Review

Stevige Dvorak van Noseda

ROTTERDAM - Hoe belangrijk relaties soms kunnen zijn bewijst de carrière van de 34-jarige Italiaanse dirigent Gianandrea Noseda: hij viel in de smaak bij dirigent Valeri Gergjev. Deze gaf hem de leiding over een Italiaanse tournee van 'zijn' Kirov Opera en in een later stadium mocht hij zelfs de Kirov Opera in Sint Petersburg dirigeren. Het kon niet uitblijven, Gergjev introduceerde zijn protégé ook bij 'zijn' Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Woensdagavond stond Noseda voor de vierde maal in successie op het Doelenpodium in een programma rijk aan tederheid en doortrokken van hartstocht.

Hoofdgerecht van het programma was de zevende symfonie van Dvorak uit 1885. Het gaat er heftig en fel aan toe. Op het gebied van hartstocht, temperament en dramatiek haalt Dvorak alles uit de kast, maar ook lyriek en tederheid komen royaal aan bod. Noseda leidde het Rotterdams Philharmonisch in het eerste deel, 'Allegro maestoso', van hoogtepunt naar hoogtepunt daarbij de verbindende passages steeds gebruikend als opstapjes. In het uitvoerige 'Poco adagio' bleef zijn visie ten koste van de spanning aan de oppervlakte.

Noseda houdt van een stevige orkestklank en de orkestleden konden in het Scherzo vivace dan ook hun hart ophalen door eens lekker flink uit te spelen. In de finale legde Noseda er nog eens een schepje bovenop, het kon wat hem betrof niet uitbundig genoeg. De koperblazers bliezen hun longen uit het lijf, de paukenist sloeg er lustig op los en de strijkers zaten op het puntje van hun stoel. Andere koek was het openingswerkje, 'Het betoverde meer' van de Rus Anatol Ljadov. Deze componist laat zijn toehoorders zeven minuten lang ronddolen in een nevelige sfeer; met weinig moeite meer had het ook een half uur kunnen duren, want er gebeurt toch niets. Gianandrea Noseda dirigeerde kalmpjes aan, het orkest speelde braaf.

Cellist Mario Brunello was uitgenodigd voor de vertolking van twee werken: de 'Rococo-variaties' van Tsjaikovski en 'Waldesruhe' van Dvorak. Brunello heeft de beschikking over een wonderschone cello, een Maggini uit 1600. In zijn spel lijkt Brunello er van uit te gaan dat het instrument voor zich spreekt, hij voegt daar weinig aan toe.

Zijn muzikale benadering was ingetogen, zelfs introvert. Aan de warmbloedigheid en innigheid van Tsjaikovski ging hij voorbij, het wachten was op een demonstratie van zijn virtuoze kwaliteiten waarbij hij de tempi naar eigen hand zette. Dvoraks dromerig 'Waldesruhe' verliep schokvrij zonder dat het hart ook maar een seconde werd geraakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden