die van de noodgedwongen valse geschiedschrijving, is het dan ook volop misleidend om in Johan van Oldenbarnevelt en in Willem van Oranje - allebei geëxecuteerd dan wel vermoord, dat hangt maar net van je gezichtspunt af - de twee stichters van dit land te willen zien. Daar is het dan weer, het simpele woordje ‘land’, gebruikt voor een land dat er in de verste verte nu juist nog niet was. Het land is helemaal nooit gesticht!

De laatste woorden van onze beide vaderlandse helden zijn - met de gretigheid die stamt van de nationale geschiedschrijving die in de negentiende eeuw op stoom kwam - bekend geworden en gebleven onder een handvol generaties. Daarbij inbegrepen degenen die zoals schrijver dezes zelfs na de Tweede Wereldoorlog nog een tijd lang het fraaie vak Vaderlandse Geschiedenis kregen. Een toen nog volop heldhaftige en partijdige geschiedenis, maar wel afhankelijk van de Zuil waartoe jij en je ouders behoorden.

Laatste woorden

Bij die overgeleverde laatste woorden sta ik hier even stil, omdat ze zo mooi laten zien in welke - anachronistische - val je eigenlijk trapt als je niet beseft dat de woorden ‘land’ en ‘volk’ er een hele tijd over gedaan hebben om hun huidige betekenis te bereiken. Zo op het eerste gezicht lijken het natuurlijk precies dezelfde woorden. Maar ze zijn het niet. Ze dekken niet wat ze nu dekken en ze hebben bij lange na nog niet hun huidige lading.

Willem van Oranje werd in 1584 vermoord door een katholieke geloofsijveraar die zich al een jaar of twee had voorbereid op deze daad. Geen gewone huurmoordenaar. En gezien de dapperheid waarmee hij zijn martelingen en uiteindelijke vierendeling onderging misschien zelfs wel een geloofsheld, op zijn manier dan weer. Het Prinsenhof was, toen prins Willem het betrok, een geconfisqueerd klooster.

Johan van Oldenbarnevelt werd in 1619, alweer een generatie later, geëxecuteerd -of gerechtelijk vermoord. Dat gebeurde door toedoen van de felle calvinisten die in de Advocaat van Holland om allerlei redenen de vijand bij uitstek waren gaan zien. Juist tijdens een intermezzo in de oorlog, het Twaalfjarig Bestand, gesloten vooral op conto van Oldenbarnevelt, en tegen de zin van prins Maurits, in 1609. Dat bestand liep dus nog - niemand kon weten hoe het daarna verder zou gaan. De zogenaamde Tachtigjarige Oorlog was dus wel en niet aan de gang. Niet, voor zover het Bestand al een tussentijdse vrede was; wel, voor zover (zoals wij weten) de oorlog nog een kleine dertig jaar voortgezet zou gaan worden.

Beeld Trouw

Die twee dus, stichters van het land? Ja en nee. Bij terugblik wel natuurlijk. Maar beschouwd vanuit de twee momenten in kwestie - richting uiterst onzekere toekomst - is het alsof je de overwinnaar van een veldslag waarvan de uitkomst aan een zijden draad heeft gehangen al bij zijn vertrek van huis, nog niet eens gearriveerd op het slagveld, feliciteert met de afloop.

Geen Tachtigjarige Oorlog

De geschiedenis van de voldongen feiten is er een zonder spanning en verrassing. Geschiedschrijvers en ook schrijvers van historische romans zijn te vergelijken met valsspelers op de beurs. Ze drijven handel met voorkennis. Het ontbreekt hun aan de bijziendheid die noodzakelijk is verbonden met de beleving van al dat oude heden, dat niet sneller dan per dag verschuift.

Ga er dus liever van uit dat er nooit een Tachtigjarige Oorlog geweest is. Die oorlog is uitgevonden - niet eens in 1648, bij gelegenheid van de Vrede van Munster, maar pas in de negentiende eeuw. Oldenbarnevelt was niet al ter dood veroordeeld toen hij gearresteerd werd. Het proces was niet geheel en al georkestreerd. In zekere zin was het een improvisatie.

Nu, op een enorme afstand van vier eeuwen, kan het ons pas als fascinerend voorkomen dat Oldenbarnevelt en de zijnen eerst nog een hele poos hebben gezocht naar een buitenlandse soeverein. Er moest een soeverein zijn, zo hoorde dat! Er was een soeverein afgezet en nu was er een lege plek. De broer van de koning van Frankrijk, was dat geen goed idee? Het bleek van niet. De koning zelf, van Frankrijk? Jammer, maar die werd vermoord. De koningin van Engeland dan maar? Elizabeth keek wel uit, ze stuurde Leicester. De ijdeltuit die zich ook tegen de wens van zijn eigen vorstin in begon te gedragen als een onderkoning - zonder in de gaten te hebben hoe hij vanaf het allereerste begin werd ingesponnen door Oldenbarnevelt. Leicester probeerde van alles wat je hier niet moest doen, de steden trotseren, het bestuur centraliseren in Utrecht, een eigen munt slaan. Op den duur had hij het zelfs verkorven bij de harde kern van zijn aanhang, de steile calvinisten.

Zo kwamen de Nederlanden van de Opstand er al doende achter dat je zo iemand, een soeverein volgens het heersende model, helemaal niet nodig had. Er was geen witte plek. Statelijk gesproken was dit gezoek naar een soeverein het laatste avontuur van de opstandige noordelijke Nederlanden.

Een echte soeverein

Goed, die laatste woorden dus, hier komen ze dan. Oranje heet, stervend op de stenen trap van het Prinsenhof, gezegd te hebben, zich in het Frans wendend tot God: “Mon Dieu, ayez pitié de moi et de mon pauvre peuple.” Maar wat dat ene woordje, dat we zo graag zouden vertalen met ‘volk’ dan eigenlijk heeft betekend, daar en op dat moment - het is een volkomen raadsel. Als hij dan een volk had, gek hoor, dan toch in Frankrijk, in het kleine vorstendom Orange, een gebied dat op het moment van zijn dood al niet meer het zijne genoemd kon worden, want het was geconfisqueerd.

Hier, in dit losse verband van een aantal gewesten, op het moment van zijn dood nog naarstig op zoek naar een echte soeverein - een speurtocht waar hij geheel achter stond - was er geen enkele groepering die je ook met de beste wil van de wereld voor ‘zijn’ volk kon houden. En zelfs al zou de aan de prins aangeboden, door hem ook geaccepteerde, grafelijkheid van Holland en Zeeland een feit zijn geworden, dan nog was er iemand anders als de nieuwe soeverein aangezocht.

Ik schuif met jaartallen en met de kennis van nu, dat is waar. Maar wat de prins bedoeld zou kunnen hebben met dat peuple, ik zou het echt niet weten. Iets als ‘Mijn mensen’? Of nog wat preciezer: De mensen met wie ik hier al een poos, vooralsnog met bijzonder weinig resultaat, in opstand ben?

Net zo is het gesteld met Oldenbarnevelts laatste woorden, vanaf het schavot. Ook dat zijn woorden die ons prachtig en vaderlandslievend in de oren zijn gaan klinken. Alsof wij er best al bij hadden kunnen zijn.

Wat zei de Advocaat van Holland? Ik bedoel de twee woorden die de latere goede vaderlanders als muziek in de oren zijn klinken. Vooral misschien in de negentiende eeuw.

“Mannen”, zo begon hij zijn korte slotverklaring - op alle prenten van de executie zie je ook echt alleen maar mannen, met hun mooie hoge zeventiende-eeuwse hoeden op -, “mannen, gelooft niet dat ik een landverrader ben!” Het uitroepteken is van schrijver dezes, want uitroeptekens waren er nog niet toen. Om vervolgens te verzekeren dat hij als een goed patriot zou sterven.

Landverrader?! De lading die dat woord nu heeft, stamt van de Tweede Wereldoorlog. Dat kon Oldenbarnevelt natuurlijk nog niet weten. Dan nog: over welk land had hij het dan eigenlijk, op dat moment? Ik houd het erop dat het woordje ‘land’, in dat beladen ‘landverrader’, toch alleen maar kan slaan op het gewest dat het zijne was geworden, het gewest waar hij als Advocaat van Holland bij in dienst was.

Nicolaas Matsier Beeld Keke Keukelaar

Uitgerekend op dit moment kan hij met geen mogelijkheid het hele land - dat er in de verste verte nog niet was - bedoeld hebben. Die zeven losse gewesten die aan Maurits het bevel hadden gegeven om de Advocaat van Holland te arresteren, juist die Staten-Generaal kan hij niet hebben willen toespreken als ‘het land’ - het land dat hij verraden zou hebben. Dat land van ons, dat latere land, is op zijn allerbest in de maak.

Wij kunnen onze hoed nu wel willen afnemen voor die twee stichters, maar naar ze zwaaien, over een afstand van vierhonderd jaar of meer, dat kunnen we niet. Die zwaai komt uit een voor hen ver en vreemd land.

Nicolaas Matsier

(1945) is romancier en dichter. Dit essay is het tweede in een korte serie op weg naar 13 mei, de datum van Oldenbarnevelts onthoofding in 1619. Onlangs verscheen over hem Matsiers ‘De Advocaat van Holland’.

Lees ook:

Willem van Oranje: was hij nou een bevrijder of een oorlogshitser?

Willem van Oranje komt in de biografie ‘De Prins’ vaker zelf aan het woord dankzij recentelijk ontsloten correspondentie.

In het hoofd van Van Oldenbarnevelt

In zijn roman over de raadspensionaris kan Matsier jaren historisch onderzoek tot in detail kwijt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden